Zoals sommigen van jullie weten, ben ik geen liefhebber van het Italiaanse wielrennen. Ik weet: het is kortzichtig en generaliserend, ja, misschien zelfs demoniserend, maar ik kan er niets aan doen.

Het is mij met de lepel di bambini ingegoten.

Terug naar mijn jeugd. Terug naar een van die frisse lenteachtige zaterdagen, ergens in de jaren ’80. Milaan-San Remo. Perdone, La Primavera.

Rond de klok van half drie komen de eerste beelden door. Het geluid klinkt krakerig, de beelden stagneren nogal eens, en het karakteristieke helikopterschroefgeklapper overstemt het blikkerige commentaar.

Dan begint het.

Het gemopper, van mijn vader. ‘Eens kijken hoeveel koers we vandaag te zien krijgen. Of zou het weer zo’n opgepoetst reclamespotje van de plaatselijke VVV zijn? Zo zijn ze hoor, die italianen. Veel buitenkant, weinig inhoud. Mooie beelden, van de zee, de wijnranken, de pittoreske stadjes met hun sierlijke kerkjes, maar renners in beeld? Ho maar. Zul je net zien: missen ze straks de beslissende ontsnapping. Als die er al komt, want die molshoopjes komt de godganse meute probleemloos over. Saaaaaaie koers.’

Mijn vader valt in slaap. Zijn hoofd, diepe geërgerde frons tussen de wenkbrauwen, rust op de krant. De Volkskrant natuurlijk.

Ik zwijg. Wat kan mij het schelen dat het een saaie koers is. Het is lente; het seizoen is begonnen!

Festa!

Mijn oudste zus komt thuis en gaat naast me zitten. ‘Oh nee, broertje, vertel alsjeblieft dat het niet waar is.’ Ze rolt met haar ogen. ‘Is het weer zo laat? Krijgen we nu weer het hele jaar dat stomme wielrennen op televisie? Is er iets stompzinniger dan dat? Uren en uren kijken naar een stelletje hard fietsende mannen in lelijke pakjes?!’

Het is even stil. De camera zoomt secondenlang – voor mij lijkt het minutenlang – in op wonderboy Roberto Visentini. Ik kijk naar mijn zus en weet wat er gaat gebeuren. Haar ogen worden groot, ze buigt zich voorover. ‘Heeeee, broertje, dat had je niet gezegd?! Hmmm. Da’s een lekkertje.’ Ik hoor mijn zus zachtjes grinniken. ‘Kijk nou, wat een lekker kontje. Toch wel leuk, dat fietsen. Met die sexy Italianen.’

En verdomd als het niet waar is: ze blijft de hele middag zitten. Met bijbehorend commentaar.

Koers kijken met je zus. Je gaat er niet dood van, maar veel erger kan ook niet.

Aan alles komt een eind, zelfs aan Milaan-San Remo. Diep in de finale, als de Poggio al bijna achter de rug is en Jean Nelissen allang en breed dronken, wordt mijn vader wakker. Hij gaat door waar hij gebleven was. Met mopperen. Het zijn toch potverdorie 285 onnodige kilometers geweest, dat die luie italianen die olijfolie niet van de weg halen, waarom mogen die motoren daar zo gevaarlijk dichtbij komen, trouwens wat schreeuwt die speaker aan de finish toch weer hysterisch hard, en nou, nou, spannend hoor, we gaan weer sprinten.

Ik durf niet te zeggen dat ik het echt spannend vind. 200 renners die weliswaar een paar honderd kilometer hebben afgelegd, maar zonder noemenswaardige hindernissen. En die dus nog tamelijk fris en masse de Poggio opvliegen en daarna de afdaling induiken.

Het is ieder jaar weer een ijzingwekkende apotheose.

Als de winnaar bekend is, en wij allang naar de Belg hebben overgeschakeld (want die zendt de huldiging wel uit), ploft mijn moeder op de bank. Hoofdschuddend bekijkt ze de taferelen op het podium. De zweterige, dikke notabelen die renners op de schouders slaan, de driftige fotografen die elkaar schaamteloos verdringen voor het beste plaatje en – vooral – de hooggehakte, kortgerokte dames die de winnaar mogen zoenen. ‘Jij zit zeker weer verlekkerd te kijken?’, snibt mijn moeder. Betrapt kijk ik op, maar ze heeft het gelukkig tegen mijn vader.

Die geeft geen krimp. Jarenlange ervaring.

‘Je vader valt op opgetuigde kerstbomen’, zegt ze vinnig. Nu heeft ze het wel tegen mij.

Ik durf niet te zeggen dat ik ook heel erg op Italiaanse kerstbomen val. Dat ik mijn vader heel goed snap. Het zijn toch ook prachtige vrouwen?! Mijn vader geeft me een knipoog. Wij begrijpen elkaar.

Male bonding avant la lettre.

Nu, een jaar of 30 later, is dat – van die vrouwen – niet veranderd. Maar de liefde voor Milaan-San Remo, en eigenlijk voor alle Italiaanse koersen, is wel vakkundig de nek omgedraaid. Doodzonde. Want het heeft natuurlijk best wel iets. Al die gelikte beelden van middeleeuwse dorpjes aan de azuurblauwe zee, de 290 kilometer kouwe drukte, de razende vlucht bergop , de bloedstollende afdaling, de machtige sprint.

En een stel lekkere kerstbomen als toetje.

Ik ga zaterdag een nieuwe poging doen. Zonder mijn vader, moeder en zus om mij heen. En misschien werkt dit stukje als traumatherapie. Ik hoop het. Echt.

Stel je voor: straks ga ik nog genieten van de Giro….

Forza Tom!

Sander Peters

Als Sander Peters (1974) geen teksten schrijft, zit 'ie op de fiets. De racefiets dus. Een Trek, lekker degelijk. Want klussen aan z’n fiets, daar houdt ‘ie niet zo van. Ook niet zo’n fan van clichés en pseudo-intellectueel geneuzel over de koers (Hoogmis, Koers Van De Vallende Bladeren, Hel Van Het Noorden, Il Lombardia, etc.). Dol op macaroni-met-smac-en-kaas en de Vuelta.