Pietje Damen: Kampioen uit vroeger dagen.

By |donderdag 28 juni 2018|

Op de meet worden de prijzen verdeeld.

De kruitdampen van Giro 2018 zijn opgetrokken. Froome wint de koers, maar onze Tom wordt tot morele winnaar gebombardeerd. Althans zo lees ik het tussen vele regels door. Morele winnaar, me neus. Op de meet worden de prijzen verdeeld. Da’s al eeuwen zo, en zo moet het natuurlijk ook blijven. Ondanks alle gezever op de social media. Virtuele finishlijnen bestaan niet.
Het exploot van Chrisje in de Dolomieten was hemels. De man deed zijn voornaam alle eer aan. Er werd gerefereerd aan Merckx, Hinault en Pantani. Zelfs Coppi werd door enkele oude grijsaard nog van stal gehaald. Nog maar heel sporadisch kwam de Engel van het Hooggebergte nog piepen in de berichtgeving. Charly Gaul, de grimpeur die in infernale decors het hele spel omver kegelde. Geen 3 maar 30 minuten pakte hij tussen sneeuwmuren. De Apocalyps leek bijwijlen aangebroken en de wereld kromp ineen. Behalve Charly: “jetzt ist gutes Wetter” sprak hij ’s morgens voor het vertrek als de onheilspellende, met regen bezwangerde, wolkenpartijen kwamen binnendrijven.
Gaul won twee keer de Giro en ook nog eens de Tour de France. Zo meteen in juli exact zestig jaar geleden. Hetzelfde jaar dus, 1958, waarin Piet Damen in mei -als enige Nederlander ooit- de Vredeskoers won. Dezelfde Piet die een dikke maand later in de Tour met Charly optrok in de zo succesvolle Nederlands-Luxemburgse gelegenheidsploeg. Oh ja, Jaap was er ook nog bij. Daarom nog maar een verhaaltje van enkele, nou ja toch al weer veertien (time flies!), jaren terug uit de kast gehaald en licht opgepimpt.

Zesgehuchten

De vijftiger jaren, wielrennen en rock & roll. Voor mij zijn het synoniemen. Daar valt niks aan uit te leggen. Dat vormt je bij wijze van spreken. Lloyd Price , de zwarte klepper uit New Orleans, staat vast op mijn playlist. Net zo goed als dat de doordringende geur van de cajaputi olie zich sindsdien definitief in mijn neusgaten heeft genesteld. De wereld van de zondagmiddag werd die van de rondjes rond kerk en kroeg in de Brabantse Kempen en Meierij.
Met meer dan bewondering, nee absoluut gebiologeerd sta ik bij de start van de amateurs. Die matadoren met hun gladde geoliede benen, ranke lijven, felgekleurde fietsjes en dito koersoutfit. Nerveus zijn ze, net als jonge veulens die voor het eerst de wei in mogen. Met oren op steeltjes probeer je nog wat mee te pikken van hetgeen die mannen -zo vlak voor het vertrek- elkaar nog toe te voegen hebben. “Hé Pietje dat frame dat ik laatst van jou gekocht heb is hartstikke scheef” Pietje is met zijn antwoord net zo rap als aan de meet: “ Nou dat kan goed, dat komt van op de kant rije. Ha, ha, ha. “. Een bezorgde supporter probeert nog gauw: “Zo Pietje hedde gij stukke gehad van de week, want ik zie dedde unnen andere vurrek hèt”. Piet Damen uit Lieshout staat daar achter de streep met zijn rode RIH waarin een witte voorvork. “Ja, ja” zei Pietje “ik heb bij Kobuske Gramser een andere vork moeten laten monteren”. Het was maar de halve waarheid want onze lepe Piet had helemaal geen gebroken vork gehad. Hij had zijn voorvork wit laten spuiten opdat de jury hem straks bij aankomst op de meet zeker niet over het hoofd zou zien. Of misschien juist door dat opvallende ding hem -onbewust- een plaatske extra zou klasseren. Niet dat hij het direct nodig zou hebben want hij was snel genoeg en kon ook alleen aankomen. Bovendien oogde het niet echt gelikt en dat moet ons meer dan gesoigneerd rennerke – zeg maar de Paul Anka van het peloton- best wel gestoken hebben. Alles goed en wel, maar “je kunt nooit weten” redeneerde Pietje. Piet zou trouwens nogal gek geweest zijn om die geheime truc met iedereen te delen. Er was maar één man die hij in vertrouwen had genomen: Jaap Kersten uit Siebengewald. Pietje en Jaap waren twee handen op een buik. Al vanaf de nieuwelingentijd veel met elkaar opgetrokken en in de koers gezworen kameraden geworden. Ze hadden ook best wel iets gemeen. Allebei geboren in ´34 en in de opbouwjaren na de oorlog als tieners door een familielid op het wielerspoor gezet. Pietje toog met zijn oom Jan Schoofs mee naar de koersen. Ome Jan had zijn koersfiets aan de wilgen gehangen maar het vuur was niet gedoofd en zo sprong al gauw de vonk over naar Pietje. In zijn dagelijkse ritten naar school in Helmond waant ie zich al coureur: “den droom van iederen wakkeren knaap”.
Rijdt Pietje in ´49 eerst nog voor spek en bonen wat trainingsritten bij Vitesse in Beek en Donk; in ’51 verstrekt de KNWU licentienummer 2302 aan de nieuweling P. Damen te Lieshout. Met in dat jaar zelfs al winst in Schijndel. En passant rijft ie het clubkampioenschap van “Wilhelmina” uit Eindhoven binnen. De lange mars naar het succes is begonnen.

