Dubbelganger

Stomverbaasd kijk ik naar de man die rond het kerkje loopt. Zijn loopje, kapsel en gelaatsuitdrukking; bizar hoeveel hij op mijn vader lijkt. Het is dat hij al bijna een jaar dood is, anders had ik gezworen dat hij hier in het kleine dorpje Froyelles een tweede leven is begonnen. Ik wil hem iets beter bekijken en met mijn fiets in de hand loop ik over het toegangspad dat dwars door een gazon met graven is aangelegd.

Op sommige delen van het pad zijn de kiezeltjes de grond ingelopen. De kale plekken zorgen voor een armoedige aanblik. Rode bakstenen als ruit de grond ingestoken, markeren de grens tussen pad en gras. Er zit weinig structuur in de manier waarop de dorpelingen hun doden begraven hebben. Kriskras verspreid over het veld staan scheefgezakte grafzerken, uitbundige tombes met foto’s en bemoste kruizen. Ze hadden beter een voorbeeld kunnen nemen aan de Engelse soldaten die net buiten het dorp begraven zijn. Rijen rechthoekige stenen met een iets afgeronde bovenkant staan daar keurig in het gelid. De man, hij lijkt hier een geestelijke functie te vervullen, rommelt wat aan de zijdeur van het kerkje. De bonte mengelmoes van stijlen verraadt een veelbewogen geschiedenis. Waarschijnlijk diverse malen afgebrand, vernield in de 100-jarige oorlog en kapotgeschoten in de Eerste Wereldoorlog. Ik vraag hem of het kerkje open is.

Geïnteresseerd bekijkt hij mijn wielerkleding en fiets. Nu ik hem van dichtbij zie, is de gelijkenis nog sterker, confronterend ook. Hij knikt bevestigend en wijst waar de ingang is. Ik bedank hem, zet mijn fiets tegen de grove stenen muur en loop naar binnen. Het is donker en een stuk koeler dan buiten. De geur van antiek eikenhout. Door het glas in lood dringen een paar lichtbundels naar binnen. Op het wegstervende geluid van een passerende auto na is het volkomen stil. Achter in de kerk staan rekken met daarin de gebruikelijke folders, kaarten en knutselwerken. Even verderop zijn kaarsjes te koop. Het interieur is eenvoudig en ik neem plaats op de hoek van een lange houten bank.

Opeens hoor ik vanuit een donkere hoek zacht ritmisch gebonk. Als ik iets beter kijk, zie ik een oude vrouw met rok en sweatshirt spinraggen verwijderen uit de hoge gewelven. Ze is er te druk mee bezig om in de gaten te hebben dat er iemand naar haar kijkt. Even later gaat de buitendeur open. Vers daglicht dringt, samen met het geluid van een voorbijrazende brommer, naar binnen. Het is de man. Kort wisselt hij een paar woorden met de vrouw om vervolgens neer te knielen op het bankje onder een gigantische afbeelding van het lijdensevangelie. Iets verderop kijkt Maria devoot als altijd naar haar kind. Al snel is hij volledig van de buitenwereld afgesloten. Ik geneer me om zo naar hem te kijken, maar ik kan niet anders. Na een minuut of 10 staat hij op en verdwijnt door een klein deurtje aan de zijkant van de kerk.

Ik sta op om de kerk te bekijken. Het geluid van mijn schoenplaatjes op de harde stenen weerkaatst tegen de groezelige muren. Langzaam loop ik naar de grote gedenkplaat die ook in deze kerk aanwezig is. Ik bestudeer de namen van de jonge mannen die stierven in de Eerste Wereldoorlog en vraag me af hoe ze aan hun eind kwamen. Granaatscherven, doorzeefd met kogels of gestikt in een gruwelijk gifgas. Het zal vast een wrede dood zijn geweest. Als beloning is hun naam uitgehakt in dit monument. Een nooit uit te wissen litteken in keihard marmer. Een aantal jongens draagt dezelfde achternaam. Waren het broers? Ik probeer me voor te stellen hoe dat geweest zal zijn voor hun ouders. Drie kinderen verloren in één oorlog. Mijn ouders verloren ooit één kind en niets was meer zoals het was.

Zouden er trouwens ook wielrenners tussen staan? Jongens die zich uit een armoedig bestaan omhoog fietsten en vervolgens de dood in gejaagd werden. Zelfs grote kampioenen, Tourwinnaars als Lucien Petit-Breton en Octave Lapize moesten er aan geloven. In de oorlog had je niks aan een indrukwekkende erelijst. Ik ga weer zitten. De ontmoeting heeft me niet onberoerd gelaten. Er spookt van alles door mijn hoofd. Ik laat me achterover zakken in de harde bank en mijn blote knieën raken de koude rugleuning voor mij. Na een minuut of 5 besluit ik weer verder te gaan.
Buiten knipper ik onwennig tegen het felle zonlicht.

