Herman Chevrolet

Herman Chevrolet

Sinds 1 januari is Herman Chevrolet in volle eenzaamheid bezig met het schrijven van een nieuw boek. De eerste versie van het eerste hoofdstuk mogen wij plaatsen.

1 Vendiagram

De val was niet eens sierlijk.

Een doffe plof op de grond, nauwelijks hoorbaar. Het lichaam stuiterde niet: een metalen staaf die het hoofd in tweeën spleet belette elke beweging. Het leek wel aan de grond vastgelijmd, zo stil lag het. Versplinterd bot. Lichaamsdelen hadden een vreemde houding aangenomen. Los daarvan was alles nog netjes, geordend: het was niet zo dat er een bloederige brij te zien was, of ingewanden die uitpuilden. Alleen wat bloed, het sijpelde uit de oren; het druppelde op zijn wielershirt. Uit de mondhoeken kwam ook wat bloed, hij leek wel een vampier.

Dirk Verfaillie zou nooit meer pijn lijden.

Een deur ging open, de donkere ruimte van het café werd eventjes verlicht; het zonlicht wierp schaduwen op de vloer. Een man stapte het erf op. Flarden muziek zweefden van binnen naar buiten. Een zeventiger. Misschien jonger. Hoe dan ook, hij zag eruit als een zeventiger. Zijn vel hing los aan de armen; vanwege de levervlekken was hij niet kleurloos, hier en daar leek hij zelfs bruingebrand door de zon. Iets in zijn houding deed denken aan een afgepeigerd dier. In het zakje van zijn hemd, dat niet was dichtgeknoopt zat een kleine transistorradio – hij stak een hand in zijn borstzakje en zette de radio aan; trillend: hij had een kater. Vanuit zijn borst kwam nu het geluid van iemand die commentaar leverde op de gebeurtenissen in de Ronde van Frankrijk. Het was 10 juli, een zaterdag. 1976. Enkele dagen daarvoor was Lucien Van Impe zijn gele trui kwijtgespeeld aan een of andere stinkfransoos en nu verwachtte iedereen dat hij dat vandaag allemaal zou rechttrekken. De man keek naar het lichaam, gedurende een minuut bleef hij roerloos staan. Sprak geen woord, hij bleef intensief naar de wedstrijd luisteren. Haalde een verfrommeld pakje Mehari cigarillo’s, zonder filter, uit zijn broekzak, stak er eentje op. Toen de stem uit het borstzakje weer overging in muziek kwamen er dan eindelijk wat woorden uit hem, met tegenzin.

‘Zo, die is compleet dood.’

Hij blies de rook langzaam uit zijn neus, liet dan de cigarillo, slechts voor een kwart opgerookt, op de grond vallen en wreef met zijn rechterhand door de weinige haren die hij nog had.

‘Problemen, en die kunnen we op dit moment absoluut niet hebben.’

De stem uit de radio in zijn borstzakje begon weer opgewonden te spreken. In zijn ooghoeken zag hij wat beweging, het was nauwelijks merkbaar. De buurtjongens, vermoedde hij. De man draaide zich om en ging weer naar binnen; hij vroeg zich af of de rookgeur van zijn cigarillo kwam. Waarschijnlijk wel. Maar ergens had hij de indruk dat het dode lichaam ook naar rook stonk.

Dirk Verfaillie was zeer zeker nooit op het dak geklommen indien de rest van de buurtjongens daar niet hadden gezeten omdat er altijd wel een kans bestond dat een schuur in vlammen opging. Vanaf die hoogte zagen ze alles beter, bijkomend voordeel was dat ze naast elkaar moesten zitten. Ze konden elkaar niet in de ogen kijken waardoor de gesprekken tot het minimale werden teruggebracht. Dat beviel hen.

Het was zomer, een hittegolf verdorde het land: vanaf maart was er geen druppel regen gevallen, geen ene verdomde druppel. Men was gestopt de dagen te tellen waarbij de temperatuur boven de 35 kwam. Gevangenen stonden op de daken, het was te warm geworden in hun cellen die meer dan anders stonken naar uitwerpselen. Overal ontstonden vechtpartijen, opstoten en relletjes: bijna elke week werd er een fabriek bezet – de warmte had invloed op het gedrag van de burgers die vorig jaar nog lijdzaam hadden toegekeken hoe het land afgleed in een voor hen onbegrijpelijke crisis. In de kranten verschenen berichten dat mensen waren aangevallen door zwaluwen, gek geworden door de hitte. Elke ochtend werd overal de keukenradio aangezet en hoorde men de weervoorspeller zeggen dat hij alleen nog maar kon bidden voor afkoeling en noodzakelijke regen. De ventilatoren bliezen dode vliegen weg, uitgedroogd. Alles stierf, de zon was zo heet geworden dat lichamen veranderden in dode vellen.