Chaam 1956. Jaap wint, Pietje tweede

Chaam

Als amateur gaat uiteindelijk de zegepalm liefst 38 keer mee naar Lieshout. In 1956 is Piet in bloedvorm. Hij is al opgenomen in de voorselectie voor het WK, als de Acht van Chaam aanbreekt. Pietje heeft in de voorafgaande week al drie koersen op rij gewonnen in België. Pietje en Jaap, die ook rijdt als een trein, spreken met elkaar af dat Jaap in Chaam aan de beurt is om te winnen. Het moet ook een soort van hommage zijn aan de oom van Jaap, een politieman die voor hem zijn eerste racefiets kocht. Oom agent is overgeplaatst naar Zundert en houdt die dag langs het parcours de mensenmassa in toom. Samen rijden de kameraadjes het hele spul aan gort. Jaap hoeft voor de eerste plek niet eens te spurten, want afspraak is afspraak nietwaar. De huldiging doet burgemeester Martin van Hoensbroek, tevens lid van de KNWU selectiecommissie. Daarmee is de teerling geworpen. Jaap gaat mee naar het WK in Kopenhagen. Vette pech voor Pietje. De vriendschap lijdt er niet onder.
Het kan niet anders of ze worden beroeps. Jaap net iets eerder dan Pietje die in ´57 definitief doorbreekt met winst in de klassieke Ronde van Overijsel en de Kersenronde van Mierlo. Piet fietst inmiddels voor Wielerclub Het Zuiden. De voorzitter, de fameuze journalist Frits van Griensven heeft hem losgeweekt bij zustervereniging Wilhelmina. Volgens Piet omdat hij dan grotere buitenlandse wedstrijden kon rijden.

Praag; de Vredeskoers

Die internationale ervaring komt goed van pas. Met een kersverse onafhankelijke-licentie op zak gaat Pietje in het voorjaar van ’58 met ploegleider Bram Koopmans mee naar de Vredeskoers, de zwaarste amateur-wedstrijd ter wereld. Hèt sportmonument van de wederopbouw tussen Warschau, Berlijn en Praag. Zeeën van volk aan de kant de weg, iedereen kreeg vrijaf van werk of school. Uitpuilende stadions.Op elke helling een orkestje om de renners moed in te blazen. Een mega-evenement, alles strak geregisseerd in de beste communistische traditie.

De winnaar schuilt.

