Muzikant Mathijs Leeuwis: “Fietsen is een manier om dichterbij mijn opa te komen”

By |zaterdag 27 oktober 2018|

Ooit begon hij één van zijn liedjes met de veelzeggende woorden “Ik drink te veel en ik sport te weinig”, maar inmiddels is het tegengestelde waar. Mathijs Leeuwis komt zelden nog in de kroeg en drinkt amper nog een druppel alcohol. In plaats daarvan brengt hij vrije uren bij voorkeur door met zijn kop in de wind. Op de fiets, dat is waar zijn gedachten kilometer na kilometer iets meer op orde komen. Daar ontstond niet voor niets ook de gedachte voor zijn nieuwe muzikale project. Dat gaat – hoe kan het ook bijna anders – over zijn liefde voor de fiets.

Wie naar Galibier luistert zal even moeten wennen, want Leeuwis schoof zijn ambacht als liedjessmid met genoegen in de ijskast. De Tilburger perste een stel albums met tot de verbeelding sprekende teksten uit zijn pen, maar schildert nu louter nog met klanken. De koek was op, vertelt hij, net nadat hij vanaf zijn tweewieler en gehuld in klassiek Molteni-tenue aanschuift voor het gesprek. “Dat mis ik niet. De laatste twee jaar als liedjesschrijver voelden als een last. Het is heerlijk om dat achter me te laten. Het podium op was vreselijk, ik voelde mezelf in herhaling vallen. Ik had niet het gevoel dat er nog iemand op zat te wachten. Het liet een vieze smaak achter.”

In plaats daarvan nam hij ruim de tijd om zich te bekwamen in een ander ambacht. Hij kocht vier jaar geleden een pedal steel. In Amerika wordt het vaker the sad machine genoemd. En ja, dan komt al snel de associatie met country en americana bovendrijven. Leeuwis wilde dat gevoel graag overstijgen en een nieuwe dimensie scheppen met het instrument. “Het idee ontstond redelijk opportunistisch, omdat ik eigenlijk het liefst de hele dag pedal steel zit te spelen en aan het eind van de dag wil ik dan gaan fietsen. Een paar jaar terug heb ik een redelijk grote koers gedaan in de Franse Alpen, rondom de Galibier. Dat maakte diepe indruk. Het is een nare klim, maar tegelijkertijd voel je je ook heel erg verbonden met allemaal heftige grote verhalen en sterke wielrenners. Dat wat zoveel indruk op mij maakte werd de kapstok waar ik de pedal steel aan op kon hangen, zodat het ook wat meer ging leven. Het is natuurlijk een instrument dat per definitie gekaapt is door country, maar de manier waarop ik het speel is vrij open. Wat er uit kwam kon ik koppelen aan de weidsheid.”

Wie Leeuwis op Strava volgt weet dat de Tilburger ongenadig hard kan fietsen. Een andere stand dan volle bak lijkt hij niet te hebben. “Ik vind het leuk als het pijn doet. Als het even kan dan trek ik het onderste er uit. Toen ik de eerste keer de Mont Ventoux op ging had ik nog niet zoveel geklommen. We hadden de hele nacht doorgereden en toen zag ik die berg. Ik moest er meteen tegenop, ik was bezeten van dat ding. Zonder enig voorbehoud ging ik er in en binnen de kortste keren zat mijn hartslag veel te hoog en fietste ik mezelf helemaal stuk. Maar toen wist ik wel hoe ik het de volgende dag moest doen. Elke keer als ik omhoog rijd dan doe ik dat zo hard mogelijk. Of ik last heb van Stravafetisjisme? Ja, ik vind het leuk om mijn eigen tijdlijn te zien wat ik gepresteerd heb.”

Hoe het fietsen dan doorwerkt in de muziek? Dat is eigenlijk maar een kleine stap, als we de lange Tilburger moeten geloven. “Mijn vriendin zit op yoga. Zij kan zich er niks bij voorstellen dat je jezelf afbeult en daar rust in vindt. Maar als ik in het stuur hang dan zit ik in een tunnel en is het leven heel overzichtelijk. Het fietsen heeft dat meditatieve. Tweeënhalf uur solo rijden en tegen niemand iets te hoeven zeggen is heerlijk. Je bent bezig om ritme te houden, je hartslag in de gaten aan het houden, kadans creëren. Er is heel veel ruimte om te mijmeren. En bij bergen komt er naast dat meditatieve ook nog die grootsheid en weidsheid bij. Bijna alsof het landschap tegen je zegt dat je daar niet hoort te zijn. Zoals met mist op de Ventoux. Dat weerbarstige vind ik ook te gek.”