Ondertussen stormde het op de Atlantische Oceaan, de ene orkaan volgde de andere op.

Iedereen en alles en die hele klotenatuur was compleet knettergek geworden.

Sinds enkele weken vloog er in de onmiddellijke omgeving nu en dan een schuur in de fik. De dader bleef spoorloos. Niemand die iets wist over het wie en waarom. Gekkigheid, dat moest het wel zijn.

De kans op dat spektakel wilden ze niet missen; in de hoop getuige te zijn van een beginnende brand tuurden ze de omgeving af vanaf het dak van café De Merel. Dat ze daarvan zouden worden weggejaagd was klein. Sinds de cafébaas een jaar terug door de politie was weggeroepen om hen bij een onderzoek naar een verdwenen meisje te helpen, en dat blijkbaar nog altijd deed, had zijn vrouw Betty het beheer van de zaak overgenomen en een paar knoopjes van haar blouse opengedaan; zelf omschreef ze dat als kleur brengen in het etablissement. Vanaf die dag mochten de mannen uit de vijf huizen in de onmiddellijke omgeving van het café de zaak niet meer binnen van hun vrouwen. Niet dat er een gebrek ontstond aan stamgasten, integendeel. Het werd er drukker dan ooit, vanaf de vroege middag zaten mannen aan de toog. De biljarttafel werd niet meer voor het oorspronkelijke doel gebruikt, dat kon men zien aan de slijtageplekken aan de rechterkant. Die waren er vroeger niet. Betty was er trots op dat nog geen man onvoldaan van die tafel was gekomen.

Rondom het café lagen wrakken van auto’s, afgedankte fietsen, wasmachines en koelkasten die het door de langdurige hitte hadden begeven en vervangen waren door modernere exemplaren, van Duitse makelij. Roestige auto’s en onderdelen van oude motorfietsen lagen in het hoge gras. Iedereen mocht zijn afgedankte rommel daar neergooien, het was een mysterie waarom. Het maakte het allemaal gemakkelijker om op het dak te klimmen.

Niemand hoorde hen omhoog klauteren, altijd stond in het café de jukebox keihard, maximum volume. Jimmy Frey zong scoorde dat jaar de ene hit na de andere, Don Mercedes zong Rocky en, heel toepasselijk, The Brotherhood of Men Save you kisses for me – het laatste nummer werd altijd luid meegezongen terwijl de aanwezige mannen probeerden in de ogen van Betty te kijken.

Elk nummer eindigde in diepe treurnis.

Vandaag niet: in het halfduistere café dat nauwelijks door de felle zon werd verlicht luisterde iedereen naar de radio, gelukkig stond die ook hard genoeg om hun geluiden te overstemmen. Niemand wilde ook maar een moment van de Ronde van Frankrijk missen. Het was die dag een belangrijke rit en in afwachting van de rechtstreekse uitzending op televisie bracht men de tijd door met het luisteren naar de radio: tourflitsen, met verse informatie over de ontwikkelingen.

Op het dak klimmen was kinderspel, maar alleen had niemand het aangedurfd; met zijn allen konden ze alles aan. Lafheid bestond dan niet. Het was allemaal eenvoudig, dan: niet nadenken, geen angst die bewegingen belemmerde. Eenmaal staand op een afgedankte koelkast konden ze de dakgoot vastpakken en daarin een been zwaaien. Vanaf dan was het simpel, ze trokken zich omhoog, kropen voorzichtig naar het hoogste punt van het dak. Daar keken ze kilometers ver over het vlakke landschap, alleen iets verderop was er een heuvel met op de top een afgedankte molen die het zicht belemmerde. Stiekem hoopten ze dat de pyromaan die ook in brand zou steken, maar zoveel geluk zouden ze wel niet kennen. Aan de hemel stond geen enkele wolk – als je de ogen dichtdeed brandden die nog uit het hoofd. Ze keken hoopvol naar alle schuren in de verte en wachtten tot er eentje in brand zou worden gestoken. Het was een dag met geluk: in de verte kroop een rookkolom recht omhoog naar de hemel.

Dan zagen ze Dirk. Hij reed hard op zijn racefiets. Toen hij hen boven op het dak zag zitten hief hij beide armen in de lucht en zwaaide naar hen. Blijkbaar had hij geen last van de hitte, konden zijn longen de dampen die van het asfalt sloegen verdragen.

Ze dachten dat ze hem hoorden schreeuwen.