Piet domineert de koers en na nog een kleine afrekening met de Belg Fons Hermans staat hij in Praag als de glorieuze winnaar op het podium.
Hiermee is je heldennaam natuurlijk voor eeuwig in het granieten Oostblok gebeiteld. Welke roem dan vergaard is blijkt een jaar of wat later als Pietje, Jaap en Piet van Est met de auto naar een wedstrijd in West Berlijn willen. De grenscontrole in Helmstedt aan het begin van de Corridor is een ware beproeving. Je kunt er zo een halve dag of langer mee kwijt zijn. Pietje presenteert als eerste zijn paspoort. Drie collega’s scharen zich rond de Vopo die het document bestudeert en kijken over zijn schouder mee. De grote baas, de commandant zelve, wordt erbij geroepen. Paniek?! Welnee die mannen zijn helemaal van slag dat ze de kampioen mogen doorlaten. Er wordt ruim baan gemaakt. Jaap en de Rooie Van Est hoeven hun pas niet eens meer te laten zien. Thuis zullen de grenswachten vol trots vertellen dat ze die dag Piet Damen aus Lieshout Holland, der berühmte Sieger von Warschau-Berlin-Prag 1958 hebben kunnen nawuiven.

Glorieuze thuiskomst na de Vredeskoers 1958

Een grootse huldiging valt Pietje ten deel bij thuiskomst na de Vredeskoers. Ik herinner me nog dat het Eindhovens Dagblad in die dagen een gigantisch grote fietsorientatietocht organiseerde. Duizenden deelnemers. Aan het hoofd van die meute rijdt Pietje als eregast en celebrity. Tot Oirschot, niet verder, want hij moet ’s middags nog koersen. Het leven gaat gewoon door, nietwaar, zeker nu de status van onafhankelijke verruild is voor die van professional. En het is meteen weer raak. Piet wint zowaar zijn eerste koers als beroeps. In Siebengewald nog wel, het dorp dat zo telde op een overwinning van hun held Jaap Kersten. Temeer omdat het de organiserende club financieel de kop had gekost.

Nelux 1958

Radium Banden is de eerste reclame die Piet op zijn tricot draagt. Een kleren- en bandencontract dat niet veel om het lijf had maar wel de weg opende naar het grotere werk. De neofiet wordt meteen al in het diepe gegooid. Met de gecombineerde Nederlands-Luxemburgse ploeg mee naar de Tour de France. Als broekie mee met doorgewinterde routiniers als Wim van Est en Gerrit Voorting. In het peloton beter bekend als “d’n dikke” en “de slappe”, bijnamen met een hoog vijftigerjaren patronaatsgehalte.
Pietje schittert in de cols. De dertiende etappe, 230 km in de Pyreneeën, staat in Piet’s geheugen gegrift en nu zoveel jaren later laat ie nog een minutieus verslag optekenen: “Het was mijn eerste Tour en ik had nog nooit geen bergen gezien. Geen flauw benul wat me te wachten stond in die eerste bergetappe van Dax naar Pau. Soulor en Aubisque, het waren namen die me niks zeiden. Daarom kon ik er ook geen schrik voor hebben. Ik voelde me goed en op een gegeven moment ben ik gaan lopen. D’r waren er maar vijf die konden aansluiten. Later is Bahamontes in zijn eentje op de Soulor nog bij ons gekomen. Maar ik hoefde niet voor hem onder te doen, hoor. Zij aan zij reden we omhoog. Daar krijg je natuurlijk wel moraal van. In de afzink van de Aubisque hebben Bergaud en ik Bahamontes gelost. De rest was allang wijlen. In Pau dacht ik de etappe zeker in de knip te hebben. Komt me daar op de streep die verdomde Bergaud nog net voorbij gekropen. Een banddikte was het verschil”
Amai, daar had nou een witte voorvork denkelijk nog wel goed van pas kunnen komen.
“Maar ik was toch wel best freed met die 2e plek bij mijn debuut in de cols. Later in die Tour reed ik ook nog 6e in die ware helletocht tussen Briançon en Aix-les-Bains. Af en toe zag je geen hand voor ogen, zo ging ’t tekeer. En dan te bedenken dat die laatste kilometers voor de top van die cols meestal nog niet verhard waren. Piet van Est durfde alleen met beide voeten aan de grond af te dalen. En die was normaal voor de duvel nog niet bang. In Aix waren zijn schoenplaatjes finaal afgesleten. Charly Gaul reed toen alles en iedereen aan poeier. Ik verloor maar een een minuutje of 14, terwijl mannen als Anquetil veel verder zaten. Bahamontes zelfs op een halfuur”.
Charly wint als kopman van de Nelux ploeg. Met een 11e plaats in de einduitslag én -volgens de overlevering- 8600 gulden cash in de “tès” komt Tour-revelatie Piet Damen naar huis. Heel Lieshout loopt weer uit om die kleine man op een schild rond te dragen.

