Het landschap vormt het decor van wielerkoersen. Of wielrenners oog hebben voor dat landschap, zal per renner verschillen. Wat wel zeker is: ze hebben last van het landschap of maken er gebruik van. Ze hebben de klim en de afdaling verkend, ze weten waar ze moeten opletten, waar ze van voren moeten zitten, waar het zwaar wordt, waar ze even op adem kunnen komen en waar ze kunnen demarreren. Soms weten ze niks en laten ze zich verrassen.

Het landschap is decor, vriend en vijand. Het biedt afleiding, afwisseling, verveling, trainingsmogelijkheden en hoogtestages.

Het landschap is ook getuige en schuldige. Winst en verlies, vallen en opstaan, de gladiolen en de dood.

In deze serie ga ik, op de fiets, op zoek naar deze ‘schuldige’ koerslandschappen. Dit is de tweede aflevering.

Koerslandschappen 2: Passo Rombo / Timmelsjoch

Hoe hoger, hoe kouder. Het is een simpele ijzeren wet die alle wielrenners aan den lijve ondervinden. In de Giro d’Italia van 1988 zochten vele renners in de barre sneeuwetappe over de Gavia (2621m) huilend en schuddend van de kou naar beschutting en warmte in de volgersauto’s. Franco Chioccioli verloor het roze aan Andrew Hampsten, en Erik Breukink, enfin, het verhaal is bekend.

Twee dagen later (7 juni) voert de 16e etappe van Merano naar Innsbruck over de Passo Rombo (2509m) en ook in die etappe zal het naar verwachting sneeuwen. Renners protesteren maar er wordt door de onvermurwbare koersorganisatie niet voor het kortere alternatief, over de 500 meter lagere Passo Giovo, gekozen. De vorige dag was de etappe ook al ingekort door de wegens sneeuw onbegaanbare Stelvio uit het routeboek te schrappen, en we blijven niet bezig.

De Passo Rombo is een curieuze beklimming. Aangezien Merano op nog geen 300 meter hoogte ligt, moet een hoogteverschil van meer dan 2200 meter worden overwonnen. In wielerkoersen is dat ongebruikelijk.

De top van de pas ligt op 50 kilometer van startplaats Merano, en het gaat meteen omhoog, eerst rustig, maar vanaf San Leonardo begint de klim echt. De renners zoeken beschutting in het peloton, maar als het echte klimmen begint, wordt er aangevallen, zij het met weinig enthousiasme. Vluchters, groepjes, bussen. Het is koud, en hoe hoger men komt, hoe kouder, natter en witter het wordt. Regen gaat over in sneeuw en de renners hebben er na de ontberingen van de laatste dagen weinig zin in. Ze hangen als vermoeide boksers in de touwen, de handschoenen als bescherming voor het gezicht. Het is deerniswekkend. Daniel Gisiger, Zwitsers tijdrijder en zesdaagserenner, van de Cyndarella-Isotonic-ploeg, komt als eerste boven in de witte wereld. Niet ver daarachter een groepje met de voornaamste klassementsrenners, waaronder het eerder genoemde trio, maar ook Pedro Delgado en onze eigen Peter Winnen.

De afdaling is ijskoud en link. Waar in de afdaling aan de Oostenrijkse zijde van de Passo Rombo op de lange rechte en overzichtelijke stukken en onder normale omstandigheden snelheden van tegen de 100 km/u kunnen worden gehaald, wordt nu behoedzaam gedaald.

Het zijn schermutselingen van niks die dag, Franco Vona wint de etappe, het klassement blijft intact.

*****

Het is 26 juni 2017, het is zonnig en zelfs in de vroege ochtend al warm. We gaan vandaag de Passo Rombo op. Nou noem ik dat ding wel steeds Passo Rombo, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat die hier in het overwegend Duitstalige deel van Italië (Süd-Tirol, Alto Adige) gewoon Timmelsjoch wordt genoemd. De Timmelsjoch is met zijn 2509 meter de hoogste pas op de grens van Italië en Oostenrijk.

De eerste 20 kilometer van Merano tot Sankt Leonhard stijgt de weg rustig naar 700 meter hoogte. Beetje de benen warm fietsen… Dan splitst de weg. Rechts gaat het naar de Passo Giovo (Jaufenpass), maar wij gaan rechtdoor. Het is inmiddels heet, ruim boven de 30 graden. Ik zweet nu al als een otter. De weg wordt weliswaar omzoomd door bomen en bossen, maar de zon staat dusdanig hoog dat ze nauwelijks schaduw geven. Bovendien is het irritant druk op de weg, met auto’s en motoren.

