Ach, de sportjournalist was er inmiddels aan gewend geraakt. “Wie? Beukeboom? Dion? Is dat een vrouw? Een wielrenner? Werelduurrecord? Nee, nooit van gehoord”, het waren steevast vragen die hem werden gesteld wanneer hij vertelde waar hij momenteel mee bezig was. Nu ook weer op Schiphol, waar hij bij de beveiligingscontrole uitleg moest geven wat het precieze doel van zijn trip naar Mexico was.

Hij vroeg zich af of Joris van den Bergh in zijn tijd ook tegen zo’n muur van onwetendheid was aangelopen toen die betrokken raakte bij een Nederlandse werelduurrecordpoging. Van den Bergh, pionier van de vaderlandse sportjournalistiek en in het bijzonder die van de wielersport, was het namelijk die in 1933 Jan van Hout bijstond in zijn voorbereiding. Mét succes, want op de baan van Roermond wist Van Hout een afstand van 44 kilometer en 588 meter af te leggen, 341 meter meer dan het toen geldende record van de Zwitser Oscar Egg. Vier jaar erna wist Van den Bergh een volgende Nederlandse renner te overtuigen om het record aan te vallen. Frans Slaats was zijn naam, en ook hier had Van den Bergh het goed gezien: in Milaan tilde Slaats het record naar bijna 45 en een halve kilometer.

Slaats was uiteindelijk de enige Nederlandse coureur die in de UCI boeken terecht kwam als officiële houder van het werelduurrecord. Bij Van Hout was dat niet gebeurd omdat Egg met zijn duimstok de baan in Roermond nagemeten had en aan de wielerunie had doorgegeven dat de afstand niet deugde. Wat een verhaal was dat zeg! Op zijn hotelkamer in Aguascalientes in Mexico pakt de sportjournalist zijn wielerbijbel er nog maar eens bij. Het vuistdikke boek ‘De wereld van het uurrecord’ valt bijna uit elkaar. Dat is ook niet gek, want hoe vaak had hij het niet doorgebladerd en was dan blijven hangen bij weer een wonderlijke verhaal over deze historische wielerprestatie. Kijk hier, bladzijde 172 waar verslag wordt gedaan van de tweede keer dat Egg de baan in Roermond met zijn duimstok ging nameten, nu met een delegatie van de Dagelijksche Sportcourant die hem per brief hiervoor had uitgenodigd. De eerste keer was Egg alleen namelijk, hij was toen gewoon over het hek geklommen.

Een paar uur later kijkt de sportjournalist tegen het hoge hek van het Vélodromo Bicentenario aan. Moet hij er over heen klimmen misschien? De plek ziet er desolaat uit, het gras staat torenhoog en hij ziet geen auto’s op de parkeerplaats. Heeft hij zich dan toch vergist? Gaat Dion Beukeboom helemaal niet hier in Aguascalientes het werelduurrecord aanvallen? “Beukeboom? Dion? Een vrouw? Wielrenner?”, mompelt hij. Het is een soort automatisme bij de sportjournalist geworden heeft hij gemerkt, hij heeft het ook zo vaak gehoord.

Hij loopt verder. Hé, daar zit een mannetje op een stoeltje te dutten achter het hek. De sportjournalist rammelt aan het hek. Het mannetje schrikt op en loopt naar hem toe. De sportjournalist wijst naar de witte blaashal verderop: “Dion Beukeboom, allá?” Het mannetje haalt vriendelijk lachend zijn schouders op. “Arbol de haya? Dion? Ciclista?” Het mannetje opent het hek voor de sportjournalist. Hij lijkt blij dat hij eindelijk eens wat te doen heeft. De sportjournalist moet zijn naam op een gastenlijst noteren. Die is nog bijna leeg, er staat bovenaan alleen ‘Ciclistas Holanda’ gekrabbeld. Het hart van de sportjournalist maakt een sprongetje. Dus toch! Zie je wel, zonder doorzettingsvermogen kom je nergens in de journalistiek. Al die luiwammesen van de Nederlandse kranten die hij had geïnformeerd over de werelduurrecordpoging en het maar klein nieuws vonden, die hadden het dus echt niet begrepen. Er was hier gewoon een kans dat een Nederlander een megaprestigieus wielerrecord ging verbeteren. HET WERELDUURRECORD! De naam Beukeboom (“Wie? Dion? Wielrenner?”) in het rijtje Petit Breton, Coppi, Anquetil, Ritter, Merckx, Boardman, Indurain, Rominger en Wiggins, dat zou toch fantastisch zijn! “Beukeboom? Ja, tuurlijk. Dat is die renner die in Mexico het werelduurrecord van Wiggins afpakte. Natuurlijk kennen we die.” Dit ging om wielerhistorie, elke zichzelf respecterende sportjournalist moest daar toch bij zijn?

De sportjournalist rent naar de ingang. Hij duwt tegen de draaideur en stapt de hal binnen. Hij ziet een houten wielerbaan, op het middenterrein wordt gebadmintond. Dan flitst voor zijn ogen ineens een wielrenner op een gele fiets voorbij. “Beukeboom. Wie? Dion? Wielrenner?”, mompelt de sportjournalist. Hij pakt een stopwatch uit zijn broekzak: rondetijd 16,4 seconde, bijna 55 kilometer per uur. De sportjournalist haalt opgelucht adem. Als hier op 22 augustus vaderlandse wielerhistorie wordt geschreven, heeft hij de scoop.

Jurgen van Teeffelen

Jurgen van Teeffelen (1968, Hilvarenbeek) is freelance journalist. Hij werd besmet met het wielervirus toen hij als 8-jarige op vakantie in Frankrijk de Tourkaravaan voorbij zag komen. Was vooral ook onder de indruk van de grote Michelinman. Thuisgekomen monteerde hij een racestuur op zijn jongensfiets en ging rondjes rijden op het pleintje voor zijn huis. Bij afwezigheid van een derailleur vond hij het virtuele schakelen uit: alleen de handbeweging was voldoende om het gevoel van wielrenner te zijn op te wekken. Vele jaren later heeft hij heel wat andere sporten geprobeerd, maar hij komt toch weer altijd bij het wielrennen terug. Wanneer hij op zijn tijdloze titanium fiets de majestueuze pieken van de Utrechtse Heuvelrug bedwingt voelt hij zich weer de 8-jarige Jurgen van vroeger. Gaat dan spontaan virtueel schakelen. Hij hoopt nog altijd zijn kinderen enthousiast te krijgen voor het wielrennen, maar vooralsnog vinden die het saai. En daar snapt Jurgen dus helemaal niks van. Zijn hogere doel: een biografie over Jaanus Kuum schrijven.