Dirk Verfaillie voelde zich een hele vent, alleen daarom hadden de buurjongens een hekel aan hem. Hij erkende slechts drie soorten mensen. Zij die te stom waren om iets te bereiken, het zelfs niet eens probeerden: zette ze op een stoel, gaf ze te drinken en te vreten en ze waren meer dan tevreden. De tweede soort waren zij die altijd zouden blijven hangen waar ze geboren waren, die geen enkele ambitie kenden de wereld te verkennen of ook maar iets verder te kijken dan hun negorij – als de kerktoren eenmaal uit hun zicht verdween werden ze angstig. Dus namen ze elke dag de trein naar hun werk – twee uur heen, twee uur terug – en bestond hun leven uit slapen, opstaan, de trein in, werken, weer die trein in en eenmaal thuis in slaap vallen. Velen van die tweede categorie wilden eigenlijk als de eerste zijn, op zich hadden ze dus toch nog enige ambitie – maar ze waren te laf om die stap te zetten. En dan waren er die zoals hij dacht dat ze moesten zijn – hij kende er maar één -, zij die weg wilden uit de ellendige modderpoel waar ze toevallig geboren waren, die iets wilden en niet zomaar iets, wel de hoogste top van het leven. Iets. Al was het maar dat.

Verfaillie begreep die pyromaan wel.

Omdat hij dacht dat nu wel bewezen was dat intelligentie niet loonde moest hij wel iets anders vinden om aan dit alles te ontsnappen. Dirk had op de een of andere onbegrijpelijke manier een goed stel hersens en kon zonder problemen dokter of advocaat worden; hij frustreerde zijn ouders door een andere weg te kiezen. Hij besefte dat zijn enige kans iets van de wereld te zien lag in het worden van een superkampioen, op de fiets. Wielrenners waren Goden, hij zou een God worden. Daar kon een diploma van dokter of advocaat niet tegen op.

Niet dat het eenvoudig was.

In zijn slaapkamer had hij een boek liggen en daarin stond een hoofdstuk – Voor toekomstige renners – waarin beschreven werd aan welke voorwaarden men moest voldoen. Hij sloeg regelmatig het boek, de schrik sloeg hem telkens om het hart. Hij las het keer op keer, mompelde de woorden en bedacht hoe hij op zijn minst een paar punten aan zijn kant kon krijgen. Er stonden veel regels in waaraan hij niet voldeed en nooit aan zou voldoen. Het was beangstigend, de kans bestond dat hij helemaal niets zou bereiken. Hij moest slagersjongen, bakkersknecht of krantenjongen worden. Dat was uitgesloten, van zijn ouders mocht hij niet een van die taken vervullen, dat was beneden hun stand. Ze wilden geen slechte reputatie krijgen. Zijn ouders hadden ook geen kruidenierswinkel of iets waardoor ze arm konden zijn, dat er überhaupt arme mensen bestonden oversteeg trouwens hun denkvermogen. Het hielp ook indien één van hen vroegtijdig zou overlijden – daar kon hij iets mee, hoewel hij twijfelde wie van de twee het beste dood kon gaan. Vrijwillig sterven zouden ze niet doen, wellicht kon hij een van hen doodslaan? Nog een tip was altijd te luisteren naar een ex-coureur, hoe onzinnig zijn uitspraken konden zijn. Dat was een half probleem. In de onmiddellijke omgeving was er maar één te vinden bij wie hij om raad kon vragen. Jef Vermeire had ooit gekoerst, hij werd om redenen die iedereen begreep Jef Bidon genoemd. Hij was een van de smerigste mannen die vrij mochten rondlopen en woonde teruggetrokken in een vervallen boerderijtje, gelukkig aan het zicht onttrokken voor iedereen die er langskwam. De krottige woning was onbewoonbaar geworden en Jef Vermeire had zich dan maar teruggetrokken in een caravan die hij ter onderstutting tegen een van de invallende muren had gezet. Hij was veertig, zag er op zijn minst zeventig uit; zijn tanden rotten uit zijn bek, het vel hing los over zijn lichaam en de punten van zijn schoenen waren opengeknipt om zijn tenen ruimte te geven. Niemand had hem ooit nuchter gezien. Maar hij bezat ook een soort charme waardoor mensen konden denken dat klaploper zijn ook iets romantisch in zich had. Op zijn vijftiende was hij wielrenner worden; vele jaren later bleek dat hij al zijn prijzengeld omzette in flessen Filliers, te laat begreep hij dat zoiets niet loonde en kwam er een einde aan zijn loopbaan. Soms vond men hem totaal laveloos langs de kant van de weg en als iemand hem hielp stak hij wal. En hoe. Hij vertelde dan over, toen hij vijfentwintig, zesentwintig was, als coureur pijn had geleden en dat hij daar alleen maar overheen kon komen door nadat de eerste fles leeg was onmiddellijk aan een tweede te beginnen.