Afrekenen alstublief!

Kaartje voor thuis.


Nog vier keer startte Piet in Le Grand Boucle maar die van ’58 bleef de meest memorabele. Daarna werd het nooit meer zoals in dat jubeljaar. In het rampjaar 1959 reden van de Nelux ploeg alleen Pietje en Jaap de Ronde uit; 1961 was niet om over naar huis te schrijven (wat ze overigens wel deden) en 1964 mislukte door een sleutelbeen breuk. Maar 1960 was ook wel speciaal. Aanvankelijk kwakkelde de Nederlandse landenploeg maar wat aan. De Italiaan Nencini had wel uitzicht op de overwinning, alleen raakten zijn helpers aan het eind van hun latijn (typisch iets voor Italianen). De Belg Desiree Keteleer, die in Italië net als Nencini onder contract stond bij Carpano, zat natuurlijk al lang met een paar kompanen in de slag met die corridori. Maar het was niet genoeg. De “Keeskes”moesten ook meedoen. En er viel nog wel iets te verdienen. Nou ja iets: 1600 gulden de man. Daar kon je een hele tijd van leven, toen. Daar hoefden ze niet lang over na te denken. De oranjemannen zetten Nencini uit de wind en de buit was binnen. Dachten ze!
Het geld zou door d’n dikke van Est later meegebracht worden uit Italië. Dus toog Pietje op zeker moment naar de Bredase cafetaria van Wim en Mieke van Est om -ook voor Jaap- het lieve sommetje van Fl. 3200.= te gaan incasseren. IJzeren Willem was in levende lijve in geen velden of wegen te bekennen. Wel op een levensgrote foto aan de wand van het eettentje: Wim lag daarop helemaal groggy tegen een afrastering. Compleet gesloopt na afloop van een Touretappe naar Bordeaux. Voor veel mensen een heroïsch tafereeltje: de oermens die tot het gaatje is gegaan. Maar voor zijn collega’s was dat nou niet het toppunt van professionaliteit. “D’n Dikke was vooruit met twee Fransen, die mooi in zijn wiel zaten te lachen. Wim beult alsmaar op kop en wordt -helemaal kapot- drie. Dat kun je toch op je vingers natellen. Van zoiets ga je toch geen foto ophangen. Daarna had ie nog een paar fleskes bier gedronken en was in een iets te warm bad van zijn eigen gegaan. We waren er net op tijd bij anders was ie ook nog verzopen”.

Buffelen voor Nencini; Jaap en Pietje op kop. Tour de France 1960


Afijn, terug naar Breda. Uiteindelijk komt Mieke met maar één keer 1600 gulden op de proppen. “Volgens onze Wim is het zo goed: 1600 voor jullie tweeën samen”. Hoe het ook in elkaar stak, om die ontbrekende 1600 gulden van toen kunnen ze nu na al die jaren wel lachen. Maar toch een beetje als een boer met kiespijn. Beroepsrenners blijven ze voor altijd, hè.
Van de andere kant kan d’n Dikke wel weer op de nodige mildheid rekenen. Oersterk, keihard én bere-onhandig. “In de Giro had je veel aankomsten op een sintelbaan. Nou Willem ging er vaak op zijn gezicht. Vaste prik. Maar ja hij kòn vallen want hij mankeerde nooit niks. We hebben het eens meegemaakt in de Dolomieten. Er lag een smal houten noodbrugske over een kloof. Wim kwam niet goed uit bij het opdraaien en stuiterde van voor tot achter langs de ruwhouten leuning. Het vel hing eraan. Hij wreef eens over armen en benen en kachelde gewoon verder. ’s Avonds hebben ze uren splinters zitten pulken” De sterke verhalen zijn niet aan te slepen. “Weet je nog dat ie in ’62 in de gelegenheidsploeg van Rijnbende Jenever (u weet wel die firma van de pikketanussies; red.) de Ronde van Nederland reed. Willy Alberti was daarvan de ploegleider en die had Wimme met een lekke band langs de kant laten staan. Hij had alleen oog gehad voor kompaan Peter Post. Nou bij aankomst in het Olympisch stadion waren de rapen gaar. De beer (van het Heike) was los! Hij mepte Willy-kes zo over de motorkap. En toen Jan Jansen en Hennie van Gent ook nog eens over de grasmat rollebolden was het feest helemaal compleet. Dat was pas lachen. Gouden tijden waren dat …”. Theater van het sentiment.

