Alberto Contador wilde niet

By |woensdag 10 oktober 2018|

Om de herfst te vieren, plaatsen we hier een verhaal uit Pellegrina, een Italiaanse wielerbedevaart (een ontzettend herfstig wielerboek). In dit verhaal bezoekt de wielerpelgrim Tualis, het lieflijke dorpje in Friuli waar Alberto Contador in de Giro van 2011 niet heen wilde fietsen.

Friuli-Venezia Giulia, zoals de beeldschone stiefdochter van Italië voluit heet, kent een roerige geschiedenis. Iedereen wilde haar wel adopteren: de Italianen, de Oostenrijkers, de Joegoslaven. In 1866 kwam het westen van de streek bij Italië, in 1919 ook het oosten, maar de Italianen raakten de voogdij na de Vrede van Parijs in 1947 weer kwijt, toen Friuli’s hoofdstad Triëst een Vrije Zone werd. De stad werd tot 1977 onder internationaal gezag geplaatst, in de hoop dat dat de oplossing was voor het geruzie tussen Italië en Joegoslavië, en uiteindelijk verdeeld tussen beide landen. In De Ronde van Italië beschrijft Buzzati hoe de sfeer in de Giro verandert als het peloton in 1949 Triëst binnenrijdt:

‘“Leve de ronderenners, leve Cottur, leve Leoni,” riepen ze, maar vandaag bedoelden ze steeds iets anders, de inwoners van Triëst, iets groters, iets wat hen erg had aangegrepen en wat ze gewoonlijk voor zich hielden, maar vandaag eindelijk de wereld in geschreeuwd kon worden. En de coureurs, met de nummers op hun ruggen, begrepen dat ze allemaal gelijk waren geworden, dat ze Italianen waren, en anders niet, geen kampioenen meer, geen reuzen, locomotieven, menselijke torpedo’s, en gezamenlijk reden ze verder door die krachtige golven van liefde, en vergaten dat ze elkaars vijanden waren.’

Elke Italiaanse regio smeekt om Giro-etappes, maar voor de Friulische steden en dorpjes heeft de doorkomst van de nationale wielerronde extra betekenis, het is een bevestiging van haar nationaliteit en een erkenning van haar identiteit, die eeuwenlang op een wankele sokkel balanceerde. De inwoners van Friuli maken slechts twee procent uit van de Italiaanse bevolking, en op een Sloveense minderheid na wil Friuli erbij horen, er deel van uitmaken, Italiaans zijn, haar hoofd te ruste leggen in de schoot van haar Italiaanse adoptiemoeder in de wetenschap dat ze nooit meer aan een nieuwe moeder hoeft te wennen.

Gelukkig heeft ze prachtige bergen, waaronder de Monte Zoncolan en de Monte Crostis. Op een druilerige herfstdag kruip ik tegen de Monte Crostis op. Ik ben de enige die hier naar boven wil, en kennelijk wil er ook niemand weg, want ik kom de hele klim niemand tegen. Na zo’n vier kilometer klimmen kom ik aan in het piepkleine dorpje Tualis. Op het moment dat ik de auto parkeer en uitstap, rijdt een jongen van een jaar of zeven me op een mountainbiken voorbij, omhoog. Hij maakt een wheelie als hij me passeert. Meer is er niet nodig — ik val als een blok voor Tualis.

Het is zo’n innemend dorpje. De huizen zijn prachtig, sommige van hout, en de weinige mensen die ik zie, zijn allemaal hard aan het werk. Een vrouw met grijze haren en een gele bloemetjesjurk zwoegt tussen haar tien druivenstokken, een jonge man schildert de luiken van zijn charmante huis, een oude man in een blauwe tuinbroek loopt ergens heen met een tas vol lege wijnflessen. De tuintjes zijn allemaal verzorgd en overal bloeit wel iets kleurrijks. De enige valse noot die ik kan ontdekken is een geplastificeerd briefje dat op de vermolmde houten deur van een schuur is geplakt: OOK IN TUALIS GELDT DE REGEL DAT JE DE UITWERPSELEN VAN JE EIGEN HONDEN MOET OPRAPEN!!!!! Waarom nou juist ‘uitwerpselen’ zo vet en onderstreept, vraag ik me af. Er is eigenlijk maar één verklaring: de schrijver is niet verontwaardigd omdat mensen hondendrollen niet opruimen. Maar dat je uitgerekend hier in Tualis, het toppunt van beschaving, gedwongen wordt dierlijke uitwerpselen van de grond te rapen — hoe kun je dát van iemand vragen?

Ik ben hier niet omdat de Giro d’Italia Tualis heeft aangedaan in een legendarische etappe, of omdat er een memorabele wielrenner is geboren — ik ben hier omdat de Giro Tualis in 2011 níét heeft aangedaan. In de veertiende etappe zouden de renners de Monte Crostis beklimmen, maar ze protesteerden: de afdaling was te gevaarlijk en de weg was zo smal dat de ploegleiderwagens niet zouden kunnen volgen. De avond voor de etappe werd besloten gehoor te geven aan het protest en de route te veranderen. De inwoners van Tualis waren zo boos over het schrappen van hun geliefde Monte Crostis, de berg die hen van wieg tot sterfbed vergezelt, dat ze in opstand kwamen. Met als gevolg dat de organisatie nog tijdens de etappe besloot om Tualis uit veiligheidsoverwegingen helemaal links te laten liggen, waardoor het al aangepaste parcours nog eens met twintig kilometer werd ingekort. De bocht naar het dorpje werd geblokkeerd met politiewagens en agenten, waardoor er geen enkele renner meer door Tualis kwam.

