Als filmproducent Jeffrey Katzenberg op dinsdag 4 juli 1989 in Wasquehal was geweest had hij zonder twijfel met veel genoegen gekeken naar de scène die zich enkele uren na de vierde Touretappe voltrekt in een van de plaatselijke hotels. De topman van Walt Disney Studio’s zou enkele flarden uit het tafereel misschien wel hebben kunnen gebruiken voor het nieuwste project dat zijn leven op dat moment beheerst: een Disney-film over een jonge leeuw die op zijn weg naar volwassenheid kennis maakt met enkele onverbiddelijke levenslessen. Vooruit, de metafoor dreigt nu enigszins vergezocht aan te doen, maar net zoals de jonge Simba in The Lion King geregeld op zijn nummer wordt gezet door zijn ouders, krijgt in het rennershotel in Wasquehal een toekomstige leeuw een forse uitbrander van zijn meerdere te verduren. Katzenberg zou van een afstandje belangstellend hebben gade geslagen hoe ADR-ploegleider José de Cauwer zijn pupil Johan Museeuw, in 1989 pas tweedejaarsprof en nog niet de Leeuw van Vlaanderen die hij enkele jaren later zal zijn, in niet mis te verstane bewoordingen op zijn nummer zet. Museeuw had kort daarvoor kennis genomen van de officiële uitslag van de rit tussen Luik en Wasquehal en is zijn ploegleider om opheldering komen vragen.

Niet dat Museeuw recht meent te hebben op een hogere klassering in de rituitslag. Op Jelle Nijdam en zijn beroemde turbodijen had die middag simpelweg geen maat gestaan. Nadat de Nederlander in de straten van de aankomstplaats een uitvalpoging van Jerome Simon onschadelijk had gemaakt en in het gezelschap van Museeuw en de Denen Søren Lilholt en Jesper Skibby was neergestreken op het achterwiel van de Fransman, had het rode vod van de laatste kilometer de karaktereigenschappen van een drieste gnoe losgemaakt in het lichaam van Nijdam. In een animatiefilm als The Lion King zouden er op dat moment rookwolken uit zijn neusgaten zijn getekend om, net als bij de gnoes in het Disney-verhaal, de hevige krachtsexplosie luister bij te zetten. Nijdam voerde het tempo nog net niet op tot de maximumsnelheid van een slordige tachtig kilometer per uur die een gnoe op topsnelheid weet te bereiken, maar hij reed dusdanig hard dat er voor zijn vier medevluchters geen houden meer aan was. In een mum van tijd had de Nederlander een gat geslagen, groot genoeg om ruim voor de finish aan feestelijkheden te kunnen gaan denken. Al bleef hij in werkelijkheid tot kort voor de finish na elk tiental pedaalomwentelingen onzeker achterom kijken. Alsof er nog een kans was dat een van de geklopten ergens op zijn lichaam plots een onontdekte ‘turbo’-knop zou weten te vinden en Nijdam in extremis voorbij zou kunnen razen. Maar Museeuw, Simon, Lilholt en Skibby, die inmiddels gezelschap hadden gekregen van Miguel Induraín, restte niets anders dan een ondankbare sprintje om de nog  ondankbaardere tweede plaats in de uitslag. Het was de laatstgenoemde van de twee Denen geweest die Museeuw, Simon, Lilholt en Induraín verschalkte, in die volgorde, en zo het aanstormende peloton vol verraste en verslagen topsprinters nipt wist voor te blijven. Over de uitslag geen twijfel. Nijdam was simpelweg de beste van de dag. Punt. Uit. De sprints om de ereplaatsen en de bijbehorende punten voor de groene trui waren ook volgens de regels verlopen. Museeuws verontwaardiging enkele uren later zit hem ergens anders in. Om precies te zijn, in de rangschikking van de beste jonge renners die na elke etappe wordt opgemaakt.

