O, Franco, sta mij bij!

By |woensdag 8 april 2015|

Francesco Moser ZWIk heb een rare tic, ik zeg het maar meteen. Waar die tic vandaan komt, wat de diepere oorzaak is van die tic, is een raadsel. Ik heb in elk geval nog niet zo diep durven graven in mijn eigen hoofd.

Dit is de tic: elk jaar hoop ik dat een Italiaan Parijs-Roubaix wint. Zo, ik heb het gezegd. Zonder enige schaamte.

Het is allemaal de schuld van Roger de Vlaeminck. Dat zit zo: in de jaren zeventig was ik een grote fan van Roger de Vlaeminck. Hij had niet alleen geweldige bakkebaarden, hij was ook de Koning van Parijs-Roubaix. Hij won hem vier keer, en stond maar liefst negen keer op het podium (nog vier keer tweede, en één keer derde). Veertien keer stond hij aan de start, dertien keer reed hij top-10. Held dus. Toen hij hem voor de eerste keer won, was ik elf. Ik was meteen dubbel verkocht: fan van De Vlaeminck, fan van Parijs-Roubaix.

En toen kwam Francesco Moser. Die verwees zowel in 1978 als 1979 De Vlaeminck naar de tweede plaats in Roubaix. Ook in 1980 won hij. Het was het enige jaar dat De Vlaeminck op moest geven.

Francesco Moser reed in de regenboogtrui toen hij voor de eerste keer Parijs-Roubaix won. Die had hij op enigszins dubieuze wijze veroverd, in een rare sprint met Didi Thurau. Vage beelden uit Venezuela. Maar nu, een half jaar later, klopte het wel.

Was ik teleurgesteld? Gefrustreerd? Boos? Nee, natuurlijk niet. Ik was inmiddels 17 en op die leeftijd ben je als jongen ontvankelijk voor alles wat nog geweldiger is dan wat je daarvoor al geweldig vond. Het waren de tijden van de punk, van de ruwe aflossing van de wacht (al begon ik toen naar Frank Zappa te luisteren). Wie de Koning versloeg moest wel van buitengewone klasse zijn. Francesco Moser werd dus een van mijn nieuwe helden, naast Kuiper en Hinault natuurlijk. Een Italiaan die Parijs-Roubaix wint, nee, die in Parijs-Roubaix héérst, ik vond dat van een buitenaardse schoonheid.

En nu wordt het enigszins treurig, zielig misschien, want wat ik toen vond, vind ik nu, 36 jaar later, nog steeds. Ik luister nog steeds naar Zappa en een Italiaan die Parijs-Roubaix wint is één van de mooiste dingen die het wielrennen kan bieden.

Helaas is dat inmiddels al enige tijd geleden. Na Moser was het jarenlang angstig stil. Toen kwamen er in de tweede helft van de jaren negentig een stel nieuwe Italiaanse kasseienvreters tegelijk: Fabio Baldato, Gianluca Bortolami en natuurlijk Andrea Tafi en Franco Ballerini (held!). Mooie mannen, stampend over de Noord-Franse kasseien. De tijden van Francesco Moser leken weer een beetje teruggekeerd. Ik zat weer met bonzend hart voor de buis.

Maar sindsdien is het stil. Andrea Tafi was in 1999 de laatste Italiaanse winnaar in Roubaix. Dario Pieri verdwaalde in 2003 op het podium, Alessandro Ballan, inmiddels geschorst wegens een dopingdingetje, werd drie keer derde. Filippo Pozzato dan, de laatst overgebleven Italiaanse kasseienmusketier, hoop in bange Italiaanse dagen. Zou die het, na zijn tweede plaats in 2009, nog kunnen? Nee, natuurlijk niet. Ziek, zwak, misselijk.

Gaat het ooit nog gebeuren? Ga ik het ooit nog beleven? Vast wel. Hoop doet immers leven.

Ieder zijn tic. O, Franco, sta mij bij!

Frank van Dam

Frank van Dam

Frank van Dam (1960) fietst af en toe, en blogt daar dan weer over. Leidt dus een zinloos bestaan. Kan niet klimmen, kan niet dalen. Hopeloos geval. Is liever lui dan moe. Wetenschapper. Publiceert dus veel, maar wordt nauwelijks gelezen. Heeft daar vrede mee. Heeft een voorliefde voor Italiaanse renners die koersen in België winnen. Vindt Luik-Bastenaken-Luik het mooist.


Favoriete boeken:


Frank van Dam

Related Post

Geef een reactie