Met een lichte aarzeling in hun stem en duidelijk hoorbare terughoudendheid in hun woordkeuze richten twee Franse knechten zich tot hun kopman. Alsof ze kinderen zijn die op een mooie zomeravond, tegen beter weten in, aan een ouder vragen of ze heel misschien nog een half uurtje langer buiten mogen blijven spelen, doen Anatole Novak en André Zimmermann hun verzoek. Of ze vandaag wellicht niet voor één enkele keer hun eigen kans zouden mogen gaan? Mits hun kopman onderweg niet getroffen wordt door pech of een andere, onvoorziene, calamiteit. Vanzelfsprekend. Een kortstondig gevoel van spijt overvalt de twee op het moment dat ze hun vraag hardop hebben uitgesproken, maar verdwijnt onmiddellijk als het verzoek met een kortstondig ‘C’est bien!’ wordt gepareerd. In het korte antwoord klinkt duidelijk een stevige dosis nonchalance door. Zelfvertrouwen is immers niet bepaald iets waar het Jacques Anquetil aan ontbreekt, dus als zijn trouwe luitenanten voor aanvang van de vlakke negentiende Giro-etappe van 1964, terwijl hun kopman het roze stevig om de ranke schouders heeft, voor een dag hun eigen kans willen gaan, is dat geen probleem.

Cees Lute heeft bewondering voor de lef van zijn twee ploeggenoten. Zelf had hij een dergelijk verzoek nooit durven doen. Niet alleen omdat hij de Franse taal nog nauwelijks machtig is, zijn status binnen de Saint-Raphaël-ploeg, waar Anquetil de dienst uitmaakt, is ook beduidend anders dan die van Novak en Zimmermann. Als de renners in de Giro van 1964 een visitekaartje met hun status in hun achterzak hadden gehad, zou er op dat van Lute ‘jongste bediende’ hebben gestaan. Amper twee maanden eerder was de 23-jarige Noord-Hollander nog een zogenaamde ‘b-professional’. Te klein voor het tafellaken, te groot voor het servet. In dienst van de Caballero-ploeg start Lute voornamelijk in kleinere profkoersen en in wedstrijden die dienen als soort van voorprogramma voor de a-profs. Hij rijdt er in het vroege voorjaar van 1964 fraaie uitslagen bij elkaar, met als uitschieters winst in de Vlaamse Elfstedenronde en een tweede plaats in Gent-Wevelgem. Let wel, bij de b-professionals dus.

Het levert Cees Lute tot zijn eigen verbazing een transfer op naar de meest vooraanstaande ploeg van dat moment: Saint-Raphaël. Het Franse team, bestierd door oud-renners Raymond Louviot en Raphaël Géminiani, herbergt met Jacques Anquetil niet alleen de – op dat moment – enige ooit die alle drie de grote rondes heeft weten te winnen, maar heeft ook toppers als Rudi Altig, Seamus Elliott, Jean Stablinski en Jo de Roo in haar gelederen. Laatstgenoemde is een van de liefst zes renners in de ploeg in wiens paspoort de landcode NL staat. Ploegleider Louviot heeft een voorliefde voor Nederlanders, die in zijn ogen uitblinken in het fietsen over vlakke wegen terwijl de wind pal op kop staat. Behalve De Roo ontvangen ook Arie den Hartog, Ab Geldermans, Bas Maliepaard en Michel Stolker elke maand een salarisstrookje van Saint-Raphaël. In 1963 hoorde ook Jan Hugens in dat rijtje thuis, maar de Limburger besloot aan het einde van het jaar te verkassen naar de Televizier-ploeg van Kees Pellenaars. Die overstap opent de deur voor Cees Lute, want Louviot wil Hugens bij voorkeur vervangen door een andere Nederlander.