Het is herfst, maar nog steeds aangenaam warm. De geur van rokende openhaarden vult het dorp. Het mooie najaar heeft ervoor gezorgd dat het blad aan de bomen felgekleurd is. ‘Indian Summer’ in Noord Frankrijk. Ik loop nog eens om de kerk en aan de achterkant stop ik bij een deurtje. Het is op slot. Ik tuur door het raam ernaast en zie een eenvoudige ruimte met een bureau. Als ik nog eens goed kijk, zie ik een foto van een wielrenner in Cofidistenue. Aan het ontwerp te zien, ergens uit de jaren 90. Als ik me omdraai om weer verder te gaan, bots ik bijna tegen de man aan. Ik excuseer me en wil naar mijn fiets lopen. Hij houdt me tegen en zegt dat zijn zoon ook wielrenner was. Even later staan we binnen. Hij haalt de foto van de muur; het is zijn zoon. Al 15 jaar heeft hij hem niet gezien. Ik durf niet goed te vragen wat er is gebeurd. Of hij overleden is of dat er iets anders aan de hand is.

Dan vertelt hij dat zijn zoon een van de grootste wielertalenten van Frankrijk was en na een aantal succesvolle jaren bij Vélo Club Amateur de Saint-Quentin bijna overal een profcontract kon tekenen. Hij kijkt me even aan en gaat dan verder: “We hebben er lang over nagedacht, maar na lang wikken en wegen tekende hij een contract bij Cofidis, een nieuwe ploeg opgericht door de legendarische Cyrille Guimard. Dat juist hij interesse had, gaf de doorslag; een echte kampioenenmaker, verantwoordelijk voor de doorbraak van Bernard Hinault en Laurent Fignon. Ik was ontzettend trots en had vertrouwen in de aanpak van Guimard.” Hij laat een stilte vallen en ongemakkelijk staren we naar de jongeman die op de foto onzeker de wereld inkijkt. “Dat hij het in hem zag zitten, gaf vertrouwen en de ambities van mijn zoon waren grenzeloos. Ik probeerde hem wat af te remmen, met beide benen op de grond te houden, maar ik had te weinig invloed op hem. In die winter, voorafgaand aan het seizoen 1997 trainde hij harder dan ooit. Maar juist in die periode ging het mis. In zijn laatste seizoen als amateur begon hij met het slikken van amfetamines. Later kwam daar Stilnox bij, een slaapmiddel. Met het ene middel hief hij de werking op van het andere en hij raakte steeds verder verstrikt. Ik zag dat hij veranderde; hij was zichzelf niet meer, agressief, opgejaagd, soms paranoïde. Een machteloos gevoel. Hij vernietigde zijn carrière, voordat deze goed en wel begonnen was”.

Ik luister aandachtig naar zijn verhaal en ben benieuwd hoe het verder gaat. Als ik vraag waarom hij begon met gebruiken, haalt hij zijn schouders op. “Ik weet het niet, begreep het niet. Hij had het niet nodig, want hij barstte van het talent. Misschien de invloed van verkeerde mensen of onzekerheid. Ik weet het echt niet. We hadden eigenlijk geen contact meer met elkaar. Vroeger fietsten we regelmatig samen, maar dat wilde hij niet meer. Uiteindelijk kon ik het niet langer aanzien en stelde ik hem een ultimatum: of je zoekt hulp of ik meld je hoogstpersoonlijk aan bij het Franse anti-dopingagentschap. Ik gaf hem drie maanden, tot het begin van het seizoen. Het werkte averechts en hij ging nog meer gebruiken. Na drie maanden deed ik wat ik had gezegd”. Hij kijkt me aan, schuldbewust. “Wat moest ik anders? Mijn zoon vernietigde zichzelf en ik moest ingrijpen. Hij werd geschorst en ontslagen en wilde me nooit meer zien. Met knallende ruzie is hij vertrokken en hij is nooit teruggekomen. Hij is nu van jouw leeftijd en ik zou hem dolgraag weer willen zien. Ik verwacht echter niet dat hij ooit hier naar toe zal komen”.

Ik vraag hem hoe hij hier in dit dorpje terecht gekomen is. Hij legt uit dat hij na het vertrek van zijn zoon alles verloor wat hij had en wegkwijnde in Saint-Quentin. Eenzaam in een desolate stad. Er moest iets gebeuren: “Terwijl ik balanceerde op de afgrond van mijn bestaan, nam ik een besluit. Ik besloot diaken te worden, een ambt dat paste bij mijn levenssituatie. Een paar jaar later was het zover en nu woon ik hier al weer 10 jaar. Het is mijn redding geweest. Ik ben relatief gelukkig en geniet van dit mooie dorp. Toch blijft het verleden knagen. Het gemis en het verdriet is te groot”.