Dan van de andere kant opeens politieauto’s met sirenes. Motoren ook. En wielrenners die naar beneden komen stuiven. Wat zullen we nou krijgen? Een wedstrijd? Het blijkt een meerdaagse cyclo te zijn.

De wielrenners blijven maar komen. Het verkeer wordt zelfs even volledig stilgelegd. Maar wij fietsen door, langs de lange rij auto’s en motoren die staan te wachten. Het is gevaarlijk, maar ik fiets door. Geen ritme kwijtraken, geen onnodige achterstand op de anderen oplopen. Wel besef ik: al die auto’s en motoren komen zo meteen weer langs, met hun herrie en uitlaatgassen.

De klim is onregelmatig. Enkele kilometers lang gaat het met 8-10% omhoog. Dit is het echte werk en ik moet zoeken naar het juiste verzet en het juiste ritme. Dat valt niet mee. Ik kijk naar beneden, naar mijn nieuwe cassette. Is dat grootste tandwiel werkelijk een 30? Het voelt als een 28. Heeft mijn racefietsspecialist zich vergist, of zijn mijn benen niet goed genoeg? Kruipend, zuchtend en zwetend rij ik verder omhoog totdat de stijgingspercentages weer wat aangenamer worden. Mijn vrienden zijn dan al lang uit mijn gezichtsveld verdwenen.

Hitte, dorst. Op 1700 meter hoogte stop ik even bij een bar om mijn inmiddels lege bidons met water te vullen. Ik eet een halve banaan en fiets weer verder. Eerst nog rustig maar dan gaat het opnieuw kilometers lang met 8% of meer omhoog. Ik passeer de boomgrens, altijd weer een magisch moment. De weg ligt nu in grote slingers tegen de kale bergwand gevouwen. De haarspeldbochten geven ontspanning en afleiding, het uitzicht is fenomenaal, de temperatuur wordt steeds aangenamer. Het inzicht is evenwel minder positief: het is zwaar en ik lijd in eenzaamheid. Enkele van mijn vrienden zijn al weer één voor één naar beneden komen suizen. Ik speur vooral naar boven, naar wat het eind van de haarspeldenreeks lijkt. Daar gaat de weg linksaf, een lange tunnel in. Ik doe mijn speciaal hiervoor aangeschafte lampjes aan en weet: het leed is geleden. De laatste kilometers gaat het rustig omhoog naar de top. Ik rijd even Oostenrijk in, stop om een paar foto’s te maken, besluit mijn armstukken en windstopper aan te trekken, vul mijn bidons bij de verzorgingspost van de cyclo, stop mijn laatste stuk banaan in mijn mond en zet dan weer koers naar beneden.

De afdaling is eindeloos. Ben ik hier de afgelopen uren helemaal naar boven gefietst? Ontzag voor mezelf. Het is een overzichtelijke afdaling en gelukkig is het inmiddels rustig geworden op de weg. Het dalen gaat dusdanig goed – nou ja, voor mijn onbeholpen doen dan – dat ik een bus weet in te halen. Even later rijd ik in het kielzog van een vrachtwagen. Dat is onaangenaam, maar gelukkig stopt die even, zodat ik er langs kan. Zo zoef ik in ruim een half uur naar beneden. In Sankt Leonhard zitten de anderen op een terrasje in de brandende zon en met een grote grijns stap ik het terras op en bestel een grote koude cola. Die heb ik wel verdiend.

Naschrift 1: De Passo Rombo / Timmelsjoch werd alleen in 1988 in een Giro-etappe aangedaan. In het eindklassement van die ronde eindigt niet alleen Erik Breukink bovenin, maar ook Peter Winnen. Hij finisht als achtste.

Naschrift 2: In de bergen kan het spoken, zelfs in juni. Het kan heet zijn, het kan sneeuwen, en alles daar tussenin. Als we vier dagen later de Stelvio op willen, is dat niet mogelijk vanwege sneeuwbuien. Die blijft op de emmerlijst.

Naschrift 3: De Timmelsjoch is samen met de Jaufenpass opgenomen in de Ötztaler Radmarathon. 238 kilometer, 5500 hoogtemeters. Voor de liefhebber. Ik moet er niet aan denken.

 

Frank van Dam

Frank van Dam (1960) fietst af en toe, en blogt daar dan weer over. Leidt dus een zinloos bestaan. Kan niet klimmen, kan niet dalen. Hopeloos geval. Is liever lui dan moe. Wetenschapper. Publiceert dus veel, maar wordt nauwelijks gelezen. Heeft daar vrede mee. Heeft een voorliefde voor Italiaanse renners die koersen in België winnen. Vindt de Giro d'Italia het mooist.


Favoriete boeken:


Frank van Dam