Mijn opa, Jos Kool, werd al op jonge leeftijd dement; ik heb hem nooit anders gekend. Het proces voltrok zich in een razend tempo en al snel was hij kwijt wie hij was, waar hij vandaan kwam en wie hij had voortgebracht. Wat restte waren vage herinneringen aan een leven dat ver achter hem lag. Soms borrelden ze op en dan vertelde hij over de winters van vroeger, het werk dat hij had gedaan en zijn vrouw die hij al vroeg in zijn leven kwijt was geraakt. De verhalen waren telkens anders, maar de onderwerpen bleven hetzelfde. Er was echter één verhaal, gek genoeg over een heel ander onderwerp, dat nooit veranderde.

Het ging over wielrennen. Iets waar hij, voor zover we wisten niets mee had. ’s Zomers wanneer we bij hem op bezoek waren en de Tour de France fungeerde als afleiding voor de ongemakkelijke wetenschap dat wij eigenlijk vreemden voor hem waren, keek hij met ons mee. Zeker vier keer per uur vertelde hij dat hij ooit een lange Nederlandse renner aangemoedigd had op een Franse berg en dat deze net voor de top voorbijgereden werd door een andere wielrenner. We namen hem niet serieus en maakten grapjes over zijn verhaal. Een paar jaar geleden echter, mijn opa was al 10 jaar dood, begon ik me af te vragen waar het verhaal vandaan kwam, of er een kern van waarheid in zat en of hij echt in Frankrijk was geweest. Ik was zelf gaan wielrennen en raakte geïnteresseerd in de historie van de sport. Het verhaal van mijn opa intrigeerde mij.

De zoektocht begon bij mijn familie. Wat konden ze mij vertellen? Niet veel, zo bleek. Ze snapten niet waar mijn fascinatie voor het verhaal vandaan kwam, maar gaven wel een bruikbare tip. In Lienden, een klein dorp in de Betuwe had hij als monteur gewerkt bij een transportbedrijf. Hij was daar terecht gekomen nadat hij jarenlang knecht bij een boer was geweest en hij daar door de mechanisatie, die ook in de agrarische sector was doorgedrongen, overbodig werd. Mijn opa vond snel een nieuwe baan. Als hij al in Frankrijk was geweest, moet het in die periode zijn geweest, zo verzekerde mijn familie.

Via het inmiddels enorme transportbedrijf kwam ik op het spoor van een man die in dezelfde periode als mijn opa bij het bedrijf gewerkt had. Zijn naam was Henk van Ommeren en hij woonde in een aanleunwoning van een verzorgingstehuis in Tiel. Ik belde hem op en we maakten een afspraak. Toen ik zijn kleine, naar sigaren ruikende woning binnenkwam, zag ik zwart-witfoto’s van coureurs aan de muur hangen. Hij hield van de koers, maar was te oud geworden om zelf nog te fietsen. Het werd een lang gesprek wat duidelijk maakte welk verhaal mijn opa jarenlang aan ons wilde vertellen. Hoe de Touruitzendingen bakens vormden in zijn schimmige gedachtewereld en hoe hij daar tevergeefs aan vast wilde klampen. Zijn dementie maakte dat onmogelijk. Henk van Ommeren bleek overigens een van de hoofdrolspelers te zijn.

Het verhaal speelde zich af in de zomer van 1952. Een periode waarin het leven in Nederland en Europa in het teken stond van herstel, wederopbouw en hard werken. Samen met de steun van het Marshallplan keek Nederland naar de toekomst en over haar grenzen. De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), belangrijk voor de wederopbouw van Europa, werd opgericht en Nederland was één van de zes lidstaten. Dankzij de combinatie van internationale oriëntatie en een goede arbeidsethiek ging het de nieuwe werkgever van mijn opa voor de wind. Zijn bedrijf groeide hard en hij kon het zich veroorloven om te reizen; bij voorkeur naar Frankrijk. Regelmatig bezocht hij de Auvergne om daar met zakenrelaties te jagen. Hij raakte bevriend met monsieur Netlon, burgemeester van een klein dorp in de schaduw van de legendarische Puy du Dôme. Naast burgervader was hij ook nog boer.

