Het is een lelijke straat. Zo lelijk als slechts Belgische straten kunnen zijn. Rommelig. Kaal. Somber. Het waait er zelfs als het windstil is.

Op de achtergrond zien we een appartementencomplex. Een fantasieloze blokkendoos met op de bovenste etage een wanstaltige uitbouw – door de plaatselijke projectontwikkelaar wellicht aangeprezen als ‘riant dakkot met een zicht’. Het gebouw oogt alsof het laatste likje verf vergeten is. Wat heel goed mogelijk is. We hebben het immers over België.

Op het asfalt zit een man.

Hij draagt een strak, glanzend blauwwit pakje. Zijn armen heeft hij om de gladde bruine benen geslagen. En ook al verbergen koershelm en zonnebril een aanzienlijk deel van zijn gelaat, aan de mond – vertrokken in een intens droevige grimas – en het onbedaarlijk schokschouderen is te zien dat de man weent.

Hij weent als een kind.

De camera is onverbiddelijk. Een volle minuut lang kijken we in close-up naar de man die op straat zit. Dat we hem wel zien maar niet horen wenen, maakt het beeld alleen maar indringender.

Hartverscheurend is het.

Hetzelfde geldt voor de eenzaamheid van de huilende man.

Iemand hurkt hooguit acht tellen naast hem. Klopje op de ranke rug, jasje over de schouders. Meer is het niet. Overal lopen mensen om de man heen, kriskras over de lelijke straat. Iemand houdt zijn fiets vast. Die krijgt wel steun. Een bellende man in de achtergrond; ja, u bent in beeld. Twee stiekem glurende madammen. Kerkklokken als filmmuziek. En de huilende man zit daar maar.

Niemand keurt hem een blik waardig.

Alleen de cameraman. En wij. Thuis, op de bank.

Het verdriet van de man snijdt als een mes door ons heen. Puur, onversneden verdriet. Ook al is de man een Italiaan – de pronte neus verraadt onmiddellijk ’s mans afkomst – dit is geen comedia dell’arte. Nee, zeker niet.

Dit is tragedia dell’arte. Van het allerhoogste niveau.

Prachtig en pijnlijk tegelijk. Het mag uren duren, dit is drama-van-de-hoogste-plank. Maar het moet ook stoppen. Mag die camera weg? Kan iemand de man in godsnaam een troostende schouder lenen?

Het beeld verspringt even. Een man in een regenboogtrui rijdt met een zelfvoldane blik door een menigte. Mensen proberen hem aan te raken, nemen foto’s. Drukdoende veiligheids- en organisatiemeneren snelwandelen achter hem aan. Oortjes in, accreditatie om de nek. Belangrijke mensen. Opgeschoten kinderen met zomerjassen, brilletjes en beugels staan klaar met pen en papier. Handtekening, alstublieft? Meneer, meneer, alstublieft. Meneer.

Minzame glimlach; geen reactie. Vanachter de dranghekken golft de bewondering over hem heen.

Het contrast met de huilende man kan niet groter zijn.

Sport is winnen en verliezen. Sport is het leven. Zeker als het om de koers gaat. Maar och, als we toch hadden mogen ingrijpen in de loop der geschiedenis. Dan zou de zelfvoldane man met zijn stevige achterwerk op de Belgische macadamweg gezeten zijn. Wenend, als een kind. De tranen zouden blijven steken in het ringbaardje, gecoiffeerd volgens het handboek marketing en pr. Hij zou in gecultiveerd brabbel-Engels wanhopige kreten uitslaan. Zijn blik ten hemel richten.

Hij zou zojuist een mooie koers verloren hebben.

En vooral moederziel alleen zijn.

De man in het blauwwitte pakje zou ook wenen, maar dan van vreugde. Van trots. We hebben het immers over een Italiaan, hè. Hij zou als winnaar euforisch in de armen van zijn familie vallen. Mama eerst, natuurlijk, dan papa en vervolgens het fotomodel-dat-ooit-zijn-kind-zal-dragen. Hij zou vervolgens iedere toeschouwer, iedere supporter persoonlijk omhelzen. De kinderen zou hij geduldig hun vurig gewenste handtekening geven, hen liefdevol over de bol aaiend. Bambini! Hij zou snotterend het podium betreden, de kussen van de bloemenmeisjes in ontvangst nemen. En keihard jankend de fles champagne in de lelijke Belgische straat leegspuiten.

En daarna – vele tientallen minuten later – zou hij bij Renaat of Michel&José of Maarten of Ruben (of voor mijn part bij allemaal achtereen) zijn verhaal doen.

Dat hij deze winter een fout heeft gemaakt. Geen foutje, nee, een ernstige vergissing. En dat hij alvast kan aankondigen dat ‘ie volgend jaar in Italiaanse dienst rijdt. In een ploeg waar ze hem wellicht minder goed door de wind(hoek) loodsen. Maar waar ze huilende mensen niet aan hun lot overlaten.

 

Sander Peters

Als Sander Peters (1974) geen teksten schrijft, zit 'ie op de fiets. De racefiets dus. Een Trek, lekker degelijk. Want klussen aan z’n fiets, daar houdt ‘ie niet zo van. Ook niet zo’n fan van clichés en pseudo-intellectueel geneuzel over de koers (Hoogmis, Koers Van De Vallende Bladeren, Hel Van Het Noorden, Il Lombardia, etc.). Dol op macaroni-met-smac-en-kaas en de Vuelta.