‘Iedereen heeft het zwaar, maar wat peinsde van mij.’

Eenmaal recht geholpen strompelde hij naar zijn vervallen huisje, verstopt achter de haag, en verbrak met geoefende hand het zegel van een nieuwe fles.

Dirk Verfaillie begreep wel dat van die man niet veel goede raad kon komen.

Die ochtend was hij vroeg opgestaan, uiteraard was het al warm. Hij at wat, deed de achterdeur open en haalde zijn fiets uit het schuurtje. Hij moest trainen wilde hij zijn doel bereiken, daarvoor had hij dat boekje niet nodig. Hij stond voor een dilemma: indien hij hard zou rijden zou hij het nog warmer krijgen; aan de andere kant zou hij dan wind maken en een beetje afkoelen. Hij dacht erover na en kon niet echt een besluit nemen, het kwam hem te ingewikkeld voor. Goed, hij opteerde voor een vermoeden van frisheid en ging dus hard doortrappen. Het was zwaar, het asfalt was glibberig geworden. Na enkele kilometers reikte zweetgeur al tot in zijn neus. Een ander zou het hier hebben willen opgeven, dat was iets dat hij ook wilde. Of niet wilde, want hij moest doorrijden. Ja, wie wist nu eigenlijk wat hij wilde, mensen wilden zoveel en om de haverklap iets anders. Zodat ze niets bereikten. Dirk wilde niet middelmatig zijn. Hoe kon iemand daarmee leven? Wat waren dat voor mensen die nooit een gok namen? Dirk kende de noodzaak van discipline: hij maakte zijn trainingen nodeloos zwaar, de anderen vonden hem een uitslover, en soms kreeg hij met moeite zijn voeten van de pedalen, kon hij de riempjes nauwelijks losmaken; op zo’n dag viel hij ’s avonds in slaap in een hoek van zijn kamer. Hij wist wel dat het de enige manier was waarop hij een winnaar kon worden.

De buurjongens, die op het dak zaten en hem in de verte zagen aankomen, vonden hem een sukkel, met zijn fietsen. Er waren andere manieren te bedenken om uit dit verdoemde oord te geraken. De ene dacht dat men ook dichter kon worden; een andere zocht het in iets waarvan hij nog niet goed wist wat het moest zijn en de derde zag wel iets in muziek – er hadden hem berichten bereikt dat het niet eens meer nodig was om een instrument goed te bespelen om succes te halen; wat spelden door je verdomde kop slaan was voldoende. Hij twijfelde aan het waarheidsgehalte van dit laatste. Helaas was er niemand om hen te helpen. Ze waren helemaal op zichzelf aangewezen. Het was de periode in hun leven dat ze dachten dat de leraren alleen maar onzin verkondigden, ouders hen niet begrepen. Alles wat belangrijk was moesten ze zelf ontdekken en indien dat niet lukte had de toekomst geen zin meer – maar er was niemand te vinden die hen zou willen vermoorden. Ze dachten geweldig en fantastisch te zijn, alle anderen sukkels… en dat was ook zo, het waren sukkels, altijd al geweest, vanaf het moment dat er iemand had besloten hier huizen te bouwen en mensen te laten leven. Sinds het begin der tijden was hier nog nooit iets voorgevallen het vermelden waard. En van alle grote sukkels was Dirk wel de grootste, die liet iedereen mijlenver achter zich wat betrof idiotie. Elke vrije dag deed hij hetzelfde, hij stond ’s ochtends op, verzamelde zijn waarschijnlijk nog stinkende fietskleren, die wel moesten stinken met al dat zweet die hij produceerde, en reed een hoop kilometers bij elkaar, wat een zinloze daad was want in de hele wijde omgeving was er niets de moeite waard om naartoe te fietsen: geen bossen, geen rivieren, geen meer, geen hellingen – met uitzondering van die ene met een waardeloze molen, die sommigen vereerden als een heilige plaats, maar niets anders dan een hinderlijke puist in die vlakte waar alleen maar varkenskoten stonden en het altijd stonk.

Eigenlijk mocht wat hen betrof die hele klerezooi in brand worden gestoken.