Nu had Monsieur Netlon een cadeau aangeboden aan zijn Nederlandse vriend: een opgezette hertenkop met een enorm gewei. Het ding moest opgehaald worden en mijn opa werd samen met collega Henk van Ommeren op pad gestuurd. Een buitenkans; normaal gesproken, konden zij zich een reis als deze niet permitteren. Ze waren de Betuwe nog nooit uitgeweest. Dat de Tour de France precies in diezelfde periode door het gebied zou trekken, wisten ze niet; ze hadden niets met wielrennen. Dat zij later die week getuige zouden zijn van een historische wielergebeurtenis konden zij op dat moment al helemaal niet bevroeden. Na een lange reis bereikten de mannen de boerderij waar ze onthaald werden met een heerlijk maal en uitstekende wijnen.

Tijdens de maaltijd vertelde Netlon aan mijn opa en Henk dat ze met hun neus in de boter waren gevallen. De tour zou de volgende dag voor het eerst in haar bestaan finishen op de Puy de Dôme. Samen met een aantal hoogwaardigheidsbekleders uit omliggende dorpen was hij door de Tourdirectie uitgenodigd om de finish te bekijken. De twee gasten mochten mee. Dat Netlon er zin in had, was een understatement. Hij ratelde aan een stuk over de koers en was daarbij niet bescheiden over zijn eigen prestaties op de fiets. Al snel bleek dat hij naast burgemeester en boer ook nog eens een geweldige opschepper was. Hij beweerde dat hij in zijn jeugdjaren nog gekoerst had tegen mannen als Rene Vietto en Antonin Magne. Renners die later de Tour zouden winnen. Hij had, zo beweerde hij, niks voor hen ondergedaan. Nu fietste hij niet meer. Het ambt kostte teveel tijd. Het was hem aan te zien, de knoopjes van zijn hemd stonden strak. De mannen geloofden het allemaal wel. Ze hadden geen verstand van wielrennen. Later die avond liepen de twee nog even naar buiten. Het was een heldere nacht en de Puy de Dôme strak scherp af tegen de zilvergrijze hemel. Ze konden zich bijna niet voorstellen dat ze morgen dat indrukwekkende gevaarte gingen beklimmen.

De volgende dag, 17 juli 1952 was het bloedheet in de Auvergne en al vroeg in de morgen ging het gezelschap op pad. De vijf kilometer lange weg naar de top werd per auto afgelegd en mijn opa en Henk keken hun ogen uit. Schitterende vergezichten, adembenemend mooie natuur. Een ruig, vulkanisch landschap. Ze konden bijna niet geloven dat de renners over een paar uur dezelfde weg zouden afleggen. Op de top genoten ze van het schitterende uitzicht. Clermont-Ferrand lag als een speelgoeddorp in de diepte. Ter hoogte van de finishlijn zocht het gezelschap, in afwachting van wat zou komen, een plek in de schaduw. Ondertussen deed het peloton het rustig aan. De etappe van Limoges naar Clermont-Ferrand (Puy de Dôme) was de zwaarste van deze Tour en de renners doseerden hun krachten. Onder hen ‘Olijke Woutje’ Wagtmans, Wim van Est, de man die een jaar eerder als een gele boterbloem uit een ravijn van de col d’Aubisque was gevist en wiens populariteit Johnny Hoogerland-achtige vormen had aangenomen en de pas 22-jarige Jan Nolten. Pas op het allerlaatste moment was hij door ploegleider Kees Pellenaars toegevoegd aan de Nederlandse ploeg en dat bleek een goede keuze te zijn. De bij het grote publiek nog onbekende jongeling had snel naam gemaakt in het peloton en had zelfs al een etappe gewonnen; de 12e van Sestriere naar Monaco. Hoewel Nolten voor het eerst in de Tour de France rondfietste, betekende dat niet dat Frankrijk en de bergen nieuw voor hem waren. Als amateur had hij hier al veel gekoerst en getraind en het was duidelijk dat hij een echte klimmer was. Met de Puy de Dôme had hij een speciale relatie. Hij hield van de berg die door haar vorm en sneeuwvorming op de top de bijnaam ‘het suikerbrood’ droeg. Een lastige klim, maar op een of andere manier verteerde hij haar erg goed.

Na de eerste schermutselingen in de koers, waarbij de Nederlanders attent van voren reden, barstte de strijd op de slotklim definitief los. Vier kilometer onder de top sprong Jan Nolten uit Geleen weg bij mannen als Bartali, Coppi en Géminiani. Ongekend, de Tourdebutant die brutaal de grote mannen uitdaagde. Nolten vloog en leek rechtstreeks naar zijn tweede etappezege te rijden. Bartali en Géminiani worstelden zich ver onder hem door de zinderende hitte naar boven. Kapot gereden door het jonge talent uit Nederland. Hier reed de toekomstige winnaar van de Tour de France. Dat was na vandaag wel duidelijk! Er was één renner die nog fris op zijn fiets zat en dat was de Italiaan Fausto Coppi. Maar de voorsprong van Nolten was zo groot en hij reed zo verschrikkelijk hard door het vulkanische landschap dat Coppi te laat zou komen.