De kameraadjes november 2004

The Amsterdam connection: van Alberti tot Zamora

Willy Alberti als ploegleider. Veel gekker moet het echt niet worden! Kennelijk was er in die dagen toch een sterke Amsterdamse lobby in de fietserij. Een merkwaardige coterie met ook hier een typische link naar de muziek. Maar dan wel die van “hup sansee de platte boender”, door ome Ko en tante Sjaan uit de Anjelierstraat in die jofele Jordaan, bij elkaar gekweeld.
De buitenlandse ploegondersteuning had nogal eens een Mokums accent. Zoals die keer dat die bejaarde Jordanees meeging als masseur: “Opa noemden we hem. ’t Enige wat hij bij zich had was een leeg valies. Uit elk hotel nam ie een handdoek in eeuwigdurende bruikleen mee. In het restaurant vond ie genoeg fijne olijfolie om mee te masseren. Opa ging met een volle koffer naar huis”. Een andere oudere heer verscheen in de Ronde van Italië op het tapijt. Als tolk. Het was een “halve” -maar nog steeds warmbloedige- Italiaan, die een accordeonwinkel in Amsterdam runde. “Misschien heeft ie Willy Alberti ook nog wel aan zijn Italiaanse liedjes geholpen, God mag het weten. In de Giro kreeg ie van de Pel elke avond een traktementje. En daarmee ging ie de hort op naar de vrouwtjes. Elke avond! Behalve dan die ene keer, toen bleef ie thuis. Wij maar vragen wat er toch aan de hand was: ziek, zwak of misselijk misschien. Maar nee, die dag bleek zijn eigen vrouw -thuis in Amsterdam- jarig te zijn”. Toch een ridderlijk gebaar van deze belegen latin lover.
“In de Tour van ’58 hadden we ook weer een Mokumer mee als soigneur. Een charlatan eerste klas. Charly, de Engel van het Hooggebergte, had in die befaamde bergetappe de concurrentie verpletterd. De Tourzege lag binnen handbereik. Totdat het noodlot toesloeg. De volgende dagen werd het warm, het werd zelfs bloedheet. Charly zat als een dood vogeltje op de fiets. De komende tijdrit in de Provence zou voor de Luxemburger de nekslag betekenen. We zaten allemaal in zak en as. Behalve dan die Amsterdammer. Hij redeneerde: als Charly in de kou goed rijdt, nou dan maken we het toch koud. Hij liet in de plaatselijk lingeriezaak een dubbelwandig korset maken en vulde dat op met vergruisd ijs. Charly werd erin gehesen, trui erover en weg was ie. Terwijl de mussen -ook van verbazing- van het dak vielen won onze Engel de tijdrit en ook de Tour. Denken ze nou met die koelvesten iets nieuws te hebben. Nou, wij hebben het allemaal al eens gezien hoor”.
Wie ook wist hoe het zaakje te koelen was Leen Jansen. “Leen was een prima masseur. Maar zijn brood verdiende hij eigenlijk als visboer op de Albert Cuijpmarkt”. Leen had twee zingende zussen Rika en Marietje, beter bekend als Zwarte Riek (met de onvergetelijke kraker: “me wieggie was un stijfselkissie”) en Maria Zamora met haar Spaanse repertoire.
Al die Jordanese talenten zoals de zusjes Jansen, tante Leen, Willy Alberti, Johnny Jordaan en Manke Nelis hadden -al voor de oorlog- hun allereerste optredens gedaan in het café van de legendarische sprinter Piet Moeskops. De kruisbestuiving met het fietsen was dan ook onvermijdelijk. Veel later speelden Manke Nelis en johnny Meyer avond aan avond in de SanRemo bar. Maar dat even geheel terzijde.
Nu we het toch over soigneurs hebben, is de stap van Zamora naar Jose Vidal niet al te groot. Alberti sprak geen woord Italiaans, Zamora evenmin Spaans, maar de Spanjaard Vidal had als wielerpolyglot geen enkele moeite met het esperanto van het peloton. Pietje: “s morgens in alle vroegte kwam hij al aan mijn bed met zijn bloeddrukmeter. Even pompen, een snelle blik op het klokje en met zijn blinkende kraaloogjes zei ie dan opwekkend: oggi forte, oggi forte Piet”. Maar… Vidal dat was toch die figuur die later Frankrijk niet eens meer in mocht. Piet is daar gauw mee klaar. Doping is voor hem geen issue. “Luister eens goed. We hebben wel ooit iets gekregen en ook gepakt. Maar dat waren medicamenten, gemaakt om zieke mensen beter te maken. Voor een gezonde mens kan dat dan zéker geen kwaad”. Ander onderwerp.