Tot groot verdriet van de weinige inwoners. Er was in het dorp al decennia niets noemenswaardigs meer gebeurd, dus hadden ze groots uitgepakt. Ze gaven het schattige, door een laag muurtje omringde dorpsplein een nieuwe naam: Piazza Giro d’Italia. Het naambordje plaatsten ze vlak naast de enige boom op het pleintje, in het zicht van iedereen die het dorp binnenrijdt. En op hun kersverse Piazza Giro d’Italia onthulden ze een beeld in de vorm van een racefiets. De liefdevolle inscriptie, gedateerd 6 februari 2011, luidt:

Voor de Giro d’Italia en al haar wielrenners, die de ronde eren met hun enorme inzet en opofferingsgezindheid; die hele generaties sportievelingen enthousiast hebben gemaakt — wij zijn jullie dankbaar omdat jullie de Monte Crostis-beklimming en het Panoramica delle vette aan de wereld laten zien. Namens de inwoners van Tualis en Noiaretto, onderdeel van comune van Comeglians.

Er verscheen die zesde februari zelfs een artikel in La Gazzetta dello Sport, over de inauguratie van het eerste Piazza Giro d’Italia in Italië, daar in het afgelegen Tualis, midden in de Karnische Alpen, de mooiste uithoek van het land.

De man met de blauwe tuinbroek komt weer voorbijlopen, ditmaal zonder lege flessen. Hij groet me met een vriendelijk ‘Salve’. Ik groet terug, besluit dan een praatje met hem te maken. Het valt me zwaar om die ene vraag te stellen, maar ik weet dat ik het moet doen: ‘Meneer, ik zag net dat mooie monument op het dorpsplein. Wanneer is de Giro hier langsgekomen?’ Er verschijnt een wrange lach op zijn gezicht. ‘Nooit,’ zegt hij dan. Bitter voegt hij eraan toe: ‘Alberto Contador wilde niet.’

Zou Alberto Contador weten hoeveel leed hij hier in dit kleine plaatsje heeft aangericht? Dat alle inwoners van Tualis nu wegkijken van de metalen racefiets en hun eigen dankwoord, dat ze met een bloedend hart naar dat stomme Piazza Giro d’Italia-bordje kijken, dat ook nog eens midden in het dorp staat zodat ze er met geen mogelijkheid omheen kunnen?

Geduldig vertelt de man me het verhaal. Zijn ogen zijn zo blauw als zijn tuinbroek, zijn haar is zilvergrijs als de wolken die in het dal hangen. ‘Contador vond de afdaling van de Monte Crostis te gevaarlijk,’ zegt hij. ‘Dus toen hebben ze de route veranderd en zijn ze op de Monte Zoncolan gefinisht.’ Hij pakt mijn arm vast. ‘Kijk,’ zegt hij. Hij wijst in de verte, tussen twee hoge houten huizen door. ‘Je ziet nu niets vanwege de wolken, maar daar ligt de Zoncolan.’
Ik zie inderdaad niets vanwege de wolken.
‘Hij had heel veel tijd kunnen winnen in deze afdaling, Contador,’ zegt de man dan. ‘Het is een technische afdaling en hij kan goed dalen.’ Dan wijst hij naar de lege huizen om ons heen. ‘Er is niemand nu. Iedereen werkt in Udine of in Duitsland. De jongeren trekken weg uit de bergen — het is een slechte plek om te wonen. Er is niets meer hier. Vroeger woonden er achthonderd mensen in Tualis, nu zijn het er nog maar tachtig.’

We lopen een stukje verder, onze rug naar de Zoncolan. Hij wijst op een groot gebouw voor ons. ‘Dat was vroeger de school, daar zaten tachtig kinderen op. Nu staat het leeg.’
‘Wat verdrietig,’ zeg ik.
‘Ja, het is triest. Alles is gesloten hier. Niemand wil hier zijn.’
Ook Alberto Contador niet. Hoe je het ook wendt of keert, eigenlijk is dit gewoon allemaal zijn schuld.
‘Kom nog eens terug,’ zegt de man als we afscheid nemen.
Ik beloof hem dat ik terugkom als de Giro door Tualis komt.

Uit: Pellegrina, een Italiaanse wielerbedevaart van Lidewey van Noord en Robert-Jan van Noort, in 2016 verschenen bij Uitgeverij De Muur.

Lidewey van Noord

Lidewey van Noord (1985) is freelance (sport)journalist, schrijver en redacteur. In haar vrije tijd geeft ze Nederlandse les aan expats en maakt ze wielergerelateerde pelgrimstochten door Italië. Bovenaan haar lijst met verhalen die ze nog wil schrijven: ‘Mijn Route 66-roadtrip met Taylor Phinney’ en ‘Cowboy Lance en de whiskyproeverij’.


Schreef:

Related Post

One Comment

  1. Rick 12/10/2018 at 12:05 - Reply

    Over hoe het publiek in 1946 reageerde, zie mijn eerder stuk https://hetiskoers.nl/giro-route-was-altijd-al-politiek/

Geef een reactie