Het was zaterdagmiddag en op de televisie liepen paarden met onnatuurlijke pas door een bak met zand.
‘Geen koers op tv?’ wilde ik weten en zonder het antwoord af te wachten, griste ik de afstandsbediening weg van de bank waarop ik even daarvoor bezweet van een rondje fietsen was neergeploft.
Ik zapte naar De Belg.
Er waren nog ruim 3 kilometer te gaan in de 4e etappe van de Tirreno Adriatico.
‘Ik vind die paarden zo leuk’ zei mijn zoontje teleurgesteld.
‘Dat snap ik lieve jongen, maar ze hoeven alleen nog maar even naar Vianen te fietsen’
Een relativerende vergelijking die ik wel vaker gebruik om een paar minuten koers af te dwingen.
Ondertussen hield ik de afstandsbediening als een schat tegen mijn borst geduwd.

Door het beeld reed een aantal renners. Waarschijnlijk de kopgroep. Juist toen ik ze wat beter wilde gaan bestuderen, muisde er een renner tussenuit. Op een handig moment, net voor een lastige bocht. Het was geen fraai decor waarin de renners hun kunsten vertoonden. Snelwegen, bedrijventerreinen, veel grauw en grijs.
Met nog minder dan 3 kilometer te gaan, leek de slag gevallen. De man alleen was gevlogen.
Zijn naam: Steven Cummings.
De commentator somde de overwinningen op die hij nu al achter zijn naam had staan.
‘Geen veelwinnaar, maar als hij wint, heeft het kwaliteit’
Daar was geen woord aan gelogen: wereldkampioen ploegenachtervolging op de baan, een etappezege in de Vuelta van 2013 en dan ook nog eens een Touretappe in 2015 in de trui van MTN Quebeka.
En dat er vandaag een mooie vis – de 4e etappe van de Tirreno-Adriatico 2016 – aan toegevoegd zou worden, was niet meer dan een kwestie van tijd.

En toch, ondanks al het voorgaande moest ik eerlijk bekennen dat de naam Steven Cummings mij niet zo heel veel zei. Natuurlijk, ik kende zijn naam, wist voor welke ploeg hij koerste, maar verder ging hij op in de grote brij van Engelstalige renners die vanaf de baan succesvol de weg hadden bestormd.

Het parcours veranderde, het leek alsof de renner het voorjaar binnenreed. Een mediterraan decor, dat deed verlangen naar de zomer, verguld door het zonlicht van een voorjaarsdag die op zijn einde liep. Een decor dat de renner met zijn fantastische stijl paste als een jas. De handen ontspannen op de remgrepen, de ellenbogen in een hoek van 90 graden en de kont bijna hoger dan de schouders waarop zonder probleem een dienblad vol mokken gloeiend hete thee kon worden vervoerd.
De renner als een plaatje, een kostbaar schilderij, een grandioos meesterwerk.
Als een warm mes door de boter sneed hij soeverein door de met oude huizen en palmbomen omzoomde straten van Foligno.

Ik werd opgewonden, onredelijk ook, en riep tegen het beeldscherm dat ze de achtervolgende groep niet langer in beeld moesten brengen.
Ik moest Steven Cummings zien!
Elke meter die nog voor zijn wielen lag, wilde ik opslurpen. Net zolang tot er helemaal niets meer was. Wat deze man hier liet zien, oversteeg de sport.
Steven Cummings werd een kunstwerk.
Een man en zijn fiets versmolten tot een perfecte machine.
Lange, slanke benen, een geweldige combinatie van souplesse en macht.
Ik werd fan van de man in wie ik mij tot dan toe nooit had verdiept.

In de verte hoorde ik mijn zoon. Het ging over de paarden.
‘Hij moet alleen nog maar naar jouw school te fietsen! Echt nog heel even maar!’
Ik hoorde een vleugje wanhoop in mijn stem en klemde de afstandsbediening nog steviger tegen mijn borst.

De renner passeerde de streep en ik riep tegen niemand in het bijzonder:
‘Wat een klasbak, wat een coureur, wat een geweldige overwinning!’
De renner was in Vianen en op school; ik zapte terug naar de paarden die inmiddels waren verdwenen.
Mijn zoon vroeg:
‘Papa, waarom fiets jij eigenlijk nooit op tv?’

Opeens merkte ik dat ik stonk.

Joost-Jan Kool