Ab Geldermans

Hugens is niet de enige landgenoot aan wie Lute zijn dank mag betuigen. Als Louviot bij Ab Geldermans informeert wie toch die succesvolle b-professional is, is het contact snel en gemakkelijk gelegd. Tot groot genoegen van Louviot kan Geldermans zijn ploegleider namelijk vertellen dat Lute niet alleen een provinciegenoot is, de twee zijn bovendien lid van dezelfde Noord-Hollandse wielervereniging, BRC Kennemerland uit Beverwijk, en trainen zelfs met regelmaat samen. Dankzij de bemiddeling van het fictieve bedrijf ‘Geldermans Kruiwagens B.V.’ rijdt Cees Lute nog geen drie weken na zijn tweede plek bij de b-professionals in Gent-Wevelgem ineens tussen de wereldtop in Luik-Bastenaken-Luik. In het rood-wit-blauwe tricot van sponsor Saint-Raphaël, een Frans wijnaperitief. Tot zijn eigen stomme verbazing wordt Lute nog eens twee weken later, net als maatje Geldermans, naar Bolzano gestuurd waar de Giro d’Italia aan haar 47ste editie begint.

De Saint-Raphaël-ploeg heeft in Italië maar één doel: Anquetil aan de eindzege helpen en hem zo in staat stellen in één en hetzelfde seizoen de Giro en de Tour te winnen. Iets dat tot dan toe alleen Fausto Coppi is gelukt. Twee maal zelfs, eerst in 1949 en drie jaar later had Coppi zijn huzarenstukje nog eens herhaald. Anquetil deed al vaker een poging beide rondes in hetzelfde jaar op zijn palmares bij te schrijven, maar zonder het beoogde resultaat. In 1959 werd hij tweede in Italië en derde in Frankrijk. Twee jaar later boekte Anquetil weliswaar een Tourzege, zijn tweede, maar moest enkele weken eerder in de Giro zijn meerdere erkennen in Arnaldo Pambianco. In het tussenliggende jaar had Anquetil dan weer wel de Giro gewonnen, maar de Tour aan zich voorbij laten gaan. In 1962 en 1963 verkoos de Fransman de Vuelta, die dan nog in het voorjaar verreden wordt, boven de Giro als voorbereiding op de ronde door zijn thuisland. Het had hem in 1963 de dubbel Vuelta-Tour opgeleverd en dus is Anquetil er een jaar later veel aan gelegen zowel de Ronde van Italië als die van Frankrijk te winnen. Aan Cees Lute de schone taak hem, als een van zijn trouwe helpers, terzijde te staan.

Met eigen succes is de Noord-Hollander in Italië dan ook eigenlijk niet bezig. Het verdedigen van de roze trui, die Anquetil na de vijfde etappe, een 50 kilometer lange tijdrit tussen Parma en Busseto, in zijn bezit heeft gekregen, is de enige prioriteit binnen de Saint-Raphaël-ploeg. Iedere dag komt er dan ook haast geen ontsnapping tot stand waarin niet tenminste een van de knechten van Monsieur Chrono, zoals Anquetil dankzij zijn tijdritkwaliteiten genoemd wordt in het peloton en daarbuiten, mee springt om de belangen van de kopman te behartigen. Ook Cees Lute zit meermaals in een ontsnapping, maar altijd in het laatste wiel en zonder een trap te veel te doen. Als een zak zand die voorkomt dat een luchtballon verder de hoogte in stijgt, belemmeren de knechten van Saint-Raphaël menig kopgroep te veel voorsprong te nemen. Helpen om de vlucht tot een goed einde te brengen en meestrijden om de dagzege is ten strengste verboden, maar nu Anquetils eindzege steeds meer in zicht begint te komen en er een vlakke etappe tussen Alessandria en Cuneo op het menu staat, wagen Anatole Novak en André Zimmermann de gok en besluiten hun kopman om diens permissie te vragen. Er zijn de komende dagen weliswaar nog twee loodzware Alpenetappes te verrijden, waarin onder meer de Madeleine, de Izoard en Sestrière bedwongen dienen te worden, maar dat maakt juist dat de naaste belagers van Anquetil in de vlakke, 206 kilometer lange, tocht naar Cuneo hun kruit droog zullen houden en krachten zullen willen sparen. Anquetil geeft zijn trouwe ploeggenoten zijn zegen. Net zoals vijf dagen eerder Paus Paulus VI zijn zegen had uitgesproken over het Giro-peloton in het algemeen en Jacques Anquetil in het bijzonder.