Niet dat er voor de jongere renners in de Tour de France van 1989 nog veel eer te behalen is. Het ‘wassen neus’-klassement zou een treffende alternatieve benaming zijn voor de klassering die de Tourdirectie dagelijks destilleert uit de etappe-uitslag en waarin alleen renners overblijven die zijn geboren na 1 januari 1965. Enkele maanden eerder hebben de kersverse Tourdirecteuren Jean-Pierre Carenso en Jean-Marie Leblanc een fors aantal veranderingen aangekondigd in het doorgaans zo conservatieve Tourmilieu. De opvolgers van het even beroemde als beruchte directie-duo Jacques Goddet en Félix Lévitan, die enkele jaren eerder afzwaaiden, laten vanaf hun eerste werkdag een frisse wind waaien. ‘Simplification’ is het toverwoord dat commercieel leider Carenso en oud-renner en journalist Leblanc, die de technische kant voor zijn rekening neemt, bij iedere persconferentie bezigen, alsof hen een bonus is beloofd voor elke keer dat ze het woord uitspreken.

Belangrijkste verandering is dat de ronde voortaan op zaterdag begint en drie weken en één dag later op zondag eindigt. Tot en met 1987 duurt de Tour de France over het algemeen net iets langer en start vaak op een doordeweekse dag, maar in 1988 dwingt de UCI de Société du Tour de France haar wedstrijd met enkele dagen in te korten. Op die manier zou er meer ruimte op de internationale wielerkalender moeten ontstaan voor nieuwe koersen. Het noopt de Tourdirectie tot iets uitzonderlijks in de geschiedenis van de ronde. Aangezien de eerste officiële etappe dat jaar pas op maandag mag worden verreden, het aantal van eenentwintig dagen mag immers niet worden overschreden, verzinnen de Fransen een zogenaamde préface. Een combinatie van eerst een korte ploegentijdrit en aansluitend een individuele tijdrit van slechts één kilometer lengte, die door niet meer dan één renner van elke ploeg wordt afgelegd. De uitslag telt uiteraard niet mee voor de klassementen, maar de winnaar van de duizend meter lange chronorace mag wel de eerste gele en groene trui in de Tour van 1988 komen afhalen na afloop. Dankzij het eenmalige experiment kan Guido Bontempi zijn naam toevoegen aan de selecte lijst met renners die ooit deze leiderstruien om de schouders hadden.

Op een regenachtige oktoberdag in 1988 hamert Jean-Marie Leblanc op een UCI-congres in Den Haag met de bobo’s van de internationale wielerbond af dat de Tour voortaan drie volledige weken en een vierde weekeinde in beslag mag nemen. Een ander aspect dat Carenso en Leblanc aanpakken is de prijzenpot. Auto’s, zonnebanken, vakanties en allerlei toeters en bellen worden uit het prijzenarsenaal verbannen. Tot opluchting van de renners, die na het winnen van een etappe of het aanvoeren van een klassement nogal eens werden opgescheept met spullen waar ze bepaald niet naar tanen of alleen maar mee in hun maag zitten. Zo mag tweevoudig ritwinnaar Régis Clère in 1987, direct na de slotetappe op de Champs Elysées, live op de Franse televisie een oproep doen wie hem alsjeblieft zo snel mogelijk wil losmaken van de twee Peugeots 205 die hij bij zijn dagsuccessen cadeau heeft gekregen. De boerenzoon uit Dijon weet op die manier een auto te ruilen tegen een tractor en voor de ander zowaar een aardig geldbedrag te incasseren. Het levert leuke televisie op en een fraaie anekdote, maar is niet bepaald hetgeen waar sponsor Peugeot en de Tourorganisatie op zitten te wachten en dus doet Leblanc de door sponsoren ter beschikking gestelde prijzen in de ban. Klinkende munt voor klinkende prestaties, niet meer en niet minder. Ook het aantal sponsoren wordt drastisch teruggedrongen. Liever een handvol A-merken aan de ronde binden, dan een bonanza aan, vooral lokale en regionale, fabrikanten, winkels en bedrijven, die de aankomststraten met hun overdaad aan uitingen spontaan doen veranderen in schreeuwende reclamefolders en pijn doen aan menig paar ogen.