Not smart enough to hide an aching heart

Vooruit dan maar, ander onderwerp. Wat schoof dat nou zo, beroepsrenner zijn in die tijd.”Toen ik de Vredeskoers won hield ik er een Jawa scooter aan over. Geld heb ik niet gezien. Misschien Bram Koopmans wel. Als winnaar van zo’n koers zeur je niet over centen”. Bij Radium en later bij Locomotief kreeg je materiaal en banden. Van de geldelijke vergoeding kon je echt niet leven. “we kregen toen geloof ik 150 gulden per jaar met een premiestelsel voor winst in criteriums en bijzondere resultaten in de grote rondes. Molteni betaalde twaalf keer zoveel, alleen heb ik daar maar een jaartje bij gereden. In de Tour kreeg je als dagvergoeding 60 franse franken. Als je dan thuis vrouw en kinderen hebt zitten, wil je best in de slag gaan zoals in ’60 met die Italianen”.
In die beginjaren was de prijsdeling na de grotere buitenlandse wedstrijden wel wat schimmig. “Je werd alleen bij de Pel op zijn hotelkamer ontboden, die je een pak van dat Spaans of Italiaans Monopoly geld in je handen drukte. Thuis na omwisseling op de bank wist je pas wat de verdiensten waren. Onder elkaar werd niet over ieders aandeel gesproken.”. Om een beetje redelijk rond te kunnen komen moest er wel prijs gereden worden in de criteriums en de Belse kermiskoersen. En dat ging echt op het scherp van de snede. “Het was toujours buffelen voor de plek. Daags na de Tour reden we een criterium in Den Bosch. Tien mannen, die afgepeigerd uit de Ronde kwamen, tegen een heel peloton verse krachten. Afzien, jonge! Laatst in de profronde van Pijnacker zat een Duitser onder de koers op zijn mobieltje te bellen met zijn vriendin. Zo wil je toch niet belazerd worden. Ik ga niet eens meer kijken. In Bels hadden we in een gewone kermiskoers meer kasseien dan nou in een grote klassieker als Vlaanderen. Raas en Knetemann hebben de criteriums met hun bazig geregel en geritsel om zeep geholpen. En die UCI-punten, die zijn killing voor de kameraadschap onder de renners”.
De kameraadjes november 2004
Er zit een flinke streep licht tussen die ijkpunten en het midden van de zestiger jaren toen Piet en Jaap hun licentie inruilden voor plakspaan en dienblad. Een tijdgat waarin het heimwee naar die gouden jaren je hart kan binnensluipen. Vroeger…vroeger. Zesgehuchten en Radio Manders uit Asten met Lloyd Price’s : “Not smart enough to hide an achin’heart”.