Ook het publiek op de top kreeg in de gaten dat er grote dingen gebeurde op de weg onder hen. Licht in het hoofd van de grote hoeveelheden wijn, raakten mijn opa en Henk in vervoering door de prestatie van hun landgenoot. Al snel namen ze met nog meer wijn een voorschot op de naderende winst. Helaas, ze juichten te vroeg. Fausto Coppi deed er alles aan om de ritwinst toch nog naar zich toe te trekken. De Italiaan was ontketend en naderde Nolten nu heel snel. De Nederlandse radioverslaggever Jan Cottaar onderkende het gevaar en waarschuwde zijn landgenoot: ‘Jan, Coppi komt eraan!’ Het publiek bij de finish kon Nolten nu zien rijden en moedigde hem vol overgave aan. Nog maar een paar 100 meter en dan zou hij triomferen. Maar toen zagen zij ook het gevaar dat in hoog tempo naderde. De extra aanmoedigingen ten spijt, werd Nolten net voor de streep voorbijgereden door de Italiaan die later ook het eindklassement van deze Tour zou winnen. Ondanks zijn winst was de grote campionissimo zwaar onder de indruk van zijn tegenstrever en feliciteerde hij hem niet alleen met zijn tweede plaats, maar ook met het grote talent dat hij vandaag bevestigd had. Want dat was wel duidelijk: de tijd van Nolten zou nog wel komen.

De volgende dag moesten Henk en mijn opa weer naar huis. Op de achterbank lag het gigantische gewei. Het was een geweldig avontuur geweest en de mannen waren in de ban geraakt door de wielersport. Zwaar onder de indruk waren ze van de renners die met reserveband om de borst gigantische bergen bedwongen en erbarmelijke omstandigheden trotseerden. Ze besloten om ook een fiets te kopen en te gaan koersen.

Helaas, het liep allemaal anders. De vrouw van mijn opa overleed een paar weken later en zijn fietsplannen konden definitief de kast in. Het verhaal verdween naar de achtergrond, alsof het ongepast was om nog te praten over leuke dingen. Henk ging wel fietsen en werd één van de beste amateurwielrenners uit de regio. Hij won veel criteriums en was zelfs nog heel even profwielrenner. Ook met Jan Nolten liep het anders dan verwacht. De hooggespannen verwachtingen zou hij nooit waarmaken. Insiders beweerden dat hij liever koekjes at bij zijn grammofoonplatenspeler dan dat hij ging trainen.

Nu ik het verhaal kende, voelde ik me bezwaard richting mijn opa. Hij had ons jarenlang iets proberen te vertellen, maar we gaven hem nooit een kans. Het avontuur, de koers en de grootheid van de Tour had zoveel indruk op hem gemaakt dat het telkens weer oplichtte in zijn vergeten verleden. Er restte me nog één ding; ik wilde het gewei zien. Op een mooie zonnige woensdagmiddag trok ik naar Lienden en bezocht daar nogmaals het bedrijf. Bij de receptie vroeg ik naar een hertengewei en de receptioniste keek me wantrouwend aan. De directeur was bang dat ik van Powned was en had geen zin mij te woord te staan. Teleurgesteld liep ik terug naar mijn auto. Net voordat ik instapte, liep de man die me op het spoor van Henk van Ommeren had gebracht naar mijn auto. Ik vroeg hem naar het gewei. Hij keek me onbegrijpend aan en herhaalde mijn vraag. ‘Gewei, gewei? Er is hier nooit een gewei geweest.’

Joost-Jan Kool

Joost-Jan Kool (1977) uit Lexmond houdt van de koers. Zowel actief als passief. Passief, languit op de bank of springend voor diezelfde bank (afhankelijk van koersverloop) en actief door het rijden van criteriums. Dat laatste valt niet mee door gebrek aan voldoende tijd en vooral talent. Desondanks toch verzot op de foute muziek, de geur van massageolie en de sterke verhalen die de koers maken wat het is. Schrijven over wielrennen is overigens een prima alternatief. Grote droom is het winnen van ‘zijn’ Ronde van Lexmond. Is realistisch genoeg om te beseffen dat dromen vaak bedrog zijn.
Joost-Jan Kool

Latest posts by Joost-Jan Kool (see all)