‘Wielrennen is eigenlijk helemaal geen sport’ – Interview met Peter Winnen

By |vrijdag 22 juli 2011|

Op de laatste donderdagavond van de Tour van 2011 bel ik Peter Winnen. Zijn vrouw neemt op. ‘Ik ga hem even halen,’ zegt ze, ‘hij is met zijn fiets bezig.’ Er verschijnt een glimlach op mijn gezicht. Dit is hoe het hoort te gaan als je een oud-renner belt.
Als Winnen de telefoon overneemt, stel ik me voor dat zijn handen onder de smeer zitten, en dat hij nog even liefdevol omkijkt naar zijn fiets voordat hij de schuur uitloopt om ergens te gaan zitten voor ons gesprek.

‘Dat was nogal een nummertje van de jonge Schleck,’ zegt hij als ik hem vraag of hij de etappe heeft gezien. ‘Je hebt goeie poten als je dat kunt afbrengen. Geweldig. Aan de andere kant hebben de Schlecks zichzelf misschien in ’t pak gestoken, want zijn broertje zat nu in de tang, en die moet ook nog tijd winnen op Evans voor de tijdrit. Het is ook nog even te zien hoe de jongste Schleck zich herstelt, dit is niets iets wat zomaar weg is.’

Peter Winnen in 1981Hier spreekt een ervaringsdeskundige. De dag nadat Winnen in 1981 tijdens zijn eerste Tour de France de ritwinst op Alpe d’Huez pakte, waren zijn benen ook leeg. Er zat een etappezege in, geen jus meer.

Ik vraag Winnen of hij een favoriet heeft. ‘Niet echt,’ zegt hij. ‘Voor de Tour had ik verwacht dat Contador beter in orde zou zijn, maar die verloor al veel tijd bij de eerste valpartij. Daarna is hij niet meer de oude geworden. Hij is er nu definitief uit gereden, en Evans heeft ook een behoorlijke jas uitgedaan. Maar die staat er nog steeds. Ze moeten morgen opnieuw proberen hem te tackelen.’

Het vak leren
Winnen reed zijn eerste Tour in 1981, voor Capri Sonne. Hij was verrast toen zijn ploegleider hem vertelde dat hij mee mocht, dat had hij niet direct verwacht. ‘Ik was nog jong en had niet zoveel laten zien. Maar in het voorjaar was ik goed in het gebergte, en toen mocht ik mee. Mijn opdracht was rondkijken en het vak leren, eventueel in een bepaalde rit meezitten. Er was weinig druk.’
Zijn opdracht slaagde wonderwel. Als Tourdebutant een ritzege boeken is voor veel renners slechts een prachtige droom, maar Winnen deed het. ‘Ik was niet bang voor de Tour, ondanks dat de oudere jongens wel hadden verteld dat het een bijzondere wedstrijd was, met niets te vergelijken. Ik was vooral nieuwsgierig. Ik wist niet of ik überhaupt wel drie weken op mijn fiets kon blijven zitten.’ Op de vraag of hij van tevoren zijn zinnen had gezet op de etappe naar Alpe d’Huez – zoals Ten Dam en Mollema tijdens deze Tour hebben gedaan – antwoordt Winnen ontkennend. ‘Absoluut niet. Ik wist niet wat ik van de Tour moest verwachten, laat staan van de Alpen. Ik had nog nooit dat soort dingen gedaan en ik kon me er werkelijk geen voorstelling bij maken. Dat ik gaandeweg de ronde beter begon te rijden, was ook voor mij een verrassing.’

Verwachtingen
Voor Winnen was er weinig druk en veel succes. Zou Gesink op dit moment gebukt gaan onder de hoge verwachtingen? Winnen denkt even na en antwoordt dan: ‘Gesink kan wel tegen de druk, maar als hij zelf in de stress schiet, zoals nu door die val en de blessure, wordt hij heel kwetsbaar. Ook mentaal. Hij moet wat onverschilliger worden. Pech is er nou eenmaal, daar moet je een bepaalde weerstand tegen kunnen bieden.’

