Het gezaghebbende L’Equipe besliste onlangs dat het duel tussen Jacques Anquetil en Raymond Poulidor van 12 juli 1964 het meest epische fietsgevecht ooit in de Tour de France was . Nou mag L’Équipe dat natuurlijk claimen, als wettige erfgenaam van L’Auto, dé founding Journal du Tour. Ik ga dan ook niet tornen aan dit oordeel. Al wil ik er wel een open vraag aan verbinden. Die volgt verderop in dit stuk.

Op weg naar de Puy de Dôme ontvouwt zich een Franse broederstrijd die heroïsch moet zijn geweest. Op de interwebs is de tweestrijd uitvoerig gedocumenteerd, in bewegende beelden terug te zien en er valt een shitload te lezen. Ach ja, de Fransen. Je moet ze eigenlijk ook maar laten, in hun geschiedvervalsing. Wat wil je ook. Bernard Hinault was de laatste der bleu-blanc-rouges die de eigen Tour op zijn naam schreef. In 1985. Laat dat even op u inwerken. 1985. Die trotse, chauvinistische Fransen hunkeren dus al vijfendertig jaar naar het hoogste wielersucces.

Nu zal Hinault nooit een populariteitswedstrijd winnen in eigen huis. Zijn temperament en zijn nukken zijn nooit vergeten. Hij, de outsider voor eigen volk, Le Blaireau met vijf zijn eindzeges, hij geldt tot op de dag van vandaag meer als Breton dan als Français – zoveel is mij ook altijd duidelijk geweest als halve Fransman.

Maar goed: Anquetil versus Poulidor dus. Mijn co-auteur op dit wielerblog Jos van Nierop concludeerde twee jaar terug Monsieur Chrono al eens tot dooie lul. “Ze hadden liever die goedlachse verliezer Raymond Poulidor.” Poupou die drie keer tweede en vijf maal derde werd in La Grande Boucle. Die zomer van 1964 had inderdaad het orgelpunt van zijn jacht op de gele trui kunnen of moeten zijn – de Maillot Jaune die hij overigens nooit droeg. Na die 12e juli bleek achteraf dat Poulidor te lang gewacht had met aanvallen. De etappe ging naar de Spaanse berggeit Julio Jiménez, voor legende Bahamontes. Anquetil sterft duizend doden, zij aan zij met Poulidor. Raymond schudt Jacques pas 800 meter onder de vulkaantop van zich af en pakt ‘slechts’ 42 seconden. Hij komt op veertien (14!) seconden van het geel maar in de laatste etappe – een tijdrit van Versailles naar Parijs – maakt tijdritspecialist Anquetil de klus zoals verwacht relatief eenvoudig af.

Mijn vraag is echter of de verheffing van bovengenoemd duel terecht is. Voor mij persoonlijk zijn de jaren zestig van de Tour het stenen tijdperk. Cromagnons op houten fietsen. Heel Frankrijk en zijn moeder kan dan wel beweren dat de editie ’64 en die twintigste etappe onovertroffen zijn; ik ben een kind van de jaren zeventig en tachtig. En met alle respect: ik kan me heftigere duels heugen dan die ene vermetele poging door Poulidor.

De animositeit van Hinault en het complete La Vie Claire in 1986 tegen nota bene ploeggenoot Greg Lemond is legendarisch. Against all odds wint Lemond toch de Ronde.

Een jaar later: nog zo één. Favoriet Jeff Bernard beleeft een onwaarschijnljke off-day en uit de stofwolken resten twee gladiatoren. Pedro Delgado doet er alles aan om Stephen Roche tijd aan te smeren in de beklimmingen, maar de Ier overleeft wonderbaarlijk (aan het zuurstof) en pakt in de laatste tijdrit de eindzege.

Over de editie 1989 kan ik kort zijn: een monument. Greg Lemond omringd door een veredeld Vlaams amateurteam, drie weken lang strijd versus Laurant Fignon en zijn elitecorps van Système U. Pas op de finish op de Champs Elysées blijkt dat Fignon zich misrekend heeft. Hij kon dus wél meer dan 50 seconden verliezen in een tijdrit van slechts 24,5 km. (in zijn biografie verklaarde de Fransman trouwens dat hij met een knoert van een fistol in zijn kruis koerste en ook daardoor niet voluit kon gaan).

De eerste helft jaren negentig sla ik over. De periode Indurain is voor mij de meest langdradige en overbodige van mijn Tourzame leven. Een donkere periode. Daarna Riis, Ulrich en Pantani. Maar.

Mijn favoriet aller tijden blijft die ene van 2006. Na zeven jaar Tour de Lance (Pantani stapte uit in 2000, dus die telt niet maar had groots kunnen zijn) was er eindelijk weer een level playing field. Armstrong was in de voorgaande periode domweg te goed, te slim, beter voorbereid en geprepareerd en had bovenal die monsterlijke wil te winnen.

In 2006 was het pandemonium echter totaal. Met kapitalen opgenomen in mijn fietsbijbel: Floyd Landis. Eerlijk is eerlijk, ik heb altijd een zwak voor die rooie gehad. Uitgesproken karakter, enfant terrible en bijzonder mens. In die ronde reed hij al rond met heupslijtage en vreselijke ontstekingen. Onderweg naar zijn eerste Touroverwinning kreeg Landis in de 16e etappe een meltdown van Gargantuesk formaat. In de rit naar La Toussière was het over en uit; Landis leverde tien minuten in op zijn concurrenten (Klöden, Perreiro, Sastre, Menchov, Rasmussen, Evans, Leipheimer, Cunego).

Game over. Hij kon nog één ding doen: in de laatste bergetappe (een monster) va-banque gaan. Niemand hield er rekening mee, team Phonak deed het. Volle bak gas, alles en iedereen in de vernieling. Ik heug me mijn verbazing, ongeloof en opwinding tot op de dag van vandaag. Die blinde agressie waarmee Floyd Landis alles naar de kloten reed.

De epiloog is gevoeglijk bekend. Drie dagen na de Tour dreunde in de aanloop naar de Acht van Chaam – waar mijn held verwacht werd – die woensdag de positieve testosterontest van de man uit Pennsylvanië binnen. Het maakt mij tot op de dag van vandaag geen reet uit. De rit naar Morzine, de dag van Floyd. Ik denk dat L’Équipe het hartgrondig met mij oneens is. Évidemment. Landis is bien sûr geen Fransman hè…

naschrift: er zijn na Landis nog een paar Rondes geweest. Het is als met auto’s. De Ford Sierra was in 1982 Europees auto van het jaar. Achteraf niet alleen een lelijk hok, maar ook hele slechte auto. De geschiedenis blijkt dus wat tijd nodig te hebben. Ik hoop dat het era Sky mooie herinneringen oplevert. Geef mij vooral uw kippenvelletje.

Barend Pelgrim