Paus

Voor de start van de vijftiende etappe, van Rome naar Montepulciano, had het peloton op audiëntie mogen komen bij Zijne Heiligheid, die niet alleen te kennen had gegeven een groot sportliefhebber te zijn en de renners te bewonderen, de Paus had ook met name Anquetil geprezen, om diens vier Tourzeges en eerdere Girowinst in 1960. Het bezoek had het ego van de Fransman een dusdanige ‘boost’ gegeven dat hij voor de resterende acht etappes eigenlijk nog maar een geduchte tegenstander te vrezen had: de immer onberekenbare pechduivel. Die had zijn aard twee dagen later al getoond, de Pauselijke zegen ten spijt. In de zeventiende etappe naar Santa Margherita Ligure, een stadje aan de Italiaanse Rivièra, komt Anquetil ten val. Het kost hem niet alleen duur tijdverlies op zijn voornaamste concurrenten, van wie Italo Zilioli en titelverdediger Franco Balmamion, het gevaarlijkst lijken, het levert Monsieur Chrono ook een pijnlijke linkerhand op. Röntgenfoto’s wijzen uit dat er niets is gebroken en dat er slechts sprake is van een verstuiking. Anquetil kan zijn weg vervolgen, maakt dankbaar gebruik van de geplande rustdag daags na zijn tuimelpartij en kan tijdens twee relatief gemakkelijke etappes op krachten komen voor de apotheose in de Alpen.

Maar eerst mogen zijn ploeggenoten voor een keer hun eigen kans gaan op weg naar Cuneo. Mits ze niet allemaal tegelijk en niet teveel van hun krachten verspillen. Bovendien gooit Anquetil halverwege de etappe hoogstpersoonlijk nog even roet in het eten, lijkt het. Enkele kilometers lang bungelt hij achteraan het peloton. Mechanisch defect? Toch te veel pijn van zijn verstuikte arm? Hongerklop? Een golf van geruchten en speculaties, waar vlogster en professioneel roddeltante Yvonne Coldeweijer anno 2022 jaloers op zou zijn, baant zich in hoog tempo een weg door het peloton en de volgerskaravaan. Schijn bedriegt, want niet veel later heeft Anquetil zich gewoon weer in de voorste gelederen bij zijn ploeggenoten van Saint-Raphaël vervoegd. Die trekken in het vervolg van de etappe naar Cuneo voortdurend ten aanval. Eerst is het Willi Altig, de oudere en iets minder succesvolle broer van Rudi, die met de Italiaan Giacomo Fornoni het hazenpad kiest. Dat pad blijkt echter al snel een doodlopend steegje. Zelfs als acht anderen bij het duo aansluiten is hun vlucht geen lang leven beschoren. Een volgende poging, van Anatole Novak, is succesvoller. Met nog ruim zeventig kilometer voor de wielen ontsnapt de Fransman in gezelschap van de Italiaan Giovanni Fabbri. Even later sluit de Spanjaard José Martín Colmenarejo bij het tweetal aan en in het uur koers dat volgt krijgen zij gezelschap van nog eens negen medevluchters. Overwegend Italianen zijn het. Statistisch gezien volkomen logisch, want van de dertien ploegen die aan de 47ste Giro zijn begonnen komen er liefst elf uit het thuisland. Het Franse Saint-Raphaël is met Flandria-Romeo uit België de enige buitenlandse afvaardiging in 1964. Tel daarbij op dat ploegen volgens het wedstrijdreglement van de Italiaanse koersdirectie maximaal drie renners mogen opstellen met een andere nationaliteit dan die van de ploeg zelf en het zal niemand verbazen dat de overgrote meerderheid van het Giro-peloton uit Italianen bestaat. Slechts drie Nederlanders starten in 1964. Behalve Cees Lute en Ab Geldermans stapt ook Huub Zilverberg in Italië op, gehuld in de rood-witte koerstrui van Flandria-Romeo.