Waar Leblanc ook eens flink de bezem doorheen haalt is de wildgroei aan nevenklassementen en poedelprijzen. Meest geliefde renner, meest elegante renner, meest loyale renner, beste ploeggenoot, beste ontsnapping, meest actieve renner; het zijn – serieus! – allemaal categorieën waar juryleden, vermoedelijk met een overschot aan vrije tijd, zich sinds de jaren ’50 één of meermaals over hebben gebogen om vervolgens een winnaar aan te wijzen. Het maakt de podiumceremonie in Parijs onnodig lang, niemand neemt het serieus en een aantal van de juryprijzen is dan ook geen lang leven beschoren. ‘Simplification’, herhaalt Leblanc nog maar eens, als een meeschrijvende journalist de tijdens een persconferentie opgesomde aanpassingen niet kan bijbenen. Alleen de FairPlay-prijs keert in de ‘periode Leblanc’ nog terug, maar levert weldra hoongelach op als de Tourjury die in 1994 uitgerekend aan kamikaze-sprinter Djamolidine Abdoujaparov besluit toe te kennen.

Niet alleen de vele prijzen, ook het aantal leiderstruien is Leblanc een doorn in het oog. Nog voordat hij in 1990 het tussensprintklassement (rode trui) en het combinatieklassement (lapjestrui) uit de Tour haalt, wordt een jaar eerder de witte trui van het jongerenklassement al niet meer uitgereikt. Hetzelfde geldt voor de groene pet van het ploegenpuntenklassement. Die zal net als het rood en de lapjestrui tot op de dag van vandaag niet terugkeren. De witte trui wordt in 2000 wel weer uit de ‘boules de naphtaline’, de Franse mottenballen, gehaald.

Een klassement voor beste jonge renner wordt ook tussen 1989 en 1997 echter wel degelijk opgemaakt en er valt ook dagelijks een extra zakcentje te verdienen. Desondanks is het jongerenklassement in de ‘trui-loze jaren’ nu niet bepaald top-of-mind bij renners en ploegen. Precies dat is de aanleiding voor de aanvaring tussen Johan Museeuw en zijn ploegleider José de Cauwer na de vierde Touretappe in 1989. Tot verbazing van de tweedejaarsprof van ADR is niet hij maar Søren Lilholt volgens het officiële Tourcommuniqué de beste jongere in de rit naar Wasquehal. Terwijl Museeuw zijn voorwiel toch echt als derde over de aankomstlijn drukte, waar de drie weken oudere Deen pas als vijfde aantikte.

Als Museeuw een paar uur later in het rennershotel zijn verontwaardiging uitspreekt, drukt De Cauwer met een dikke duim het ongenoegen van zijn pupil onmiddellijk de kop in. ‘Geen bijzaken’, luidt het korte, geagiteerde commentaar waarmee Museeuw op zijn plek gezet wordt, op een manier die doet denken aan die waarop een Leeuwenkoning een eigenwijs welpje tot de orde roept. De ADR-ploeg van José de Cauwer wil met kopmannen Greg Lemond en Eddy Planckaert zowel in het algemeen klassement als in de strijd om de dagzeges en de groene trui meedoen om de hoofdprijzen, dus de ploegleider heeft geen zin in allerlei randzaken die afleiden van dat doel. Museeuws takenpakket bestaat simpelweg uit het uit de wind houden van Lemond, het halen van bidons en het afzetten van Planckaert als het peloton een massasprint voorbereidt. Dat Museeuw zowaar in een kopgroep verzeild was geraakt in de finale van de etappe naar Wasquehal kon al niet op veel lof van De Cauwer rekenen, maar de 800 Franse Francs die de beste jongere van de dag na elke etappe opstrijkt, kunnen de Belgische ploegleider compleet gestolen worden. Het is meteen het antwoord op de vraag waarom Museeuw zijn naam niet in het Tourcommuniqué terugvindt als beste jongere van de dag. Zijn ‘directeur sportief’ heeft simpelweg verzuimd hem aan te melden voor het klassement. Leblanc en de zijnen hebben die verantwoordelijkheid namelijk bij de ploegen zelf gelegd. Alleen renners die na 1 januari 1965 het levenslicht zagen én door hun eigen ploeg naar voren zijn geschoven, komen in aanmerking voor de prijs waar weliswaar niet langer een witte trui mee gemoeid is, maar waar nog wel altijd een geldbedrag van 15.000 Franse Francs mee te winnen valt voor de beste in de eindrangschikking.

