Vandaag staat er in de Tour een lange, vlakke rit op het programma die start in Belfort en finisht in Chalon-sur-Saône. Hoewel we al een aantal bijzondere etappes achter de rug hebben, is dit nou zo’n prototype rit die je in een eerste Tourweek verwacht. Vlak, voornamelijk rechtdoor en 230 kilometer lang. Weinig noemenswaardige obstakels of aanknopingspunten en dus kom je, als je iets interessants wil zeggen over de etappe, al snel uit bij eerdere aankomsten in Chalon-sur-Saône.

Eén van de vier eerdere aankomsten was in 1961, toen de zevende etappe vrijwel identiek was aan die van vandaag. Van Belfort naar Chalon-sur-Saône over vlakke wegen langs het riviertje Doubs. Het leek een massasprint te worden, maar Jean Stablinski wist in de laatste kilometer te demarreren en het sprintende peloton voor te blijven.

Stablinski kent, zoals de meeste Franse Polen die vlak voor de oorlog worden geboren, een moeilijke jeugd. Als hij acht jaar is, komt zijn vader bij een ongeluk met een Duitse vrachtwagen om het leven. Zijn oudere broers worden gevangengenomen en komen niet meer terug. En omdat hij na de oorlog alleen met zijn moeder achterblijft, moet hij op veertienjarige leeftijd aan het werk in de steenkolenmijn van het kleine dorpje Wallers.

Als hij via een vriend verliefd wordt op het wielrennen, koopt hij stiekem een racefiets. Hij blijkt er goed mee te kunnen rijden, maar ondanks dat hij de eerste drie koersen waar hij start wint, verbiedt zijn moeder hem wielrenner te worden. Om haar toch te overtuigen komt Stablinski op een nacht laat en stomdronken thuis. Ze spreken af dat hij mag blijven fietsen, als hij stopt met uitgaan.

Het is een afspraak waar ze geen spijt van zouden krijgen. Jean Stablinski schrijft in zijn vijftienjarige carrière uiteindelijk meer dan honderd koersen op zijn naam. Hij wordt vier keer Frans kampioen, wint de Ronde van Spanje en in 1962 zelfs het wereldkampioenschap. Na zijn actieve carrière wordt hij ploegleider en is hij de ontdekker van jonge talenten Lucien van Impe en Bernard Hinault.

Zijn meest beklijvende bijdrage aan het wielrennen is echter nog van andere aard. In 1968 maken de organisatoren van Parijs-Roubaix zich zorgen over het verdwijnen van veel kasseienstroken. Ze komen voor advies uit bij Stablinski, die nog wel een weggetje weet uit de tijd dat hij als kind in een steenkolenmijn onder het bos van Wallers werkte.

Zo hebben we de Trouée d’Arenberg, de meest bekende en één van de zwaarste kasseistroken van Parijs-Roubaix, te danken aan Jean Stablinski, winnaar van vijf Touretappes, waaronder de etappe van Belfort naar Chalon-sur-Saône in 1961.

Maarten Meijsen

Maarten Meijsen (1985) is geboren, opgegroeid en woonachtig in de omgeving van Rotterdam. Voor het eerst bevangen door het wielervirus op vakantie in Denemarken tijdens de Tour van 1996, die gewonnen werd door Bjarne Riis. Sindsdien nooit meer genezen. Hij volgt praktisch alle koersen die op TV of internet te vinden zijn. Toch houdt de Tour altijd een speciaal plekje in zijn hart en daarom is hij een aantal jaren geleden begonnen met het schrijven van een dagelijkse column tijdens de Ronde van Frankrijk. Eerst alleen in de WhatsApp-groep van wielerminnende vrienden, maar langzamerhand voor een steeds groter publiek.