Mooie zomers waren dat: je zette je televisietoestel aan, rechtsboven stond een getal met drie cijfers voor de komma. 118,7. Dat was nog bijna drie volle uren koers door nulle part France. In beeld zag je, onveranderlijk, een of andere lange zwiep. Licht wiegend met de schouders trapte hij zijn verzet rond. Tientallen kilometers op kop van het peloton. Gisteren ook, morgen weer.

De lange Vansummeren ment het peloton, hoorde je een commentator melden tussen koetjes en kalfjes, of tussen kastelen en wijntjes. Dat was afhankelijk van de zender die je volgde. Weinig renners hebben meer op kop van een peloton gereden dan Johan Vansummeren uit Lommel, en er was weinig wat mij meer gerust stelde dan dat zicht van mijn grote, magere streekgenoot die tegen wind en vals plat in fietste. Zo word je groot, zei ik dan tegen niemand in het bijzonder.

johanvansummerenEr zijn verschillende redenen waarom Johan Vansummeren altijd een van mijn favoriete renners is geweest. Onze vaders zijn beide huisdokter in Noord-Limburg. Je hoorde wel eens verhalen, over hoe Johan als jonge gast tijdens weekends achter het brommertje naar Luik fietste om te trainen, over hoeveel zweet hij op zijn fiets kon laten in eenzame uren door wind en regen. Hij kon ook koersen: bij de beloften won hij Luik-Bastenaken-Luik en werd tweede op het zware WK in Hamilton, na Sergei Lagoetin maar voor Thomas Dekker.

Een andere reden is zijn vrouw. Ik was in mijn jeugd een zwemmer, en samen met mij in de nationale beloftenploeg zwom Jasmine, nu mevrouw Vansummeren. Zij was complexloos en vrolijk, wat in de zwemwereld zeldzaam is, en ze kon oerend hard vrije slag zwemmen. Jasmine en Johan leerden elkaar kennen, zo wil het verhaal, op de uitreiking voor sportverdienste in Lommel. Jasmine won. Want hoe sterk Vansummeren als renner ook zou worden, een winnaar was hij nooit.

Toch moest het er ooit van komen dat hij een grote koers zou winnen. Dat wist ik al toen ik hem, jaren eerder, al die uren op kop van het peloton zag beuken. Dus zette ik in mijn jaarlijkse voorjaarspronostiek, die ik mailgewijs met een maat onderhoud, Vansummeren op één. Het was 2011, het jaar waarin ik net voor de klassiekers naar Zuid-Frankrijk verhuisde. Parijs-Roubaix: Summie, zo schreef ik einde februari op mail. Voor de Ronde van Vlaanderen had ik overigens Nuyens opgelijst.

Een televisie had ik niet dus besloot ik zelf een toer te gaan fietsen tijdens de Hel van het Noorden. Bij thuiskomst zette ik de tekstfeed van Sporza aan, Twitter was nog niet zo’n dingetje. Op Carrefour de l’Arbre was Vansummeren net weggereden van Tjallingii. Ik zette ook mijn mailbox open en loerde intussen naar het cirkeltje dat aangaf wanneer er een update zou volgen. Cancellara was op komst, en dan weer niet. Was er iets met een leeglopende tube? De voorsprong slonk, en dan slonk hij weer niet. De laatste kilometers waren eindeloos.

‘Klootzak.’ Het korte berichtje verscheen in mijn mailbox nog voor de tekstfeed bevestigde. Johan Vansummeren won Parijs-Roubaix. In die overwinning zitten duizenden kilometers verwerkt, achter het brommertje van zijn vader, op kop van het peloton, door weer en wind met altijd die licht zwiepende schouders van dat net iets te lange lijf. Het is niet eerlijk een carrière van vijftien profseizoenen te versmallen tot één wedstrijd, maar als een koers symbool kan staan voor een carrière dan wel Parijs-Roubaix: de hardste eendagskoers ter wereld.

Een sporter die zijn eigen moment om te stoppen niet kan kiezen, dat is altijd hard. Veel mooier is het om, zoals Vansummerens maatje Thomas Dekker, na een laatste exploot te zeggen: Hier ben ik klaar mee. Dat afscheid is Johan Vansummeren niet gegund. Wel heeft hij, voor de rest van zijn dagen, een mooie kasseisteen op de schouw staan. Die steen zegt, met niet al te veel woorden: hier woont een groot renner, die na zovele kristallen zweetdruppels in dienst, de hardste koers ter wereld won. So long Summie, en doe de groeten aan je vrouw.

Herman Loos

Herman Loos (1981) is een klimmer gevangen in het te zware lichaam van een zwemmer. Hij woont in Tarbes, hoofdplaats van de Pyreneeën, en rijdt bijgevolg vaak bergop, traag genoeg om intussen elke meter van zijn cols te kennen.

Latest posts by Herman Loos (see all)