In De Renner verhaalt Tim Krabbé over de werelduurrecordpoging van de Amerikaan Hamilton. We schrijven het jaar 1898. Deze Hamilton liet een lichtvlek projecteren op de wielerbaan. De vlek bewoog mee, steeds een metertje voor z’n voorwiel. Hamilton fietste als eerste mens meer dan 40 kilometer in een uur. Maar helaas… de wielerbond zette een kruis door het record. De lichtbundel zou Hamilton op niet-reglementaire wijze hebben gegangmaakt.

Het niet-erkennen van het record was, zo schrijft Krabbé, de officiële erkenning van de rol van de psyche in de sport.

hersenenEen dikke eeuw later bestaat over die rol geen twijfel meer. Niet het lichaam is doorslaggevend. Het is de geest, stupid! Dikke dijen zijn maakbaar, hetzelfde geldt voor volumineuze longen en een onvermoeibare hartspier. Is het niet via training, dan wel via de medicijnkast. Mentale hardheid, dát is pas talent. De onbuigzame koppigheid, de allesoverheersende geldingsdrang, de kracht om te focussen en zo de fysieke pijn weg te drukken: het is niet of nauwelijks te trainen en nog moeilijker via een pilletje op te krikken.

Wie het langst de zinloosheid van het afzien negeert, wint.

Maar. Je hebt zinloos en zinloos. Een berg oprijden is tamelijk zinloos, dat zeker. Maar toch: die berg ligt er, je moet eroverheen. Eenmaal op de top mag je weer naar beneden, als beloning. Afzien in de klim, genieten in de afzink. De eindigheid van een berg geeft het afzien zin.

Tegen de wind in fietsen, dát is pas zinloos.

De enige remedie tegen wind-op-kop? Omkeren. En zelfs dan is de beloning niet zeker. Wind heeft de nare gewoonte te draaien. Dat is naar mijn weten in de bergen nooit voorgekomen, dat een afdaling plots een beklimming bleek. Een berg is goudeerlijk, de wind een sluwe rotzak. Een laffe hypocriet. Een kloothommel die zich verschuilt, en vanuit een hinderlaag plaagstoten uitdeelt.

Het ergste is: je ziet ‘m niet. Althans niet in de desolate Nederlandse polder, waar bomen een curiositeit vormen. En dus is er weinig heroïsch aan fietsen tegen de wind. Mensen zien een man van een zekere leeftijd, in een strak pakje, voorovergebogen op een blinkende fiets. Harkend, stoempend, zwalkend, snotfluimend.

Dat zien ze. Maar ze zien de boosdoener niet. Nodeloos, doelloos, zinloos afzien. Zinlozer dan zinloos. Je wint er hoon mee, geen bewondering of verafgoding. En daar doen we het toch voor. Ik wel.

Wind-op-kop nekt de moraal. De gebroeders Pélissier, cracks uit de jaren ’20 van de vorige eeuw, hadden dat goed begrepen (of het waren gewoon watjes, net als ik): ze trainden slechts met de wind in de rug. Hoe ze na een dagje laagvliegen weer thuis kwamen, vermeldt het verhaal niet. Maar hun moraal was ongebroken, zoveel is zeker.

Moraal. Prachtig woord. Synoniem voor mentale kracht. Onmisbaar in de sport, en zeker in de koers.

Sander Peters

Als Sander Peters (1974) geen teksten schrijft, zit 'ie op de fiets. De racefiets dus. Een Trek, lekker degelijk. Want klussen aan z’n fiets, daar houdt ‘ie niet zo van. Ook niet zo’n fan van clichés en pseudo-intellectueel geneuzel over de koers (Hoogmis, Koers Van De Vallende Bladeren, Hel Van Het Noorden, Il Lombardia, etc.). Dol op macaroni-met-smac-en-kaas en de Vuelta.