Da red d’an ifern. Dat is de onverharde weg richting helse verschrikkingen, gespeld in het Bretons. We hebben al 1130 regenachtige kilometers in de auto gereden, en zijn vastbesloten om die laatste 110 onverharde kilometers naar het inferno per fiets af te leggen. We bevinden ons vlakbij het einde der aarde, hier in Finistère, de plek waar Bretagne bijna ophoudt, en voelen een duivels verlangen om de rafelige rand van de wereld op te zoeken. Wel willen we dat met een goed gevulde maag doen en storten ons eerst op een vorstelijk ontbijt.

In het Clos de Tromenec, een prachtig landhuis dat aan een afgelegen landweggetje tussen Lannilis en Landéda ligt, treffen we Alexandre Pichot bij het ontbijt. Alex is renner in dienst van het Franse team Direct Energie. Hij trok tijdens de laatste editie van Parijs-Roubaix de aandacht van de camera’s, toen hij staand op de pedalen rondreed met zijn zadel in zijn hand. Terwijl hij ons vertelt hoe zwaar een kilometer in de hel van het Noorden is op het moment dat je zadel is afgebroken, spieken wij op zijn ontbijtbord. 3 aardbeien, 4 sneetjes brood met roomboter, een croissant, Jus d’orange en een crêpe, druipend van eucalyptus honing. Zonder iets te laten merken, schuiven wij precies hetzelfde ontbijt naar binnen. Onze laatste maaltijd is in elk geval professioneel verantwoord.

We laten Alex een foto zien van een kleine man met lang witgrijs engelenhaar dat op zijn smalle schouders rust. Zijn haardos doet denken aan die van de Amerikaanse zanger David Crosby. Een witte baard zou het beeld van een druïde compleet maken, ware het niet dat zijn kin en wangen gladgeschoren zijn. Een blauwgrijs sjaaltje heeft hij artistiek om zijn hals gedrapeerd. Ter hoogte van zijn hart staat op zijn zwart gewatteerde winterjas in witte letters Tro Bro Leon geschreven. Met tussen de woorden Bro en Leon 3 gebogen spiralen, die gezamenlijk één figuur, een triskell vormen. Het Keltische symbool dat voor de Bretons een soortgelijke waarde moet hebben als het pompeblêd voor de Friezen.

Alex herkent hem meteen. Het is Jean-Paul Mellouët, de man die de hel van het Westen op zijn tekentafel uitdacht en deze tot Tro Bro Leon doopte. We liepen de directeur sportif gisteravond tegen het lijf toen we door het village départ liepen dat net buiten het centrum van Lannilis werd opgebouwd aan de Rue de Kerdrel. Toen hij ons vriendelijk toelachte en we in zijn zacht toegeknepen ogen keken, konden we haast niet geloven dat deze man met een sadistisch genoegen de meest grove Bretonse boerenpaden aan elkaar moet hebben geregen. De Ribinou waar hij dit jaar alweer voor de 33e keer een peloton vol kwetsbare renners over heen jaagt. Zanderige karrensporen met vaak zo’n verraderlijk gladde grasstrook in het midden en met overal van die venijnig puntige steentjes. Kleine bermbommen die geduldig en meedogenloos wachten om rubberen tubes te laten ontploffen en het moraal van menig wielrenner weg te vagen.

HJ20160415-23693025

Alex heeft als prof het geluk dat hij de offroad to hell nog een dag kan uitstellen. Na een uurtje losfietsen zal hij snel weer zijn bed in duiken. Terwijl wij vandaag al, met nog zo’n 350 anderen de cyclo-editie van het inferno, ondergaan. Als ware proefdieren.
Tijdens de inschrijving lopen we Graham Cheeseman en Dough Allan tegen het lijf. De beide mannen uit Londen discussiëren druk met elkaar wat nu de beste keuze is: 25 mm of 28 mm. Om het pleit te kunnen beslechten vraagt Cheeseman naar onze bandenkeuze. 42 mm zeggen we met een valse glimlach. Wij rijden vandaag op een waar racemonster, een Cannondale Slate die met een stijf frame, een kromgebogen stuur plus een licht verende lefty-voorvork en brede slicks het beste van een racer en een atb combineert.
“What?”
“Forty-two?”
“Cheaters!” bijt Cheeseman ons toe.
We lachen en vertrouwen hem op geheimzinnige toon ook nog toe dat we vanochtend de banden van Alexandre Pichot geïnspecteerd hebben: 28 mm. Yes! Schreeuwt Dough. Op hetzelfde moment krijgt het gezicht van Cheeseman de aanblik van een uitgedroogde camembert. Moedeloos druipt hij af.

