Vroeger, ach, vroeger. Vroeger slofte mijn vader ’s morgens vroeg al naar boven om het witte campingtafeltje achter de zolderluiken vandaan te halen. Rond een uur of twaalf klapte hij dat tafeltje buiten uit, schroefde de pootjes goed vast, slofte weer naar binnen om even later steunend en inmiddels zwetend weer naar buiten te komen, met in zijn armen de loodzware televisie. Met een goed gemikt “godverdomme!” zette hij het apparaat voorzichtig op het campingtafeltje. De stekker ging in de haspel, de kabel slingerde zich door de huiskamer een weg naar buiten. Het zonnescherm was zo ver mogelijk uitgedraaid. Achter de televisie installeerde mijn vader twee parasols; de televisie moest niet te heet worden, wist ik wel hoe link dat was? Naast de tv zette mijn vader een beugeltje Grolsch en een glas limonade. Daarna gingen wij zitten, op witte kunststof stoelen met synthetische kussens die na vijf minuten al aan je benen plakten. Mijn vader had een petje op. Op de klep stond RALEIGH, in vette, zwarte letters. In stilte keken we hoe de slaven van de weg vastbesloten berg na berg beklommen. Vanuit de tuin van de buren klonk gespetter van water op plastic; de buurvrouw vulde het badje voor de kinderen. Mijn vader en ik keken elkaar even aan – dat werd weer gegil straks – , en richtten onze blik daarna weer op het scherm. Eensgezind sloten we de wereld buiten. We zagen de doorweekte petjes op de zwetende rennershoofden, de witte sokken boven de zwarte fietsschoentjes, de fladderende wielershirtjes rond de tanige rennerslijven. De fietsframes leken in die tijd nog op elkaar, de lijnen waren recht, de buizen perfect rond. Tegen de tijd dat de finale aanbrak, schoven we als afgesproken tegelijk naar voren. Soms wees mijn vader me ergens op, maar nog vaker zat hij gewoon nagelbijtend naast me. Aan het einde van de middag won Hinault, of Winnen, of Lemond, of Roche, en soms Fignon of Jalabert. ‘Goh, dat was weer mooi,’ zeiden we na afloop tegen elkaar. Daarna gingen we naar binnen, mijn moeder had het avondeten al klaar. Morgen weer zo’n dag. En overmorgen weer. En als het dan eindelijk afgelopen was, wist ik dat het volgend jaar weer zo zou zijn. En het jaar daarop ook weer.

Tot in lengte van jaren.

Dacht ik te weten.

Nu zit ik middag na middag alleen op de bank. De zomer is verder weg dan ooit en op de televisie worstelen de slaven van de weg zich door de dichte mist of in de zinderende hitte de bergen op. Ik begrijp inmiddels veel meer van ploegentactiek, linkeballen en al die andere zaken waar het wielrennen een patent op heeft. Ik weet dat het handje schudden tussen Valverde en Nibali waarschijnlijk gepaard ging met een financiële afspraak en ik weet zelfs wat een chasse patate is. Ik kijk naar de zwanenzang van Cadel Evans en vind dat mooi, omdat hij zo vol overgave onderuit gaat. Heel zijn lijf gaat erin mee: zijn zware benen zijn nog zwaarder, de rimpels in zijn karakteristieke kop worden nog dieper, de grimas is nog grimmiger.

Maar als ik zeg dat ik zo met hem te doen heb, zegt niemand iets terug.

Ook zie ik hoe de Britten zonder enige gêne de Tour overnemen. De machtige trein van Sky die maar doordendert. De knecht die zich ternauwernood aan de gemaakte afspraken houdt, maar wel wil laten zien dat hij zich sterker acht. Daartussendoor fietst dan nog een Luxemburgse renner die denkt te zijn vergiftigd, terwijl veel wielervolgers zich afvragen hoe dom je kunt zijn. Ik zie een Fransman die twee weken voor de start nog zwaar geblesseerd leek te zijn, maar nu de bolletjestrui naar Parijs brengt. Verder kijk ik naar de lange kwijldraden die zich een weg banen door de baard van Laurens ten Dam.

Maar als ik zeg dat ik het allemaal weer zo mooi vind, zegt niemand iets terug.

 

Mariska Tjoelker
Laatste berichten van Mariska Tjoelker (alles zien)