Op tien kilometer van de aankomst in Cuneo hebben de vluchters een kleine anderhalve minuut voorsprong op het peloton. Drie van hen rijden in het tricot van Saint-Raphaël, want onder de negen renners die bij Novak, Fabbri en Colmenarejo zijn komen aansluiten, zijn André Zimmermann en Cees Lute. Om de vlucht van hun ploegmakker te beschermen en de kans op een dagsucces voor een van hen te vergroten, zijn ze mee geslopen met de zeven Italianen die als ware het een ploegentijdrit naar de drie koplopers waren gedenderd. Het numerieke overtal van Saint-Raphaël smelt wanneer Zimmermann, net als Colmenarejo, met een mankement aan zijn fiets te maken krijgt, waardoor uiteindelijk een kopgroep van tien op de witte krijtlijn in Cuneo afkoerst. Lute monstert zijn negen metgezellen en weet dat hij niet kansloos is. Bepaald niet, zelfs. De Noord-Hollander is geen topsprinter, maar zeker ook geen strijkijzer en in een select groepje kan hij voor de overwinning spurten. Bovendien heeft Lute met Novak een ploegmakker aan zijn zijde. De enige andere ‘tandem’ in de kopgroep bestaat uit het Italiaanse koppel Giovanni Fabbri en Francesco Miele van de Cile-ploeg. In de straten van Cuneo zijn ze geen partij voor Cees Lute. Hun medevluchters evenmin. De Noord-Hollander hoeft zijn sprinterscapaciteiten slechts kortstondig aan te wenden en kan al ruim voor het passeren van de verlossende eindstreep zijn linkerarm opheffen en een vreugdekreet slaken. Met een blik in zijn ogen die het midden houdt tussen enthousiasme en verbazing eist Lute de overwinning voor zich op. Zoals een kind kan kijken dat op school het antwoord weet op de door de leerkracht gestelde vraag, zijn vinger opsteekt en dan pas ziet dat hij de enige van de klas is. Naaste belager Diego Ronchini moet meer dan een fietslengte op de etappewinnaar uit Castricum toegeven. De acht anderen komen er helemaal niet aan te pas.

Milaan

Ondanks het ferme overwicht van de voltallige Saint-Raphaël-ploeg is het, na de tijdritzege van Anquetil in de eerste week, pas hun tweede ritwinst in de Giro van 1964. Het onderstreept eens te meer hoe zeer het binnen de ploeg draait om de eindzege van hun kopman. Die komt er drie dagen later in Milaan. In de twee Alpenetappes laten vooral Franco Bitossi, Gianni Motta, Vittorio Adorni en Italo Zilioli zich gelden, maar als de balans wordt opgemaakt blijken zij voor niet meer dan ritzeges en ondankbare ereplaatsen in het algemeen klassement te hebben gereden. Ondanks een verstuikte arm en verwoede pogingen van Italiaanse politieagenten – motoragenten rijden Anquetil en ploegleider Raphaël Géminiani meermaals hinderlijk in de weg op de Alpencols, waardoor hen de doorgang op de smalle bergwegen bemoeilijkt wordt – komt de roze trui nooit serieus in gevaar. Cees Lute mag dus voor de tweede maal in slechts enkele dagen het podium op. Na zijn ritzege in Cuneo ditmaal in Milaan, om met zijn kopman en de rest van de ploeg de eindoverwinning te vieren. Willi Altig maakt het feest bovendien compleet door de slotetappe op zijn naam te schrijven.

Even lijkt het erop of Cees Lute precies 15 dagen na het beëindigen van de Giro ook in de Tour mag starten. De ploegleiding van Saint-Raphaël heeft voor aanvang van de Italiaanse ronde aangekondigd met zoveel mogelijk hetzelfde team als in de Giro Anquetil aan zijn ‘dubbel’ te willen helpen. Al moeten enkele Franse knechten op voorhand hun plek afstaan aan Jean Stablinski, Jean-Claude Lebaube en Jo de Roo en wordt Willi Altig ingeruild voor zijn jongere broer Rudi. De naam van Cees Lute blijft lang in de voorlopige Tourselectie staan. De wegens vormgebrek voor de Giro gepasseerde Seamus Elliott is echter niet van plan ook de Tour te missen en geniet door zijn dienstjaren en erelijst bovendien een zekere status binnen de ploeg. Een persoonlijk telefoontje van de Ier naar zijn kopman is voldoende om een plekje in de Tourploeg af te dwingen. Ten koste van… Inderdaad. Van Cees Lute. De Noord-Hollander moet noodgedwongen thuisblijven en na afloop van maatje Geldermans, die wel mee mag, horen hoe het was om Anquetil aan zijn begeerde dubbel Giro-Tour te helpen.