Ze wilden vanaf het dak naar Dirk schreeuwen dat ze schijtziek van hem werden, dan wist hij dat tenminste ook eens. Godverdomme, iedereen vereerde hem, hij was de held van hun kleine wijk, en als hij ’s morgens vertrok met zijn fiets kreeg hij van de buren, hun ouders, een goedkeurend knikje, er blonk dan iets in hun ogen alsof ze verwachtten dat hij door zijn overwinningen hun achterlijk oord uit de vergetelheid zou trekken. Want tot nu toe was er helemaal niets waarop ze konden terugvallen: geen historische gebouwen of oude en interessante beelden. Dus moesten ze hem vriendelijk behandelen: hun ouders verlangden dat ze goede buurjongens zouden zijn en toen ze hen erop wezen dat Dirk eigenlijk een onaangenaam karakter had keken ze eventjes op en zeiden: ‘Er is geen keuze want eens zullen jullie trots zijn hem te kennen. Doe dus maar gewoon tegen hem.’ Misschien was dat zo omdat ze na jaren van dromen najagen tot de slotsom waren gekomen een triest leven te leiden en dat hun kinderen door bevriend te zijn met een toekomstige wielerkampioen, en dat te blijven, konden ontsnappen aan dat stinkoord. Want hier werden geen beroemdheden geboren, hadden er ook nooit gewoond. Dat zou nu kunnen veranderen, Dirk Verfaillie had al een paar keer de plaatselijke krant gehaald waarin zinnen stonden dat hij zoiets als een gouden toekomst had. Er waren mensen die dachten dat hij ooit de Ronde van Frankrijk kon winnen en, ach, waarom niet, nog een paar klassiekers of zo. Als hij wereldkampioen zou worden, dan werden zij dat ook.

Het kon zijn dat ze dat bedoelden.

Dus zeiden ze ja.

Maar ze kregen geen hoogte van die jongen, niet dat hij moeilijk deed, maar hij sprak zo weinig en deelde geen enkele interesse met hen. Niets. Hij las niet – nu ja: alleen fietsblaadjes met daarin kleurenfoto’s van wielrenners – hij luisterde niet naar muziek, het enige waarover hij kon praten was zijn hartslag, dat hij volgend jaar iedereen zou inmaken in gelijk welke wedstrijd, en dat hij aan het sparen was voor een betere fiets. Maar hij zou nooit wielrenner worden. Dat kon niet: zijn naam deugde niet. Iemand werd wielrenner omdat hij een mooie naam heeft, of andersom – dat is ook een mogelijkheid. Maar met zijn naam zou het nooit lukken, zoveel verstand van zaken hadden ze ook wel. Hij mocht dan elke dag zijn benen gladscheren, of wat dan ook doen. Ze moesten er altijd om lachen, het maakte Dirk Verfaillie alleen nog maar idioter.

Met hun drieën zaten ze op het dak: Boris, Geert en Eddy. Ze begroetten elkaar niet als vrienden, dat waren ze ook niet. Helaas konden ze elkaar niet ontlopen, ze zaten onvrijwillig aan elkaar vastgeklonken. Ieder had zo zijn eigen leven – of: wilde zijn eigen leven leiden – maar het centrum daarvan deelden ze. Dat moest wel. Hun ouders hadden als eersten gebouwd in wat een nieuwe wijk moest worden, de huizen stonden vlakbij café De Merel. De rest van de gegadigden wachtten op de verkoop van een groot stuk grond waar ooit graan werd geteeld. De eigenaar was een stugge oude boer en die weigerde zijn handtekening onder de verkoopsakte te zetten, tot groot verdriet van zijn enige dochter die wachtte op het geld. Gelukkig was boer Galle ziek, hij bracht nu zijn dagen door in een leunstoel met buisjes van een zuurstoftank in zijn neus. Hij had al een paar hartaanvallen gehad, de ene erger dan de andere. Het was een grote man geweest, voor hij ziek werd. Hij reed winter en zomer van zijn erf, gelegen aan de rand van het nabijgelegen stadje, naar zijn velden waar hij ploegde en zaaide. Hij was de laatste boer die paard en kar gebruikte. Dat gebeurde niet meer, het veld bestond nu uit wild graan waarvan een groot deel door de pas gebouwde huizen waaide. Zo was het nu nog slechts een klein gehucht nabij een plek die zich stad waande.