“Heel veel van mijn muziek ontstaat uit kleine patroontjes, kleine veranderingen in reeksen, minimalistische ideeën over herhaling. Dat is fietsen ook: herhaling, ritme. En ideeën opdoen voor experimenten en een zoektocht naar nieuwe, onbekende klanken. Voorheen wist ik heel goed hoe ik bepaalde liedjes kon schrijven in een genre en dat werkte. Dat was het kader. Nu ben ik veel meer op zoek naar de spanning in een nieuw geluid. Ik heb mezelf nooit gezien als instrumentalist, maar nu ik spontaan een plaat ging maken moest ik mezelf herzien als instrumentalist. Ik wilde een soort checks & balances inbouwen in dat systeem. Hier ging het veel meer om het samenbrengen van verschillende muzikale persoonlijkheden die samen hopelijk meer zouden worden dan de som der delen. Dat is een heel andere manier van werken dan voorheen. Mathijn den Duijf, de producer, heeft heel erg ervaring in die hoek en die zit ook heel erg in het moment vangen. Marzio Scholten komt uit de jazzy, experimentele hoek en Mischa Porte ken ik van de liedjesbands waarmee ik speelde. Zo ontstond een palet van verschillende muzikale breinen. Ik had het gevoel dat als daar iets zou ontstaan het ook echt iets goeds zou zijn. Niet alleen muziek maken, maar ook mezelf naar een ander niveau tillen door me op te trekken aan hen.”

De liefde voor de wielersport heeft Leeuwis overigens niet van een vreemde. Zijn opa, Cees Leeuwis, was in een ver verleden een niet onverdienstelijk renner, al kwam hij daar eigenlijk pas na het overlijden van zijn grootvader achter. “Ik wist het, maar hij was nooit zo’n hele grote verteller, zoals eigenlijk niemand in die tak van de familie dat was. Toen hoorde ik van anderen dat ze vroeger gingen kijken bij mijn opa in Dordrecht en die contreien. Er kwam ineens een beeld naar boven van een man die verdomd hard kon fietsen. Ik herkende me er in. Een veelwinnaar was het niet, maar hij kon lang en hard fietsen. Het werd voor mij ook een manier om herkenning te vinden. Ik ben daardoor meer gaan fietsen. Ik heb er niet veel van kunnen vinden. Wel heb ik wat medailles van de rondes van Dordrecht en Alblasserwaard. Het lijkt me leuk dat nog eens verder uit te zoeken, want het is toch een soort verbinding. Ik heb een sterke herinnering aan mijn opa. Samen met hem keek ik vaak wielrennen. Als ik een fiets kreeg, dan kreeg ik die van mijn opa. Dat was achteraf een duidelijk teken. Maar hij heeft me nooit de koers en het koersen uitgelegd of me eens aan een dikkebandenrace laten meedoen. De verteller in mij, dat moet ergens anders vandaan komen, maar ik vind het fijn om op de fiets te zitten en ik kon me voorstellen dat mijn opa dat ook had. Ik heb een foto waarbij hij op zijn fiets zit en ergens iets gewonnen heeft. Goede benen, bos bloemen erbij. Fietsen is een manier om dichterbij te komen bij iets wat ik niet meer uit de mond van mijn opa kan horen.”

Verhalen dus. Goede verhalen vertellen, dat is wat Leeuwis wil. In plaats van tekst zijn het nu de klanken die een gevoel overbrengen. Galibier is een soort van totaalkunstwerk geworden, waarbij de fraaie hoes samen met de titels van de nummers een thema behandelen en zelfs een route afleggen. Kant A is topografisch van opzet, waarbij de beklimmingen van de Télegraphe, de Galibier en de Lautaret worden aangevuld met de klim naar Mont Ventoux. Alleen het derde nummer, Henri Desgrange, is geen beklimming, maar de naam van de wielrenner die later als journalist de Tour de France in het leven riep en in wiens eer jaarlijks een prijs uitgereikt wordt voor de renner die het eerst het dak van de Tour bereikt. Deze nummers zijn bijna hypnotiserend van aard, een simulatie van het gevecht bergop.