Lute mag een jaar later alsnog naar Frankrijk afreizen en zijn Tourdebuut maken. Zonder Jacques Anquetil. Die vindt het na zijn vijfde Tourzege in 1964 wel best en laat de drieweekse expeditie door zijn thuisland aan zich voorbij gaan. Lucien Aimar vertrekt als kopman van de tot Ford France omgedoopte Saint-Raphaël-ploeg. De afwezigheid van Anquetil biedt zijn knechten kansen, zoals muizen op tafel dansen als de kat van huis is. Met zijn teammaten wint Lute op de openingsdag meteen de ploegentijdrit, maar solosucces in de Tour blijft uit. Nipt, dat wel. Twee keer is Lute er akelig dichtbij, maar in de vierde etappe naar Saint-Brieuc sprint de Belg Edgar Sorgeloos net iets sneller en tien dagen later krijgt Lute in de straten van Montpellier klop van de Italiaan Adriano Durante. Millimeters scheelt het. Meer niet. Het verschil tussen de voorwielen van Lute en Durante is met het blote oog niet waarneembaar, maar de finishfoto wijst na enkele minuten toch echt uit dat het de Italiaan is die een Touretappe mag bijschrijven op zijn erelijst en niet de Nederlander. Ook in de allereerste editie van de Amstel Gold Race, we schrijven het jaar 1967, piest Lute net naast de pot. Ditmaal is het oud-Saint-Raphaël-ploeggenoot Arie den Hartog die hem dwarsboomt.

Erelijst

Het maakt dat de erelijst van Cees Lute niet veel langer is dan die ene Giro-etappe in 1964, een rit in de Vierdaagse van Duinkerken een jaar later en een paar criteriums, waarvan de Acht van Chaam het meeste aanspreekt. In 1968 eindigt de carrière van Cees Lute abrupt als hij tijdens een kermiskoers in het Belgische Overpelt hardhandig tegen het asfalt smakt. Een door de val veroorzaakte trombose in zijn linkerbeen dwingt hem per direct een punt achter zijn profloopbaan te zetten. Lute wordt datgene waartoe hij is opgeleid, timmerman. Daarnaast gaat hij zijn acht jaar jongere zus Anneke coachen. In een Fiat 1100, gekocht van het in de Giro van 1964 met zijn ritwinst en de eindzege van Anquetil bij elkaar gereden prijzengeld, tuft hij naar haar wedstrijden, die zich vooral op de baan afspelen. Bijna niemand van de aanwezige toeschouwers die Cees Lute er herkent of afweet van zijn Girosucces. De Italiaanse ronde bereikt Nederland in die jaren hoogstens via een minuscuul artikeltje in een ochtendkrant, vergezeld van een onduidelijke zwart-witfoto die al gitzwarte inkt afgeeft als je er alleen maar naar kijkt.

In de decennia die volgen duikt de naam van Cees Lute slechts heel sporadisch nog eens ergens op. Zoals in het voorjaar van 2018, wanneer de regionale omroep RTV Noord-Holland hem voorafgaand aan de Giro van dat jaar eens opzoekt. En natuurlijk prijkt zijn naam in het lijstje van nog geen twintig Nederlandse renners die er tot op heden in zijn geslaagd een rit te winnen in de Ronde van Italië. Komende vrijdag finisht er weer eens een Giro-etappe in Cuneo, in de Noord-Italiaanse regio Piëmont. Bijna zes decennia nadat Cees Lute er in 1964 als eerste de finish passeerde. De winnaar vrijdag zal nooit van de Noord-Hollander hebben gehoord. Zoals zovelen. Cees Lute en zijn ritzege zijn bijna vergeten. Maar niet helemaal.

 

Bekijk hier de reportage die RTV Noord-Holland in 2018 maakte: