Eric LemanHij is klein, heel klein. Tenger, afgetraind. Het lichtbruine kostuum is keurig. Wat aan de ruime kant misschien, maar kreukloos. Zijn kale hoofd glimt netjes, evenals als het gouden speldje op de revers. Hier zit een trotse man, een heer op leeftijd, een heer van stand. Ernstige gelaatsuitdrukking, knikje naar z’n vrouw. Hij is er klaar voor.

Gewichtige zaken op de agenda, deze avond.

Het is ontroerend en indrukwekkend tegelijk om Eric Leman, drievoudig winnaar van De Ronde, van zo dichtbij te bewonderen. De 65-jarige oud-kampioen is de hoofdgast op de eerste van drie VCK-wieleravonden in Nijmegen. Voor een publiek van zo’n honderd pure liefhebbers moet hij vanavond datgene doen waar hij vroeger een broertje dood aan had: praten. De West-Vlaming is een man van daden, geen woorden.

Woorden waaien weg, tussen Roeselare en Torhout.

Maar toch: stil valt het niet, op de sfeervolle zolder van het Vlaams Arsenaal. Dat ligt natuurlijk aan presentator Jeroen Wielaert, die nooit om volzinnen verlegen zit. Maar het ligt óók aan Eric Leman. Eerst aarzelend, zacht, bedeesd, maar later steeds zelfbewuster klapt hij over de koers. Over de Ronde, en zijn drie overwinningen in ‘70, ‘72 en ‘73. Over d’n Eddy, maar ook over Roger de Vlaeminck, Freddy Maertens en Walter Godefroot. Kleppers die hij allen meer dan eens versloeg, daar in het winderige slijk, tussen Brugge en Gent.

In een sprint vanzelfsprekend. ‘Ik kon versnellen en nog eens versnellen. Gelijk Cavendish.’

Applaus. Besef: hier zit een grote in ons midden.

Hij verhaalt verder, microfoon steeds losser in de hand. Over De Muur, het nieuwe parkoers van de Ronde, over ‘Wouter de Geldkabouter’ (Vandenhaute, sp) en nog maar weer eens over zijn zeges. Behaald met stalen spieren én sluwe streken. ‘Ge moet uw koppie erbij houden, he, in de koers.’

En lef tonen.

Zo gooide Leman in de spurt de deur dicht voor Maertens. ‘Aan de andere zijde van mij had Freddy nog voldoende weg over.’ De kleine bescheiden man groeit. En groeit. ‘Milaan-San Remo was mijn koers hè! Ik had de pech dat er steeds een of twee vooruit waren. Vijf keer zat ik bij de eerste vier.’ Zijn echtgenote, op rij één, glimt. Apetrots. Verliefd staart ze naar een levensgrote foto van haar man. Gebronsde huid, spieren als staalkabels, zelfbewuste blik in de ogen. Een fiere winnaar. Maar ook een man die de day after in z’n eigen beenhouwerij gewoon achter de toonbank stond. ‘Plakskes Merckx en Godefroot snijden’.

Het einde van de avond. Eric Leman meet nog steeds hooguit 165 cm. Maar figuurlijk staat er een ander mens. Weg is de schuchtere slagerszoon, de man die altijd in de schaduw stond van (verbale) fietskanonnen als Merckx, De Vlaeminck en Godefroot. In plaats daarvan zien we een trotse renner, een groot kampioen die weet wat hij waard is. Die het publiek bespeelt.

‘Eric, jij en De Vlaeminck, dat ging niet zo goed samen, wel?’ ‘We kunnen prima met elkaar overweg. Tegenwoordig.’

Gelach.

‘Wat heb je allemaal gewonnen Eric, behalve de Ronde?’

‘Ik zal snel praten, want we hebben slechts tot kwart voor elf’.

Dan komt het mooiste moment van de avond. Jeroen Wielaert ondervraagt de tweede gast, journalist Joop Holthausen, over de andere Joop. Zoetemelk dus. ‘Joop was voor de Vlamingen een wieltjeszuiger, niet?’ Leman veert op, grijpt de microfoon en zegt: ‘Laat ik eerlijk zijn: ik was graag zo’n wieltjesplakker geweest. Maar ik kon niet bij Merckx in het wiel blijven, bergop en drie weken achtereen. Niemand kon dat, alleen Joop. Joop was een grote.’

Eric Leman ook. Kleine man, groot gebaar.

Sander Peters

Als Sander Peters (1974) geen teksten schrijft, zit 'ie op de fiets. De racefiets dus. Een Trek, lekker degelijk. Want klussen aan z’n fiets, daar houdt ‘ie niet zo van. Ook niet zo’n fan van clichés en pseudo-intellectueel geneuzel over de koers (Hoogmis, Koers Van De Vallende Bladeren, Hel Van Het Noorden, Il Lombardia, etc.). Dol op macaroni-met-smac-en-kaas en de Vuelta.