Mogelijk heeft het afschaffen van de witte trui bij sommige ploegleiders de schijn gewekt dat het jongerenklassement is opgedoekt. Onterecht uiteraard. Of heeft het gebrek aan het kleinood de interesse van sommige ploegen doen afnemen. Of is de strijd om wie zich de beste Tourrenner onder de vijfentwintig jaar mag noemen sowieso niet veel meer dan een bijzaak. Feit is dat Johan Museeuw niet het enige slachtoffer is van de onduidelijkheid, desinteresse en/of vergeetachtigheid bij de eigen ploegleiding. Helemaal verwijtbaar is het de ploegleiders niet. De voorwaarden voor deelname aan het jongerenklassement zijn sinds de introductie in 1975 meermaals gewijzigd. In de eerste vier jaar is niet leeftijd de bepalende factor, maar het aantal jaren dat een renner lid is van het profpeloton. Als dat minder is dan drie jaar komt een renner in aanmerking voor de witte trui, ongeacht diens leeftijd. Ook dan al moeten ploegen zelf zorgen dat hun renners worden aangemeld bij de Tourorganisatie en zo loopt Klaus-Peter Thaler in 1978 het genoegen mis om ruim een week in het wit te mogen rijden. De dan 29-jarige Duitser is, ondanks zijn relatief hoge leeftijd, pas tweedejaarsprof en komt dus in aanmerking voor de witte trui, ware het niet dat de TI-Raleigh-ploeg van Peter Post hem is vergeten in te schrijven. Thaler wint een etappe en rijdt zelfs twee dagen met het geel om zijn schouders, maar in het wit zal hij dat jaar niet door Frankrijk rijden.

Mede door de verwarring rond Klaus-Peter Thaler wordt de strijd om de witte trui vanaf 1979 echt een jongerenklassement, uitsluitend voor renners jonger dan vijfentwintig jaar. Voor een korte periode slechts. In 1983 wordt wederom een verandering doorgevoerd en wordt het jongerenklassement omgedoopt tot een strijd tussen uitsluitend Tourdebutanten. Alleen renners die hun ‘Tour-ontmaagding’ beleven komen voortaan in aanmerking. Opnieuw voor een periode van slechts vier jaar. De Tourdirectie draait het reglement in 1987 namelijk terug en vanaf dat jaar is leeftijd wederom het criterium. Nog altijd onder de bindende voorwaarde dat de ploegen hun renners zelf aanmelden. Dikke pech dus voor degenen die, per ongeluk of uit desinteresse, over het hoofd zijn gezien door hun eigen ploegleider. Zoals Johan Museeuw. Op de valreep voorkomt Hilaire van der Schueren, de assistent van Jan Raas bij SuperConfex, nog dat Patrick Tolhoek en Frans Maassen net als Museeuw buiten de boot vallen, zodat eerstgenoemde zich zowel na de derde Touretappe naar Spa-Francorchamps als de zevende naar Bordeaux zich de beste jongere van de dag mag noemen en beide keren 800 Franse Francs kan toucheren. Twee Colombianen hebben minder scherpe geesten binnen de leiding van hun ploegen. Bij Kelme vergeten ze José Roncancio in te schrijven. Geen man overboord, de helper kachelt anderhalve week lang troosteloos door Frankrijk met kopman Fabio Parra in zijn wiel, om na de elfde etappe de Tour getweeën via de achterdeur te verlaten. De andere zeven Kelme-renners zijn dan al naar huis en zonder Parra heeft het voor ‘Remi’ Ronancio geen enkele zin de Tour als eenling voort te zetten.