Kinderbijslag
In het seizoen ’59 mocht Pietje, feitelijk als neo, de tricolore kampioenstrui van Nederland omgorden. Het sluitstuk van die glorieuze late vijftiger jaren. “Kijk, goed voorbeeld doet goed volgen. Want in ’53 was ik als nieuweling al gekoppeld aan Hansje Dekkers, de Nederlandse beroepskampioen. Samen wonnen we een benefiet-koppelwedstrijd voor de watersnoodramp. In die dagen trainde ik zelfs al geregeld met Dekkers en Dielissen, twee prof-kampioenen”.
De Tour was in ’62 voor Piet buiten beeld gekomen omdat de landenformule ingeruild werd voor die van de merkenploegen. En Libertas, de nieuwe werkgever, kon zich in dat geweld niet mengen.
Pellenaars lijft in 1964 Pietje als ancien in bij zijn Televizier-brigade. Inmiddels is er een nieuwe lichting in aantocht met mannen als Karstens, Zoet en Haast. Ook de organisatie is duidelijk gemoderniseerd. De Pel is nu alleen ploegleider. Het vaste maandsalaris wordt door Televizier maandelijks overgeschreven. De renners stonden daar gewoon op de loonlijst. Sociale verzekering geregeld. Voor het eerst in mijn leven kreeg ik zelfs kinderbijslag”. Om dan met enig leedvermaak te vervolgen: “Maar ja ik had maar inne zoon”. Blijven afzien dus. Een beroepscoureur met kinderbijslag. Voor de generatie van Piet en Jaap klinkt het wat onwerkelijk. Het is een andere wereld, waarin hun carrière ook langzaam begint weg te deemsteren. De rek raakt uit het elastiek ( waarmee ze in België zo vaak de lengte van de koers maten). All things must pass.

Alpe d’Huez revisited

Een beroepsrenner is een moderne nomade. Toen misschien nog wel meer dan nu. Vliegen was meer dan pure luxe. De auto was al heel wat. En niemand die mauwde als het zaakje direct na afloop van Parijs-Brussel ingeladen werd. Om volgas naar Zuid Frankrijk te sjezen waar de volgende morgen al een nieuwe koers wachtte.
Van de andere kant had het ook wel iets. En als je dan in den vreemde was wilde je dat ook laten weten aan het thuisfront. Als het even kon vanaf elke halte een prentbriefkaart. Te beginnen natuurlijk bij de trainingskampen die op een gegeven moment in zwang kwamen. Als het hier nog winterde spoelden ze aan op de Ligurische kust of aan de boorden van het Gardameer. Dé topvakantiebestemmingen van die dagen. Van Looy met zijn ploeg gaf het voorbeeld. “Faema, Carpano, wij. Allemaal zaten we daar. Trainen met 60-70 man, was geen uitzondering. Duurtraining was nog het credo. Pas de laatste 10 kilometer was vrij. Willy Vannitsen was dikwijls de rapste. Een klasbak die met twee keer opstappen al in vorm was”.
Thuis werden die kaarten uit verre oorden gekoesterd. Braaf ingeplakt. Mooie panoramakaarten van Bayonne, Pau, Zurich, Milaan, Varese. Of zoals die uit de Tour van ’59 van Grenoble en Alpe d’Huez.
Alpe d’Huez, mythisch oord. De berg waarop Nederland collectief gek wordt. Elk jaar opnieuw als de karavaan omhoog kruipt slaat de hysterie toe. Afgelopen zomer (2004; red.) vielen de gebitten toch wel echt uit. Want wie rijdt daar 45 jaar na het posten van dat ansichtkaartje Alpe d’Huez op? Onze Piet! Samen met Freek de Jonge en nog een paar handenvol Rabo-genodigden ploetert hij omhoog. Na twee uurkes komt ie als laatste man boven op zijn gele Concorde. De vork is weer afwijkend van kleur. Deze keer zwart carbon: “maar dat hebben ze tegenwoordig allemaal; en trouwens d’r was toch geen jury”. Luctor et emergo. Hulde aan Pietje Damen.

Oggi forte, Piet. Alpe d’Huez juli 2004

 

 

Theo Buiting

Theo Buiting, Eindhoven 1946. Eerste licentie 1965. Veel ambitie, weinig talent. Begon in die tijd ook met verhaaltjes over het fietsen. Na een stille periode met meer regelmaat vanaf eind 80'er jaren. Straatgenoot van vader en zoon Willy van der Heijden, renners/verhalenvertellers en hoofdpersonen in de novelle 'Weerborstels' van neef A.F.Th.


Geef een reactie