Op de B-kant komt nog meer het verhalende en het improviserende karakter naar boven. “Daar had ik wat meer sferen mijn hoofd. Bij Monseré moest het bijvoorbeeld ontaarden in chaos en heftigheid. Het moest uit elkaar knallen, zoals zijn carrière. Het wielrennen staat bol van dat soort verhalen. Mijn obsessie daarvoor is niet toevallig, want als liedjesschrijver richtte ik me ook op verhalen. Helemaal loslaten kan ik dat niet. Ik houd van verhalen. Zo’n Monseré, dat komt dan weer door gesprekken die ik heb met Martijn Crins, zanger van Fake Billy and The False Prophets, die ook helemaal gek is van de koers. Wij zijn altijd aan het speuren naar die verhalen. Via hem kwam ook het verhaal van Monseré. Het is zo treurig.  Jean-Pierre Monseré was een buitengewoon getalenteerde wielrenner, die zelfs het gevecht met Eddy Merckx aankon. Hij is overleden na een ongeluk op een kermiskoers in Retie, net over de grens bij Tilburg. Hij stierf als jongste wereldkampioen ooit. Zijn zoontje zou jaren later op exact dezelfde wijze ook overlijden, zelfs in hetzelfde shirt.”

Voordat de plaat eindigt in de feestelijkheden en de opwinding van de Champs Elysees koerst Leeuwis met de luisteraar nog door andere sferen. Solo, als eerbetoon aan de eenzame fietser die hij zelf ook zo vaak is of Requiem, als beschouwing op de renners die – net als Monseré – in het harnas het leven lieten. Het toppunt van de spanning ligt echter bij het nummer Fuentes – over de Spaanse dopingarts uit Pamplona. “Dat moest het raar en vervreemdend worden. Dat is de duistere kant van de koers. Die gekte kon hier niet ontbreken. De keuze voor doping hoort ook bij drang om de beste willen zijn. Dat hoort bij mensen die dingen die op een hoog niveau doen. Het onvoorwaardelijke, alles geven om iets te bereiken. Zo’n Lance Armstrong, ik kan er geen hekel aan hebben. Hij deed alles voor het hoogste doel. Als je opzoekt hoe renners in die periode gingen trainen, dat is ook zo bizar. Er zat al niet veel vet op die botten en dan zei zo’n arts dat ze nog vijf kilo te zwaar waren. Zij maakten die mensen tot cijfermachines. Wat is er te halen, je moet zoveel watt per kilo wegtrappen en daar is dan dit en dit voor nodig. Die verhalen van talenten onder de hoede van die doktoren, daar ben ik echt door geraakt. Het lijkt op het creëren van een fietsende Frankenstein.”

Nu deze plaat er ligt, denkt de boomlange Tilburger – door vrienden ook wel eens tot de Cancellara van Waalwijk (de plaats van zijn jeugd) gebombardeerd – alweer na over volgende projecten. Zo wil hij graag samen met Marzio Scholten het theater in om verhalen te vertellen over tegen bergen op fietsen. Daarin krijgt in elk geval de heroïek van wielrenner en verzetsheld Gino Bartali een plek. “We zijn aan het kijken hoe dat te vertellen. Ik wil me daarbij focussen op de muziek, Marzio is een rasmuzikant. Ik zou het niet erg vinden om weer iets te zeggen, maar het totaalverhaal moet ook verteld worden. We zoeken nog naar iemand voor die rol. Het moet iemand zijn die mooi kan vertellen en ook publiek trekt. Ik kan het wel zelf gaan doen, maar dan blijft het al snel bij shows in de Kattendans in Bergeiijk.“

Maar nu eerst ligt er Galibier, een project waar Leeuwis merkbaar met liefde over spreekt. En hij is niet de enige die enthousiast is, want Nico Dijkshoorn, schrijver en groot muziekliefhebber, tweette over dit album al “Eindelijk! Iemand die pedal steel gitaar deze eeuw binnen duwt.” Dat compliment sterkt hem, erkent hij. “Ja, dat is te gek. Ook omdat het instrument – daar loop ik met regelmaat tegenaan – geassocieerd wordt met country. Die traditie houd ik graag in stand, maar ik denk dat er veel meer ruimte is voor pedal steel buiten die muziek. Die probeer ik te verbreden en te ontdekken en ik krijg er wat grip op. Als iemand als Nico Dijkshoorn, een enorme muziekliefhebber, meteen de vinger op de zere plek legt door te signaleren dat ik het instrument meer breedte geef, dan ben ik daar heel blij mee. Het was een lange weg om het instrument te bedwingen. De puzzel om te ontdekken wat ik wilde gaan maken, die was vervolgens zo gelegd. Veel makkelijker dan met liedjes schrijven. Het was heel logisch: dit is het verhaal dat ik wil vertellen en dit is de manier waarop. Met deze mensen. Het was onontkoombaar.”

Tekst en beeld: Niels Steeghs

Mathijs Leeuwis presenteert zijn album op 1 november in Paradox, Tilburg. Er zijn nog kaarten verkrijgbaar.

Niels Steeghs

Niels Steeghs is hardfietser en herintredend popjournalist.

Related Post

Geef een reactie