Over een paar weken alweer wordt Gent-Wevelgem verreden. Dat heet een waaierkoers te zijn. De editie van 2015 staat gegrift in het collectieve geheugen van de wielerliefhebber, met als iconisch hoogtepunt het moment dat Geraint Thomas uit het decor in de sloot kukelde. Mag in de canon van de legendarische koersen.

Vaak is er (ook door mij) gemijmerd en gezwijmeld over het belang van bergen en niet-asfalt als factoren die de spankracht van de koers bepalen. Aan dat rijtje mag beslist de factor ‘wind’ toegevoegd worden. (Fietsen met sneeuw zoals in LBL ’80 of de Gavia-expeditie uit ’88 lijkt verleden tijd, dank alle weerradars.)

Verschil is natuurlijk wel dat je bergen en kasseien en/of grindwegen kunt programmeren. Voor wind ben je overgeleverd aan de grillen van de elementen. Of je moet windkanonnen langs de weg opstellen, of Chinese weer-ingenieurs inhuren.

Onlangs was er de tweede rit in Parijs-Nice, weer zo’n ‘puntje-van-de-stoel-etappe’. De helikopter straalde op gegeven moment een beeld door van het ‘tableau-de-course’. Meerdere waaiers achter elkaar op een lange uitgestrekte weg, een slagveld. Een schoolvoorbeeld van hoe een wreed iets als harde wind een koers in schoonheid vooruit kan blazen.

Ook hier zagen we de waaiers in serie gevormd op een lijnrechte weg. Het ziet er van bovenaf uit als een rijtje voortsnellende plankdragers van de Gamma. In elke waaier voorop nagenoeg horizontaal de bevoorrechte waaierrijders zelf, daar haaks onder hangend de desperaat knokkende renners achter elkaar op het kantje. En dan weer een eindje verder naar achter waaier nummer 2, in dezelfde constructie dan weer nummer 3, etc.

Spektakel waarin er op het scherpst van de snede gekoerst wordt. Waarin mannen van jongens onderscheiden worden. Waarin heerlijke uitdrukkingen als ‘gras maaien’, ‘de mongolenwaaier’ en ‘halve baan’ weer te kust en te keur gebezigd mogen worden.

Bij Extra Time Koers de woensdag nadien zaten de aanwezigen nog likkebaardend na te genieten. Bram Tankink mocht met behulp van tin-soldier-fietsertjes nog eens uitleggen hoe zo’n waaier nou werkt. Het duizelde mij. De uitleg van Jan-Willem van Schip over hoe zijn stuur geconstrueerd diende te worden, vergezeld van cosinussen en sinussen op een boodschappenbriefje gefrutseld, was daarbij vergeleken piece of cake.

Wat mij meest frappeert, telkenmale ik iets hoor of lees over het ontstaan van waaiers, is dat de wind vanachter dient te komen. Met mijn boerenverstand kan ik dat niet vatten. Voor de wind kan iedereen toch hard rijden? (Oudhollandsche boerenwijsheid)

In mijn recreant-jaren werd ik enkel geconfronteerd (lees: ik zat er midden in) met het fenomeen waaier bij tegenwind. Dat vond ik al enerverend genoeg. De weg werd gemonopoliseerd, tegenliggers werden genegeerd, met ware doodsverachting reden we blinde bochten tegemoet. Een diepe zit was noodzakelijk, voor optimaal aerodynamisch voordeel. Ja, ik voelde me dan wel even ‘een echte coureur’. Maar was dit wel echt koersen? Een profrenner doet tegen de wind niet zo moeilijk, klaarblijkelijk. Wind mee schuin vanachter, dat is ‘om het echie’.

Ik ben me er nog eens in gaan verdiepen, wat koekelen levert wel wat op. Zo stuitte ik op een interessante thread op het forum van Fiets.nl.

Je kunt dus onderscheid maken tussen toer-waaiers en wedstrijd-waaiers. Aha, dat kalmeert de turbulenties in het hoofd al weer een beetje.

Toer-waaiers treden op bij tegenwind, en worden gevormd door toerrijders. Ze zijn bedoeld om elkaar te helpen, wat je logischerwijs mag verwachten als je met je maten een eindje gaat hardrijden.

Wedstrijd-waaiers treden op bij meewind, en worden gevormd door professionele coureurs. Ze zijn bedoeld om elkaar tegen te werken, wat je logischerwijs mag verwachten als je met elkaar wedijvert.

Oké, maar dan nog blijft de vraag prangen, waarom je nu juist met de wind schuin vanachter kunt profiteren door waaiers te formeren. Het is hetzelfde startpunt van de discussie op Fiets.nl.  Gelukkig, ik ben niet de enige die zich hier duchtig over het hoofd krabt.

Op een gegeven moment komt er een post van iemand met alias Mitchell14 met volgende redenering.

Vanwege de (hoge) snelheid van het peloton is het van belang rekening te houden met de ‘werkelijke wind’ (TWS = True Wind Speed). De oorspronkelijke windhoek (waaruit de wind waait als je stil staat), in formule TWA = True Wind Angle, verandert in een AWA = Apparent Wind Angle. En die laatste is relevant, je zou het kunnen vergelijken met de gevoelstemperatuur.

De AWA is te berekenen met volgende formule (BS = Bike Speed):

AWA = [180 – 90 – inversetan{ (sin(180 – TWA)*BS) / (TWS – (cos(180 – TWA) * BS))}] + [180 – 90 – (180 – TWA)]

Een goniometrisch vectorenspel, als beta-jongen zou dat gesneden koek moeten zijn, de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik me suf heb gepiekerd, en nog steeds begrijp ik het niet voor 100%. Moet Einstein met zijn relativiteitstheorie nog van stal gehaald worden? Voor de renners in koers maakt dat niet uit. Die fietsen niet op wetenschap maar op ervaringsdeskundigheid.

Als je de formule toepast voor een TWA met wind schuin achter blijkt de AWA bij een normale koerssnelheid (BS) al om te buigen naar ‘recht van opzij’. Ergo: de renners gaan een waaier vormen die loodrecht op de weg staat.

Het WK in de zandbak van Qatar vormde een mooie illustratie. In een batterij van waaiers werden er snelheden van boven de 70 km/u gehaald.

Was dat misschien het probleem van ons recreant-rijders, wij haalden nooit die BS van de profs.

De wind, een fantastisch fenomeen, niet grijpbaar wel voelbaar. Oer-hollands ook, zie het grote aantal zegswijzen waarin de wind voorkomt. Waarin de taal van het volk van zeevaarders die van wielrenners ontmoet.

Wind, als koersliefhebber kan ik er verliefd op worden, ik wil het doorgronden, hoe ontstaat het, waarom niet vaker, maar ik laat het maar aan de meteorologen over. Elk zijn vak.

Laat het waaien komende Gent-Wevelgem (of welke koers ook), Beaufortje of 5 á 6.

En dan de dag erna lekker uitwaaien, met een frisse wind.

Waaiers, in de zomer brengen ze verkoeling, in de koers brengen ze spektakel.

Marc Peeters

Marc Peeters (1958) schrijdt en schrijft bij leven en welzijn voort op twee wielen. Fietst bij voorkeur naar boven, in plaats van zich naar beneden te laten vallen. Zijn verhalen volgen de kronkelige lijnen van zijn tochten. Verheugt zich het meest op de Leffe Blond na afloop. Ziet liever meer fietspaden dan een Grand Départ. Mist in alle commotie en aandacht rondom het d-woord de methodologisch verantwoorde nuance.

Latest posts by Marc Peeters (see all)