Het landschap vormt het decor van wielerkoersen. Of wielrenners oog hebben voor dat landschap, zal per renner verschillen. Wat wel zeker is: ze hebben last van het landschap of maken er gebruik van. Ze hebben de klim en de afdaling verkend, ze weten waar ze moeten opletten, waar ze van voren moeten zitten, waar het zwaar wordt, waar ze even op adem kunnen komen en waar ze kunnen demarreren.

Het landschap is decor, vriend en vijand. Het biedt afleiding, afwisseling, verveling, trainingsmogelijkheden en hoogtestages. Het landschap is ook getuige en schuldige. Winst en verlies, vallen en opstaan, de gladiolen en de dood.

In deze nieuwe serie ga ik, op de fiets, op zoek naar deze ‘schuldige’ koerslandschappen. Ik begin in de Dolomieten, ik begin bij Eddy Merckx.

Koerslandschappen 1: Tre Cime di Lavaredo

Eddy Merckx was de allergrootste en zal dat wel altijd blijven. Hij had al twee keer Milaan-San Remo gewonnen toen hij in de regenboogtrui in het voorjaar van 1968 eerst Parijs-Roubaix en daarna de Ronde van Italië won. Hij was toen pas 22 jaar.

1 juni 1968. Het is koud, heel koud. Het is nat, heel nat. Regen gaat over in natte sneeuw. De weg gaat omhoog, steil omhoog. Tre Cime di Lavaredo. Merckx versnelt, Gimondi kan hem niet volgen. Samen met zijn ploeggenoot Adorni gaat hij op jacht naar de koplopers. Hun voorsprong slinkt, verdwijnt. Dan rijdt Merckx alleen. Het waait, het sneeuwt, het hagelt, het is onder nul. Korte mouwen, korte broek. Hij heeft wel lange handschoenen aangetrokken. Als hij boven de streep passeert, lijkt hij verdoofd. Verzorgers werpen wollen dekens over hem heen. De anderen rijden, lijden op grote achterstand. Eddy Merckx wint de Giro en is definitief de grootste van allemaal.

In elke souvenirwinkel in de Dolomieten vind je ansichtkaarten van de Tre Cime di Lavaredo: drie markante Dolomietenpunten die boven het omringende woeste landschap uittorenen. De Dolomieten der Dolomieten. De klim naar het uitzichtpunt staat ook bekend als Rifugio Auronzo, genoemd naar de berghut die aan het eind van de weg op 2320 meter hoogte is gelegen.

Vanaf Dobbiaco (Toblach) (1205 m) fietsen we zuidwaarts over de S51 naar de afslag bij Scluderbach. De weg gaat langzaam omhoog. Na 14 kilometer moeten we linksaf. De weg wordt steiler, maar met 4 tot 7% is het nog goed te doen. Althans, als de benen goed waren. Maar dat zijn ze niet vandaag. De anderen verdwijnen uit het zicht en ik ploeter naar boven, bang voor wat nog gaat komen.

Na zes kilometer opnieuw linksaf. De weg gaat vervolgens steil omhoog, tot 16%. Dat zijn geen grappen. Dat duurt een kilometer. Dan vlakt de weg af en rijd ik langs een mooi meertje, het Lago d’Antorno. Even bijkomen. Zelfs een korte afdaling. Dan langs een tolhuisje. Fietsers mogen gratis verder.

Dan is het uit met de pret want de weg gaat steil omhoog. 12%, 13%. Ver boven me zie ik de Rifugio Auronzo al liggen. Shit, moet ik daar naar toe? De ellende zal ruim vier kilometer duren. In die ruim vier kilometer moet een hoogteverschil van 550 meter worden overbrugd. Mijn fietscomputer blijft vrijwel continu 13% aangeven. Alleen in de haarspeldbochten loopt het soms even terug. Zitten, staan, zitten, staan. Ellende, pijn, harken, ploeteren.

De permanente 13% wordt slechts een paar keer onderbroken door een paar korte stukjes van maar 10-11%. Nooit gedacht dat ik zo blij zou zijn met even 10-11%. Het is werkelijk verschrikkelijk, mijn benen zijn helemaal leeg en een paar keer moet ik stoppen om wat te drinken, mijn rug te strekken en even bij te komen.

Ik haal een man op een mountainbike in. Die gaat nog langzamer dan ik. Hij maalt het kleinste verzetje dat ik ooit heb gezien. Hij puft, hij zweet, hij lijdt. Ik ook. Even later word ik door twee andere fietsers ingehaald. Kleine, lichte mannetjes, Italianen, uiteraard met geschoren benen en blinkende fietsen. Maar heel veel harder dan ik gaan ze niet. Dat geeft toch enige moed.

Als mijn hoogtemeter de altijd weer psychologische grens van de 2000 meter passeert, weet ik dat ik het ga halen. En als ik honderdvijftig meter hoger ben, zie ik de anderen al op de top staan. Ze roepen en moedigen me aan. Dat doet me goed. Ik verbijt de pijn in mijn rug en worstel verder naar boven. Het is inmiddels fris geworden en het waait.

Ik passeer de Rifugio en rijd door naar het hoogste punt van de weg. Die eindigt op een sneue parkeerplaats. Handen worden geschud, high fives. “Goed gedaan!” Ik ben boven. Hoe ik daar ben gekomen, geen idee, maar ik ben er. Hijgen, hoesten, bloedsmaak, drinken. Het is koud en ik trek mijn windstopper aan. Eindelijk tijd om te genieten van het schitterende uitzicht en het woeste Dolomietenlandschap.

 

(Tre Cime di Lavaredo was tot nu toe zeven keer aankomst van een Giro-etappe. Prooi voor de klimmers: Gimondi (1967), Merckx (1968), Fuente (1974), Breu (1981), Herrera (1989), Riccò (2007), Nibali (2013). Ook in 2013 waren de omstandigheden bar en boos. Nibali won daar, net als Merckx in 1968, de Giro)

 

Frank van Dam

Frank van Dam (1960) fietst af en toe, en blogt daar dan weer over. Leidt dus een zinloos bestaan. Kan niet klimmen, kan niet dalen. Hopeloos geval. Is liever lui dan moe. Wetenschapper. Publiceert dus veel, maar wordt nauwelijks gelezen. Heeft daar vrede mee. Heeft een voorliefde voor Italiaanse renners die koersen in België winnen. Vindt de Giro d'Italia het mooist.


Favoriete boeken:


Frank van Dam

Latest posts by Frank van Dam (see all)