Winnen reed een fantastische eerste Tour. Niet alleen vanwege zijn imponerende etappezege, hij eindigde ook op de vijfde plek in het eindklassement. De Tour van 1981 betekende zijn doorbraak. Het was een indicatie van wat hij kon, en hij werd genoemd als de opvolger van Zoetemelk. ‘Maar die verwachtingen heb ik zelf moeten temperen,’ vertelt hij. ‘Want zo goed was ik nog niet. Zoetemelk was een veel completere renner dan ik, mijn tijdritten waren zwakker. In de bergen kon ik goed mijn mannetje staan, maar er is meer nodig om een ronde te kunnen winnen. Je moet vooral zelf reëel blijven, en voor mij was dat niet lastig. Maar je kreeg in die tijd meteen een etiket aan je oren. Je hebt verwachtingen gewekt, dan hoor je ze maar waar te maken. Er werd toen heel makkelijk over gedaan. De jaren tachtig waren tijden van grote overwinningen. Raleigh won veel, Zoetemelk won de Tour, men dacht dat dat zo door zou gaan. Dat het allemaal niets kostte.’

Winnen op Alpe d’Huez
Een gouden tip voor renners als Gesink die willen winnen op de Alpe? ‘Goed slapen en eten,’ antwoordt Winnen lachend. ‘Ik weet niet wat er nog te redden valt. Misschien is Gesink stiekem toch in orde en heeft hij vandaag op reserve gereden, maar die indruk gaf hij niet. Als je morgen wilt winnen moet je super zijn. Het is een kort ritje en het tempo zal hoog zijn, zeker op de slotklim. Er moeten nog verschillen gemaakt worden voor het klassement. Als je de etappewinst wil pakken morgen moet je vanuit het vertrek weg zijn, maar dan is het risico dat je onderweg stilvalt enorm. De kans is klein dat het morgen gaat lukken.’

Eerst waren er woorden, toen was er wielrennen
Van Santander naar SantanderWinnen heeft veel geschreven over zijn geliefde sport, en zijn ervaringen in het peloton. Wie van wielrennen houdt, behoort in elk geval Van Santander naar Santander gelezen te hebben: één van de beste Nederlandse wielerboeken ooit verschenen. Maar niet alleen Winnen schrijft graag en veel over de wielersport. Er zijn meer wielerschrijvers dan wielrenners. Waarom wordt er zoveel over wielrennen geschreven?

Winnen is stellig in zijn antwoord: ‘Eerst waren er woorden, en toen pas was er wielrennen. De sport is gemaakt om over te schrijven. Elke etappe, elke koers is een verhaal apart. De zware koersen werden eind 1800 georganiseerd door kranten, omdat ze fantastische verhalen voortbrachten waar over geschreven kon worden. Wielerkoersen werden georganiseerd uit een economisch belang: de kranten wilden een omzetverhoging, en het liefst ten koste van hun concurrenten. En het enige dat ze daar voor nodig hadden was een stelletje idioten dat op een fiets de wildernis in gestuurd wilde worden. En dat is eigenlijk wielrennen.’ Winnen lacht als hij eraan toevoegt: ‘Het is eigenlijk helemaal geen sport, maar gaat er ver boven uit.’

Ik zwijg even. Winnen ook. Ik beeld me in dat hij terugverlangt naar zijn fiets. Hij wil niet over fietsen praten, hij wil fietsen.

Dan voegt hij toe: ‘Een daarom wordt er ook nu nog over wielrennen geschreven: omdat die idioten bestaan, die op die fietsen zitten.’

Lidewey van Noord

Lidewey van Noord (1985) is freelance (sport)journalist, schrijver en redacteur. In haar vrije tijd geeft ze Nederlandse les aan expats en maakt ze wielergerelateerde pelgrimstochten door Italië. Bovenaan haar lijst met verhalen die ze nog wil schrijven: ‘Mijn Route 66-roadtrip met Taylor Phinney’ en ‘Cowboy Lance en de whiskyproeverij’.


Werkte mee aan:

Related Post

One Comment

  1. Robert Vuijk 22/07/2011 at 09:24 - Reply

    Ik heb het geluk gehad een dag op te trekken met Peter. Het was het WK van ’98. Noodweer was het dus als de renners voorbij waren doken we de kroeg weer in om heerlijk over wielrennen te bomen. Ik heb toen ook ‘Van Santander naar Santander’ van hem gekregen. Een fantastische sportman zonder een greintje verbeelding. Ik koester zowel die dag als het boek als één van mijn fijnste wielerherinneringen. Het enige dat er aan ontbrak was een wereldtitel voor Boogerd.

Geef een reactie