Pijnlijker is het ontbreken van de inschrijving van Roncancio’s landgenoot Alberto Camargo. De Colombiaan, van 3 februari 1965, komt wel degelijk in aanmerking voor het jongerenklassement, maar in tegenstelling tot zijn bijna negen maanden jongere ploeggenoot Henry Cardenas heeft ploegleider Rafael Niňo van Café de Colombia verzuimd om ook ‘El Torito’, ‘het kleine stiertje’, zoals Camargo in zijn thuisland liefkozend wordt genoemd, aan te melden. Terwijl de kleine klimmer, ondanks dat hij net als zijn ploeggenoten vooral in de Tour is om te knechten voor Luis Herrera, op voorhand tot de favorieten voor het jongerenklassement behoort. Van de twintig gegadigden zijn verder eigenlijk alleen de Fransen Gerard Rué, Fabrice Philipot en Laurent Bezault serieuze kanshebbers om hun naam te mogen toevoegen aan een rij voorgangers die hun prestatie wél beloond zag in de vorm van een witte trui. Vooral Bezault wordt door kenners getipt als een toekomstige evenknie van Bernard Hinault en rijdt in zijn eerste profjaar direct fraaie ereplaatsen in Parijs-Nice en de Dauphiné Libéré bij elkaar. Een botsing met een tegemoetkomende auto in de Tour de l’Oise van 1990 zal de opmars van Bezault later onherroepelijk stuiten. Het Franse talent keert wel terug in het peloton, maar zal nooit meer zijn niveau van voor dat ongeluk weten te halen. Ook Rué en Philipot hebben in dezelfde etappekoersen als Bezault indruk gemaakt. Philipot was twee maanden voor de Tour bovendien dicht bij een sensatie door achter Sean Kelly naar de tweede plek te sprinten in Luik-Bastenaken-Luik. Al had de Fransman geen schijn van kans de doorgewinterde Ier ook maar enigszins te bedreigen in de eindspurt. Opmerkelijk detail achteraf: de uiteindelijk meest succesvolle ronderenner die in 1989 in aanmerking komt voor het jongerenklassement is Melchor Mauri. Met de jonge knecht uit de Reynolds-ploeg van Pedro Delgado wordt dan echter door niemand rekening gehouden. Terecht. Mauri is de hele Tour anoniemer dan een kroongetuige in een moordzaak en wordt 92ste. Twee jaar later zal hij knap de Vuelta winnen en weer vier jaar verder komt hij als zesde in Parijs aan.

