Ik wilde het altijd al wel: een boek over de fiets schrijven. Er is bij mij nog altijd verbazing over de late uitvinding ervan, iets na 1860, althans de fiets met trappers. Daarvoor had je al wel de loopfiets, zonder trappers, maar een loopfiets is een step, geen fiets. De trein is ruimschoots eerder uitgevonden dan de fiets. Hoe valt dat te verklaren?

Ik verdiep me al vrij lang in de geschiedenis van de fiets, maar dan niet alleen door me bezig te houden met de ontwerpers en ontwikkelaars ervan, maar ook anderszins. Hoe komt het bijvoorbeeld dat vrouwen zolang niet mochten fietsen van veel mannen? Zelfs gynaecologen bemoeiden zich ermee. Het zou volgens sommigen slecht zijn voor de vrouwelijke geslachtsdelen, terwijl die van mannen toch nadrukkelijker op het zadel drukken. Het was eerder zo dat men vrouwen de vrijheid niet wilde geven die een fiets biedt. De KNWU heeft er ook schrikbarend en schandalig lang over gedaan om het vrouwenwielrennen te legaliseren. Het gebeurde pas in 1958. De Telegraaf schreef kort daarvoor nog, zonder ironie: ‘Na het vrouwenkiesrecht en het damesvoetbal nu de vrouw op de racefiets. Waar moet dat heen, mannen?’

Wat me ook fascineert is de lange fietstochten die mensen in het begintijdperk van de fiets maakten. In Nederland hadden we eind negentiende eeuw ‘de doofstomme wielrijder’ Albert Sutherland Royaards, die de halve wereld over fietste. Hij berichtte erover in prachtige brieven naar huis.

In mijn boek ga ik ook uitgebreid in op het woord ‘fiets’. Waar komt dat nu eigenlijk vandaan? Maar ook de namen van fietsonderdelen komen aan bod. Waarom noemen we een frame ‘frame’ en een bidon ‘bidon’? Verder beschrijf ik de geschiedenis van de fietsclubs in Nederland, van de allereerste, Immer Weiter, tot de huidige clubs, waarbij namen zitten als: de Trillende Spaken, VlugTrug, Gosandekant en Tiona (Thuis is ook niet alles). Een heel hoofdstuk wijd ik aan de ketting, in het bijzonder aan het antwoord op de vraag waarom die vrijwel altijd aan de rechterkant van het frame zit en niet links, terwijl de fietsbel juist bijna altijd links zit en niet rechts. Ook de bezongen fiets krijgt een hoofdstuk, onder andere met Rowwen Hèze:

Vol in de zon
De spake die blinke
De schaduw dea vilt
Over de weeg
En ich weit nou al
Wat ich wil drinke

De taal van de fiets is vooral een boek over de liefde voor de fiets, en een beetje ook wel over de begeerte om een fiets te bezitten, vroeger ook wel ‘rijwielwoede’ genoemd, ooit fraai beschreven door Stijn Streuvels in zijn boek Mijn rijwiel (1915). In het Frans-Engels heb je voor fietsliefde een prachtig woord: velolove. In een soort van Duits is het Kame-rad. Ik beschrijf ook de soorten fietsen die er in de loop van de tijd zijn geweest. Het zijn er vele tientallen: de lokfiets, de weesfiets, de pastoorsfiets, de ligfiets, de swapfiets, enz. Nou ja, wat kan ik anders zeggen dan dat De taal van de fiets een boek is voor de liefhebber van de fiets, geschreven door zo’n liefhebber.

De taal van de fiets is uitgeven door uitgeverij Brooklyn in Leiden (www.uitgeverijbrooklyn.nl). Het is verkrijgbaar in elke boekhandel en via de online boekwinkels. De prijs is €14,99.

 

Latest posts by Wim Daniels (see all)