Alpe d’Huez: Hoezo Nederlandse berg?

22/07/2011 at 11:00 Tom Rustebiel

Vraag eens ’n willekeurige Nederlander naar de meest bekende Tourcol. Wedden dat je als antwoord l’Alpe d’Huez krijgt? Je zou hierdoor het idee kunnen krijgen dat deze berg legendarisch, loodzwaar, enorm hoog of wonderschoon is. Maar niets is minder waar.

Tweeduizend meter. Dat is ongeveer de grens, die de cols van de colletjes onderscheidt. Boven die grens hebben we in Europa fameuze puisten als de Galibier, Izoard, Agnello, Tourmalet, Iseran, Croix-de-Fer, Gavia, Grossglockner, Stelvio, Kronplatz, Pordoi, la Covatilla, Sierra Nevada en San Bernardino. De Alpe blijft steken op ‘slechts’ 1860 meter.
Dan de historie. De Galibier dook in 1911 voor het eerst op in het Tourparkoers. Ook de Aubisque maakte al vroeg zijn debuut, waardoor het vandaag de dag de meest beklommen Tourcol is.

Pas in de middeleeuwen van het cyclisme debuteerde l’Alpe d’Huez. Toen, in 1952, tikte Fausto Coppi als eerste aan op de kruin. De berg wordt gekenmerkt door een relatief groot aantal Nederlandse successen. Acht in totaal, op 26 klauterpartijen. In 1989 was Gert-Jan Theunisse de laatste Nederlandse laureaat. Voeg daarbij Alpe d’Huzes en evenementen van een groot aantal dagbladen en de hype is geboren.

l’Alpe d’Huez is ook niet de col van het overweldigende natuurschoon. Onderweg slingert de route door drie dorpjes en nu en dan wat bossen. Hierdoor zijn er weinig panorama’s te zien, een facet dat echt grote jongens wél hebben. Maar de col afdoen als een niemendalletje, voert natuurlijk ook te ver.
Vanuit Bourg d’Oisans is het meteen raak met een gemiddeld stijgingspercentage van boven de 10% over de eerste kilometers. Tot in het op de flanken van de berg gelegen La Garde blijft het steile wand-racen, pas na vijf kilometer kun je even uitblazen. Ook dat is relatief, want nergens is het minder steil dan 6%.

Schaduw is op het tweede deel van de beklimming bijzonder schaars waardoor de zon en het plakkerige asfalt het klimmen onder warme omstandigheden nog lastiger maken. De aflopende 21 bochtnummers lopen tergend langzaam terug terwijl de weg steil omhoog blijft lopen. Hier draait de weg aan de oostkant van de berg langs waardoor de top lang niet te zien is.
Pas in de laatste drie kilometer is het skioord te zien, hier is het ook iets vlakker.
De laatste kilometer stijgt het nog slechts drie procent, het grootste leed is geleden. De finish is op een afgelegen parkeerplaats, in het onooglijke skidorp. Wél nog even oppassen in die laatste bocht, daar schieten bijna elke editie wel een paar coureurs rechtdoor.

De laatste winnaar op de Alpe is Carlos Sastre, die er de basis legde voor zijn Tourzege in 2008. Giuseppe Guerini won ondanks een botsing met een fotograaf in 1999 en twee jaar daarvoor reed Marco Pantani met een tijd van 37 minuten en 35 seconden de snelste tijd tot nog toe. Het moyenne bedroeg destijds 24 (!) kilometer per uur. De Italiaan moest remmen tijdens de beklimming. Mensen die de Alpe ooit bedwongen, weten hoe onwaarschijnlijk snel dat is.

Ohja, de bijnaam van de Alpe is ook wel de ‘Nederlandse berg’. Maar zullen we afspreken dat we die benaming pas weer afstoffen na een nieuw Nederlands succes?

In de Tour van dit jaar rijden de renners in de slechts 110 kilometer lange negentiende rit eerst nog over de Télégraphe en de Galibier. Klik hier voor die profielen.