Voor het Café de Colombia van Luis Herrera en zijn ploeggenoten verloopt de Tour van 1989 allerminst volgens plan. De berggeiten kunnen nergens imponeren en Herrera sluit de ronde af op een roemloze negentiende plaats in de eindrangschikking. Slechts één plekje hoger dan zijn meest trouwe helper in de bergen: Alberto Camargo. Die voert zijn opdracht om Herrera bij te staan tot diep in de derde Tourweek als een waardig meesterknecht uit, maar als de Alpencols de kleine tuinman uit Bogotá in de achttiende etappe naar Villard-de-Lans opnieuw te machtig blijken, hoeft Camargo niet langer te wachten op zijn beroemde landgenoot. Terwijl Greg Lemond en Laurent Fignon hun verbeten strijd om het geel uitvechten, Gert-Jan Theunisse zijn bolletjestrui veilig stelt en vele volgers zich afvragen of Pedro Delgado niet voor de tweede keer op rij de Tour had kunnen winnen als hij een kleine drie weken eerder in Luxemburg niet te laat aan de proloogstart was verschenen, gaat Camargo met de pretendenten mee omhoog. Een heel grote verrassing is die prestatie niet. Twee jaar eerder bivakkeerde de Colombiaan tijdens zijn Tourdebuut na de Pyreneeën een tijdlang op de vijftiende plek in het algemeen klassement, al zou hij even later in de Alpen zijn Waterloo vinden. Ook in de befaamde en loodzware Clásico RCN in zijn vaderland had Camargo meermaals een fraai visitekaartje afgegeven en in de Vuelta van 1989, die dan nog voor de Tour op de wielerkalender staat, won hij de voorlaatste etappe. Redenen genoeg om het aanstormend talent toch op zijn minst aan te melden voor een jongerenklassement, zou je zeggen, maar nee. Niets van dat alles. Ploegleider Rafael Niňo van Café de Colombia heeft zijn renner wellicht over het hoofd gezien, zich mogelijk vergist in diens geboortedatum, misschien gedacht dat uitsluitend Tourdebutanten in aanmerking kwamen voor het jongerenklassement… Streep zelf maar door wat niet van toepassing zou kunnen zijn.

Camargo’s achtste plaats in de uitslag van de achttiende etappe naar Villard-de-Lans is slechts een loos stukje arbitraire statistiek in de Tourannalen. De 800 Franse Francs als beste jongere van de dag loopt de Colombiaan dus mis en dat hij de beste jongere in de Tour tot dat moment, Fabrice Philipot, die dag passeert in het algemeen klassement gaat geruisloos aan de wielerwereld voorbij. Als de Fransman drie dagen later op de Champs-Elysées, in de kantlijn van de ontknoping van de spannendste Tour aller tijden, tot beste jongere wordt gekroond en dan weliswaar geen witte trui mag komen afhalen, maar toch zeker een bos bloemen en de kussen van de Tourmissen, valt de naam Camargo slechts sporadisch in een bijzin. Slechts een handvol verslaggevers maakt melding van het feit dat Philipot eigenlijk helemaal niet de beste jongere in deze ronde was. Het is niet meer dan een voetnoot, in haast onleesbaar klein letters, in de dikke roman die de Tour van 1989 aan verhalen en anekdotes oplevert.

Een soortgelijke minimale voetnoot als die ruim drie decennia later onderaan de in memoriams voor Fabrice Philipot waren te vinden. In juni van dit jaar verruilde de inmiddels 54-jarige winnaar van het jongerenklassement in de Tour van 1989 het tijdelijke voor het eeuwige. Naast Philipots uitstekende knechtenwerk voor Miguel Induraín voorafgaand aan diens Tourzeges in 1991 en 1992 en het feit dat de Fransman met zijn 24ste plaats in de ronde van 1989 de laagst geklasseerde winnaar van het jongerenklassement in de Tourgeschiedenis is, wordt de vergeten inschrijving van Alberto Camargo door meerdere websites en kranten sporadisch opgerakeld. Als voetnoot, bijzinnetje of stukje trivia. Meer niet. ‘El Torito, ‘het kleine stiertje’, is niet geheel in de vergetelheid geraakt, maar ontbreekt door de jammerlijke blunder van zijn ploeg voor altijd op de erelijsten van de Tour de France. Als Disney-producent Jeffrey Katzenberg op zondag 23 juli 1989 in Parijs was geweest en het verhaal van Alberto Camargo had gehoord, had het hem ongetwijfeld een dosis inspiratie opgeleverd voor een fraaie scène in de Disney-klassieker Ferdinand; het verhaal over een jong stiertje, dat op weg naar volwassenheid enkele onverbiddelijke levenslessen voor de kiezen krijgt.