Na zijn verhaal is het even stil. Ik weet niet zo goed hoe ik moet reageren en wat onhandig neem ik afscheid. Nadat ik het dorp verlaat, geniet ik van de mooie omgeving. Bossen, akkers met afgemaaide stoppels en kleine dorpjes wisselen elkaar af. Richting St. Valerie sur Somme, waar we deze vakantie een huisje huren, verandert het landschap. Weidser, zilte geuren van de zee. Als ik bijna thuis ben, strekt de door eb drooggevallen Baai van de Somme zich voor me uit. Een gigantische zandvlakte waarboven meeuwen zoeken naar diertjes die met het wegtrekkende water ook hun bescherming verloren zijn. Even later ben ik weer thuis, maar het verhaal laat me niet los. Een vreemd idee; een man die op mijn vader lijkt die zijn zoon mist. Ik kan het eigenlijk geen plek geven.

Ruim twee weken later, aan het einde van de vakantie wil ik nog een keer bij het kerkje langs. De manier waarop ik de vorige keer wegging zit me niet lekker en ik voel sterk de behoefte om hem te vertellen op wie hij lijkt. In een boek dat ik van mijn moeder heb geleend, vond ik eerder die vakantie een pasfoto en die neem ik mee. Ik combineer mijn bezoek met een lange training. Het eerste deel van de route blijf ik dicht bij de kust. Ik passeer verlaten badplaatsen en fiets langs uitgestrekte kiezelstranden. Wanneer de eerste krijtrotsen opdoemen, rijd ik het binnenland in. Ik fiets nu over glooiende wegen door een weids landschap. In de verte zie ik veevoedersilo’s van landbouwcoöperaties afsteken tegen een gelijkmatig kleurenpalet. Noord Frankrijk wordt onderschat, het is hier schitterend.

Het laatste stuk van de route leg ik af over de grotere D-wegen. Via het woud van Crécy fiets ik het laatste stuk naar Froyelles. Ooit was deze plek het decor van een gruwelijke veldslag. In de 100-jarige oorlog werden de Fransen hier door de Engelsen verslagen. Nu is het stil en niets doet denken aan een oorlog. Langs de kaarsrechte weg kan ik ver vooruit kijken en in de verte zie ik een wielrenner met een bos bloemen staan. Ik ga iets langzamer rijden om van een afstand te zien wat hij daar doet. Hij is van mijn leeftijd en draagt een gedateerd Cofidistenue. De bloemen legt hij bij een boom en hij hangt er iets boven. Als hij weer opstapt, bekijk ik nieuwsgierig wat hij daar deed. Op de weg naast de boom staan zwarte remsporen afbuigend naar de berm. De schors van de boom is helemaal kapot en het vrijgekomen hout steekt af tegen de donkere barst. Net boven de beschadiging is een foto opgehangen. Het is een man. Minutenlang staar ik naar de foto. Dan pak ik de pasfoto uit mijn zak en prik hem erbij. De vergelijking is wederom bizar. Ik stap op en fiets weer verder.

 

Naschrift: Dit verhaal is voor een deel waargebeurd en voor een ander deel bedacht. Daarbij vormde het boek Koersen in het duister van David Millar een inspiratiebron. Een boek dat ik iedereen aanraad om te lezen; een erg mooi en goed boek.

Joost-Jan Kool

Joost-Jan Kool

Joost-Jan Kool (1977) uit Lexmond houdt van de koers. Zowel actief als passief. Passief, languit op de bank of springend voor diezelfde bank (afhankelijk van koersverloop) en actief door het rijden van criteriums. Dat laatste valt niet mee door gebrek aan voldoende tijd en vooral talent. Desondanks toch verzot op de foute muziek, de geur van massageolie en de sterke verhalen die de koers maken wat het is. Schrijven over wielrennen is overigens een prima alternatief. Grote droom is het winnen van ‘zijn’ Ronde van Lexmond. Is realistisch genoeg om te beseffen dat dromen vaak bedrog zijn.
Joost-Jan Kool

Related Post

3 Comments

  1. Aron 15/08/2012 at 19:14 - Reply

    Mooi! Zit met tranen in m’n ogen!

  2. arend 15/08/2012 at 19:18 - Reply

    Stunning

  3. Barry van Zandvoort 17/08/2012 at 12:30 - Reply

    Schitterend stuk.

Geef een reactie