Afgelopen zomer was ik in de Pyreneeën. Van Isaac had ik een Element gekregen om me eens even goed mee te vermaken. Het plan was om The Ride te rijden, de epische tocht van Bikegear.cc, maar een knieblessure maakte dat tot een te hoog gegrepen evenement. In plaats daarvan bezocht ik de Pyreneeën, om er tegen drie mythische cols op te rijden. De Tourmalet, de Aubisque en de klim naar Hautacam. In deel 2: de Col d’ Aubisque.

img_7009Er zou hier een uitzicht moeten zijn. Ik weet het zeker, dat heb ik gezien op Google Streetview. Vergezichten. Bergtoppen. Ravijnen. Ruige landschappen. Niets van dat alles. Het enige wat ik zie is de zwart-witte buis van mijn Isaac Element en een meter of drie in elke richting. Het enige wat ik hoor is het gezoem van mijn banden op het asfalt. Het enige wat ik voel is een prachtige combinatie van eenzaamheid en puur geluk. Ergens, aan het einde van dit asfaltlint, ligt de top van een berg. Althans, dat beweert men. De Aubisque in de mist.

Ik ben vergeten hoe lang ik onderweg ben. Vanuit Argeles-Gazost begon de klim naar boven en toen de wolken nog boven me hingen, passeerde ik enkele dorpjes met daarin winkelend volk, auto’s, kinderen. Het lijkt een eeuwigheid geleden. Ik ben nu in de wolken. Letterlijk. Ik voel ze op mijn gezicht, het vocht vormt druppels op mijn armwarmers. De schoenen druipen, ik voel vocht in mijn sokken. Op de klep van de koerspet danst een druppel tartend van links naar rechts. Mijn bril is bedekt met druppels en lijkt in constant gevecht met de condens. Mijn baard is vochtig.

Het is stil hier. Wat is het hier ongelooflijk stil. Druppels uit de wolken doen de bladeren boven me ritselen, maar meer is er niet. Geen auto’s, geen motoren, zelfs geen andere fietsers. Er zitten beren in dit gebied. Twee stuks. Zou ik er eentje uit de mist kunnen zien opduiken? Op de Tourmalet stonden dingen geschreven over ‘les ours’. Dat is dertig kilometer zuidelijker, een afstand die voor een beer in een middagje is af te leggen. God, stel je voor dat er nu eentje uit het struikgewas komt lopen. Wat zou dat fantastisch zijn. Misschien word ik wel bekeken. Wacht de beer even tot ik voorbij ben, om dan rustig zijn weg te vervolgen.

img_6951Een wildrooster. Nu ben ik in het terrein van het loslopende vee. Paarden, ezels, koeien, schapen. Het stiefelt hier allemaal op zijn dooie akkertje rond. De bebossing wordt dunner. Hier geen boerderijtjes meer, voor zover ik kan zien. Stront op de weg, papperig geworden door het vele vocht dat in de lucht hangt. Beneden wel de Isaac schoonmaken, straks. Nu eerst doorrijden. Aan het einde van het asfaltlint ligt immers de top van een berg.

De Isaac Element is gemaakt voor dit soort ondernemingen. Licht, stijf, scherp. Zoals zo vaak, ben ik de beperkende factor. Zou dat straks in de afdaling ook zo zijn? Niemand daalt graag in de regen, afgezien van Peter Sagan. Zeker niet met carbon velgen. Maakt ook niet uit. Zet eerst maar even door richting de top. En dan bedoelen we niet de Col du Soulor, de eerste piek die je tegenkomt op weg naar de beroemde grote fietsen op de top van de Aubisque.

Hard remmen nu. Uit de mist doemt opeens een enorme kudde schapen op, in juiste banen geleid door een heel serieuze border collie. De schapen mekkeren naar elkaar, blijven in contact. Het is een welkome pauze, gek genoeg. Ik zat in een prima ritme, maar stop graag even om wat schapen voorbij te laten gaan. Ze worden snel weer opgeslokt door de mist. Even blijf ik luisteren naar hun gemekker, maar het is tijd om door te rijden. De top van de Col du Soulor is niet ver meer.

image-2016-12-02-1Het is een apart intermezzo, deze Col du Soulor. Op zichzelf is het al een behoorlijk respectabele klim, maar iedereen weet dat het hier niet bij gaat blijven. Niemand rijdt de Soulor op en laat het daarbij. Ik merk dat ik dat zielig vind voor de Col du Soulor. Always the bridesmaid, never the bride. Ik besluit dan ook om er te stoppen en de Isaac tegen het bordje te zetten, om er een foto van te maken. Een ezel staart me vanaf de overkant van de weg aan. Bonjour, ezel van de Soulor. Hou deze bergtop maar mooi gezelschap.

Vanaf de Col du Soulor is het een stukje dalen, tot de definitieve klim naar de Aubisque begint. De mist neemt alleen maar verder toe en het dalen zorgt direct voor kou. Wordt nog wat straks. Het laatste stuk klimmen neemt langzaam toe in moeilijkheid, maar is nog altijd prima te doen. Hier geen oververhitte renner die wacht op het einde. Integendeel. Best fris.

Door de mist zie ik alleen het begin van de ravijnen naast me. Zouden ze diep zijn? Ik moet straks niet over de rand gaan in de afdaling. Niemand zal ooit weten dat ik er overheen ben gekieperd. Het is hier spookachtig. Verlaten. Een rilling over mijn rug. De mist maakt het beter.

img_6999Ik mis compleet het bordje van de laatste kilometer. Van de laatste twee, eigenlijk. Opeens is daar de top van de Aubisque. De top waar een maand later Robert Gesink vanaf de andere kant zal komen aanrijden, jaren van frustratie van zich afjubelend. Net zo plotseling als de top zich toont, zijn er mensen. Er waren dus wel degelijk fietsers, ik heb ze simpelweg nooit gezien. Ik kruip het café binnen voor koffie. Langzaam drinkend van deze koffie kijk ik op tegen de afdaling. Het is koud en glad. Ik wil niet.

Als ik het café weer uit stap, zie ik een bekende auto de parkeerplaats oprijden. Het is de mijne. Mijn vriendin is achter me aangereden. Opeens is de afdaling geen probleem meer; als zij achter me rijdt, zal ze het zien als het mis gaat. Alle spanning valt van me af en we duiken terug het café in. Nog maar eens twee koffie.

De afdaling van de Aubisque staat gelijk aan een halfuur billenknijpen. Auto’s komen soms op het laatste moment uit de mist zetten en ik probeer uit alle macht een beetje christelijk door de bochten te komen. Ooit sprak ik met Lieuwe Westra over afdalen op natte wegen en hoe grondig hij het haatte. Ik snap waarom. Ik snap waarom Bradley Wiggins ooit in de Giro al het vertrouwen in zichzelf verloor en stapvoets, metertje voor metertje de bergen af kroop. Maar waar ik bang voor was gebeurt niet. Ik val niet, ik schiet niet rechtdoor, de wielen raken niet oververhit door het vele remmen.

Als ik weer onder de wolken ben, droogt het wegdek op. In de laatste kilometers ga ik er nog even goed voor zitten en laat ik de Isaac definitief van de ketting. Zwiepend kom ik door de dorpjes aan de voet van de klim, een glimlach op mijn verkleumde kop. Verlangend naar een douche, wetend dat de klus geklaard is.

Die bergen en ik, het wordt nog wel eens wat.

Twitter
Latest posts by Ivo Pakvis (see all)