Niemand, of het zouden de bewoners zelf moeten zijn, nam het stadje ernstig. Er stonden wat kerken, er waren een paar scholen – waardoor de inwoners dachten dat het een metropool was. Niemand ontsnapte, het is moeilijk uit te leggen waarom. Misschien was de uitgestrekte vlakte rondom te groot, men moest tientallen kilometers afleggen om aan iets te komen wat de moeite waard was, een bos of zoiets. Uit die vlakte steeg alleen maar stilte op, aantrekkelijk om die over te steken was het niet. Het was niet eens een landschap, alleen maar stinkende weiden, soms een sloot. In die weiden lagen hier en daar een paar huizen, een dorp met een naam die niet verwees naar bewoonbaarheid. Alleen de bewoners van dit land kenden de juiste reden om trots te zijn op hun streek. Er waren er zelfs die soms dachten dat het plezierig was om er te wonen. Een gebied waar vervallen hoeves ronddoolden, varkens opdoemden en graansilo’s oprezen; gebroken landschappen, lelijke villa’s, van modernistisch tot belachelijk Toscaans. Kasseiwegen. Betonwegen. Kedoenk. Kedoenk. Een wonderbaarlijk land, spookachtig. De enige menselijke benadering van dit alles was: wegvluchten, weg uit dit land van gebroken licht. Eenmaal een paar kilometers verder weg was er nog niets veranderd, het deed allemaal denken aan de cirkels van de hel. Het stadje stond in het midden. En de berichten in de enige krant die de inwoners lazen, en de geluiden die uit de radio kwamen en de beelden op de televisie gaven ook al geen rooskleurig beeld van wat zich allemaal afspeelde voorbij die desolaatheid, zodoende had eigenlijk niemand zin om zich te verroeren en iets te ondernemen. Wat waren dat voor mensen die dachten dat ze konden leven zonder anderen daarbij te betrekken? Blijkbaar vonden ze dat alles goed was, niet noodzakelijk omdat ook zo was, of niet. Maar iemand die creatief omsprong met de werkelijkheid werd nu eenmaal niet geapprecieerd. Het leven was nu eenmaal zo, al generaties lang en dat schepte duidelijkheid. Slotsom: niemand ging ergens naartoe en de fantasie dat te doen kenden ze niet.

Boris, Geert en Eddy. Alle drie hadden ze iets om zich voor te schamen, dat was hun opvatting. Dit was dan iets dat ze dan ook gemeen hadden. Bij Boris was alleen een moeder aanwezig, zijn vader was altijd weg om zaken te doen in iets dat werd omschreven als textiel. Zijn moeder sprak een vreemde taal, ergens leek het op het plaatselijke dialect. Niet dat het haar schuld was, ze had haar man ontmoet op het einde van de wereldoorlog, in de oerbossen van Polen. Met luide stem vertelde ze dat ze maar een jong Russisch meisje was, weg van huis, familie, dat ze zich verstopt had en toen, ongelukkig toeval, een man ontmoette die haar naar het westen kon loodsen. Hij was dan wel veel ouder dan haar, maar ze vond dat het de beste keuze was. Waarom ze zich daar, op dat ene moment, bevonden werd niet gesproken. Door niemand. Nu zat ze hele dagen alleen in haar nieuw gebouwde huis en liep op haar pantoffels, rookte de ene sigaret na de andere, hing de hele tijd aan de telefoon om die paar vriendinnen die ze had op te bellen en in de hoorn te schreeuwen dat ‘die klootzak compleet zot was en moest opgesloten worden’, klaagde dat ze nergens iets vond om lekker Russisch eten kaar te maken – tot groot genoegen van Boris – en er ging geen maand voorbij dat ze niet besloot haar koffers te pakken om terug te keren naar Rusland, tot ze zich realiseerde dat er van haar familie waarschijnlijk niemand meer in leven was en, indien wel, op een plek woonde waar het leven nog veel erger moest zijn. Ze had geen keuze, kon niet weg, nergens heen. Het was een nogal raar mens en altijd zei ze dat ze een betere vent zou zoeken. Wat niet kon. Haar leven had een wending genomen waarvan ze als jong meisje niet had kunnen weten dat er zoiets bestond. Boris had eigenlijk voor niets interesse en wanneer hij daarover werd aangesproken door de leraren op school verviel hij in een taal die men met wat fantasie Slavisch kon noemen en dan liet men het maar zo. Met die jongen viel er toch niets aan te vangen.

Eddy was anders. Hij nam zich een air aan van intellectueel, alleen maar omdat hij overal zocht en, vreemd genoeg, ook nog eens vond naar dingen die buiten het bekende lagen. Hij kende namen van muziekgroepen – niemand die zich daarvoor interesseerde. Schrijvers – die niemand wou lezen. Hij las elke dag trouw de krant en kon van alles vertellen over de wereld – maar er was niemand te vinden die zich daar ook maar iets van aantrok, met uitzondering van de sportpagina’s. Hij vond zichzelf beter dan de rest, alleen maar omdat hij altijd een pakje Franse sigaretten bij zich had, niet dat er iemand was die hem er ooit een had zien roken. Hij was rossig, had een sikje.

Geert had andere ambities. Hij had ook enkele boeken gelezen en dacht dat hij wel eens een schrijver kon worden, maar er was niemand die hem kon vertellen hoe dat moest. Dus schreef hij niet, in plaats daarvan zette hij een zonnebril op – dan leek hij tenminste een beetje op een schrijver.

Geluk, dat was het niet.

Er waren alleen maar dromen, die allen het tegenovergestelde beloofden wat er hen te wachten stond. Ze hadden erover kunnen praten, wellicht bestond er dan kans dat ze werkelijkheid werden.

In alles waren ze tegengestelden: hadden ze ergens elders gewoond, ze hadden nooit een woord met elkaar gewisseld. Eén ding hadden ze wel gemeen: ze waren buren, hun huizen stonden naast elkaar en de volgende woningen waren een viertal kilometers verderop, waar het stadje begon. Het was net dat tikje te ver om ernaartoe te slenteren, en dan nog: wat moesten ze daar doen? Hetzelfde?

‘Het is de leeftijd,’ zeiden hun moeders wanneer ze bij elkaar op visite kwamen, ‘dat waait allemaal wel weer over.’ Het was niet voor de gezelligheid dat de vrouwen de huizen van hun buurvrouw binnendrongen. De gesprekken werden behoedzaam gevoerd, een verkeerde opmerking was immers snel geplaatst en ze moesten nog een tijdje met elkaar verder, de berichten dat boer Galle snel zou overlijden en ze dan andere buren zouden krijgen waren niet optimistisch. De man wilde maar niet sterven. Dus zaten ze daar in eenzaamheid, ver weg van het stadje, aan de rand van wat eens een korenveld was geweest. Ze waren hier komen wonen omdat het station nabij lag, dat was beter voor hun mannen die elke dag vertrokken naar hun werk, twee uur verder. Maar nu bleef alles leeg, iedereen wachtte tot die koppige boer zou creperen en er eindelijk leven zou komen in de wijk.

‘En zijn dochter, ocharme dat mens, die zat maar te wachten op haar geld, en dat het geen manier van doen was om haar dat niet te gunnen.’

Ze hadden geen andere keuze dan instemmend te knikken, hun tafelmanieren onder controle te houden en alleen maar die dingen te zeggen die niet als belangrijk beschouwd werden. Wat hun kinderen allemaal uitspookten werd dan ook toegeschreven aan de leeftijd.

‘Ja, ja, je hebt gelijk,’ antwoordden ze dan maar, gelaten. Ze wisten wel beter.

‘En die van mij, die wil Godbetert coureur worden.’

Dan glimlachten de anderen even fijntjes, al bij al hadden ze het toch nog niet zo slecht getroffen, met die oudste zonen van hen.

Dus zaten ze maar met hun drieën op het dak van een café te kijken en te hopen hoe er in de verte een schuur in brand zou vliegen. Ze zagen hoe Dirk de spoorweg overstak, de alarmbellen om te verwittigen voor een aankomende trein rinkelden al, maar dat hoefde niets te betekenen: de trein die zou passeren stond nu nog in het station en het zou zeker nog enkele minuten duren eer hij langskwam. Hij reed hard, zwaaide en riep iets. Ze konden hem niet verstaan vanwege het geluid van de bellen. Dirk voelde zich onoverwinnelijk, immuun voor de pijn die een renner moest lijden. De weg boog af naar rechts en hij boog mee. Veel moeilijker dan dat was het niet. Hij was op weg naar zijn vrienden, hij had hen iets belangrijks te vertellen en begon de eerste woorden al naar hen te schreeuwen toen hij hen op het dak, hun uitkijkpost, zag zitten. Er was geen enkele reden voor haast: de rechtstreekse uitzending zou pas over een uur beginnen. De drie moesten een beetje lachen om zijn gehaastheid. Ze keken naar het mispunt: Dirk kon altijd zijn eigen gang gaan en dat alleen maar omdat hij zo goed kon fietsen en zijn moeder nauwelijks naar hem omkeek, dat ook wel een beetje.

Daar was hij dan, eindelijk, de toekomstige held. Hij droeg het kostuum van een buitenaards wezen en op zijn hoofd stond een helm die hem moest beschermen tegen kosmische stralingen, of zoiets. Het leek alsof hij niets of niemand zag, in zijn fantasie leefde. Ze dachten met een steek van jaloezie dat hij waarschijnlijk gelukkig was. Hoe konden ze dan vrienden zijn? Hij was een uitverkorene, hij had talent. Dirk zette zijn fiets tegen de muur van het café, tuurde door het venster naar binnen. In het café draaiden de mannen zich om, zagen hem staan en riepen luid naar hem. Ze wenkten dat hij naar binnen moest komen, hij durfde niet echt. Ook niet toen hij zag dat Jef Bidon aan de bar zat, de man die men zo noemde omdat hij hem altijd voorhield dat hij bidons met iets erin kon maken en dat hij, indien hij daarvan dronk, nooit van zijn hele leven niet een koers zou verliezen. Hij hief zijn glas bier met remorque op en maakte met zijn armen een trekkende beweging. Serieus getraind, betekende dat.

De muur waartegen Dirk zijn fiets zette stonk naar pis en iets anders dat hij niet kon thuisbrengen. Iets rottends, of zo. Het kon dood vlees zijn, in ieder geval iets waarvoor de ratten zich schaamden, die zaten verderop onder de buxushaag.

Hij wachtte tot iemand hem een helpende hand zou toereiken en hem hielp op het dak te komen. Boris draaide zich om, zuchtte diep, en liet dan toch maar zijn arm zakken om die van Dirk te grijpen. Hij hees hem onhoog.

‘Ik heb iets te vertellen, ik weet wat,’ zei Dirk.

‘Dat interesseert niemand,’ antwoordde Boris.

‘Maar dit wel, het gaat over de schuren.’

Ze stapten voorzichtig over het dak, wilden geen dakpannen verschuiven, en toen rook Boris aan zijn vingers. Hij trok zijn neus op, er was iets waarvan hij schrok, maar wat dat was bleef onbekend omdat Geert en Eddy er nooit naar hebben gevraagd. Toen draaide Boris zich om en duwde Dirk, voor de goede orde – maar niemand had het daarover – porde hij hem op de borst. Het was dus geen sjorren of trekken. Dirk keek naar Boris die nu bewegingsloos op het dak stond, hij zei nog iets en toen drong het misselijkmakend tot hem door dat hij iets stoms had gedaan, het was een onafwendbare waarheid.

‘Hij stonk.’ Dat was de enige verklaring die hij gaf voor zijn duw.

Dirk keek verbaasd naar Boris, hij schrok omdat er iemand was die blijkbaar zijn handen niet kon thuishouden, glipte weg vanwege de metalen plaatjes onder zijn fietsschoenen, zwaaide nog even met de armen in de lucht, naar iets ongrijpbaars, en dan viel hij; het leek wel dat hij zich express liet vallen. Het hoofd eerst.

Boris rook nog eens aan zijn vingers en trok weer een vies gezicht. Die blik zouden de andere twee nooit vergeten.

Hij moest waarlijk hebben gestonken.

Met hun drieën keken ze over de dakrand.

‘Die zal niet veel meer koersen meer winnen.’

‘En die hartslag van hem, die is nu nog trager.’

Ze moesten er een beetje om lachen. Dirk Verfaillie was een speling van de natuur geweest, iemand die kon winnen zonder inspanning. De drie anderen wisten dat net zoals de aarde om de zon draait elke speling vroeg of laat zou worden gecorrigeerd. Ze keken naar Boris, al snel werden ze weer zichzelf. Hier waren ze niet geweest en nu moesten ze zo snel mogelijk wegwezen. Ze lieten zich rustig aan de andere kant van het café van het glijden, stil, niemand die hen hoorde of zag. Het leek een eeuwigheid te duren. Eenmaal op de grond keken ze elkaar ontsteld aan en precies op dat moment beseften ze dat ze nooit een antwoord zouden geven op eventuele vragen die zouden worden gesteld. Ze zouden de mond opendoen, dat wel, maar alleen om die weer te sluiten zonder er geluid uit kwam.

‘Alles is onder controle,’ zei Boris. Toen schuifelde hij weg. Geert en Eddy volgden hem.

Toen stapte Jef Bidon naar buiten, hij kon hen zien maar het werd niet duidelijk of hij dat ook deed.

‘Zo, die is compleet dood,’ zei hij.

Dan stapte hij weer naar binnen, hij had iets te melden dat nogal onaangenaam zou zijn.

Aan hun huis gekomen gingen ze zonder een woord te wisselen elk hun eigen kant op, openden de achterdeur en toen ze in de keuken kwamen hoorden ze het begin van de rechtstreekse uitzending.

Alle drie dachten ze hetzelfde, voor de eerste keer in hun bestaan waren ze nu echt verbonden.

Misschien kende Dirk Verfaillie nu verlossing?

Herman Chevrolet

Herman Chevrolet is de schrijver van oa. "Het feest van List en Bedrog" en "8 Seconden".