Kort voor de start klinkt Alain Souchon uit de speakers, die met zijn ecoutez d’où ma pein vient quasi wijze zinnetjes over ons uitstort over levens die licht en zwaar kunnen zijn en afstanden die lang en kort kunnen wezen. Zodra de starter op zijn fluit blaast en twee vrijwilligers het blauwe koord omhoog tillen dat voor het peloton van amateurs gespannen is, flitsen wij in het wiel van een stel snelle Bretonse renners de weg over, als de TGV die door Alain ook bezongen wordt in zijn chanson.

HJ20160416-23693171

We steken de Pont de Paluden over, de brug die ons over de prachtige zeearm Aber-Wrac’h tilt, langs het even schilderachtige haventje van Paluden. Aan deze kade stond de toen 34-jarige Jean-Paul Mellouët vlak nadat hij op televisie zijn leeftijdsgenoot Hennie Kuiper Parijs-Roubaix zag winnen. Op die regenachtige zondagmiddag in april 1983, kwam Mellouët op het idee om in het ruige landschap van zijn jeugd een parcours te tekenen waarop met de fiets nieuwe legenden geschreven konden worden.
De schoonheid en de historie van deze plek ontgaat ons volledig. Wij racen door, slechts starend naar het wiel voor ons. Hoofdschuddend komt fotograaf Henri naast ons rijden en schreeuwt ons toe dat hij op deze manier al die mooie plaatjes wel vergeten kan.

In Kervalanoc stuiven we de eerste ribin op. Het is een boerenweggetje waar stukken asfalt schots en scheef over elkaar geplakt zijn als stukjes platgetrapte kauwgom. Daarna hobbelen we over de zanderige en bochtige ribins van ondermeer Kergroades, Kerjegu en Kerdrouc’h. In de geest van de Jack Kerouac, de Amerikaanse schrijver van On the road, wiens voorouders uit Finistère kwamen, zijn we bij het oprijden van de ene ribin de onverharde strook die we daarvoor namen al vergeten. Nothing behind me, everything ahead of me, as is ever so on the road.

HJ20160416-23693253

Bij Porspoder ontvouwt zich voor onze ogen een hemels panorama van een azurblauwe zee waarin grove rotsblokken de rijzende golven doen breken. Suggestieve rotspartijen omringen de wonderschone baai die prachtig wordt uitgelicht door de lentezon. Het uitzicht heeft op ons de uitwerking van een  finalekoker.  De laatste helse kilometers doen onze benen volledig verzuren, maar we voelen het nauwelijks. We zijn euforisch wanneer we Lannilis weer bereiken en  vliegen als engelen over de finish. Daar ontvangen we als “les amis de Pays-Bas” een heuse trofee.

HJ20160416-23693965

Aan het eind van de dag plaatst fotograaf Henri de trofee op een ribin. Om vervolgens door de knieën te gaan. Het vormt een haast devoot eerbetoon aan de ribinou, de onverharde wegen van de Tro Bro Leon die hemel en hel met elkaar verbinden. The road is life om het in de woorden van Jack Kerouac te zeggenHoe zou dat eigenlijk in het Bretons klinken?


Team Hetiskoers! reed op uitnodiging van Tourisme Bretagne de Tro Bro Leon. De ribinou werden met een  cannondale Slate force CX1 bedwongen. We droegen helmen en brillen van Lazer en waren in het tenue van Sportful gestoken. Fietsmeting en onderhoud: Reinders Wielersport. Henri Santing, visual storyteller bracht de trip in beeld.  Onze geheimtip: Clos de Troménec.


image002    lazer HR    Logo-Nero    Reinders Wielersport LOGO

logo

Bort Hartog

Bort Hartog (1977) is in het dagelijks leven gezins- en relatietherapeut. Hij doet dit werk vanuit de systeemtheorie en is erg geïnteresseerd in de onderlinge wisselwerking tussen mensen in een sociale groep. Hij vindt het wielerpeloton een fascinerende sociale gemeenschap en is daarom trots dat hij als kleine voetnoot voorkomt in het boek dat Maarten Ducrot hierover geschreven heeft (Wie de trui past, trekke hem aan). Opgegroeid in een goed gereformeerd gezin, keek hij op zondag nooit televisie. Hij heeft daardoor lang niet geweten dat Greg Lemond de Tour van 1989 gewonnen had. Hij heeft recentelijk - op zondag - de Mortirolo, Gavia en Stelvio bedwongen en bevindt zich daardoor nog steeds in hogere sferen.