Rechts moest ik van hem fietsen. Met zijn linkeroor hoorde hij niets meer. Giuseppes rechteroor deed het nog. Al had hij ook aan die kant panne: “I’m so-orry! battery looow” riep hij terwijl hij aan z’n gehoorapparaat prutste. Dat ik tegen deze vriendelijke man moest schreeuwen, wende snel. En een bijkomend voordeel was dat hij het tergende kraken van mijn racefiets niet kon horen. Mijn fonkelnieuwe Isaac, full carbon, die zich sinds enkele dagen als een knarsende ouwe Izaäk over het Italiaanse asfalt liet voortduwen.

Ik fietste Giuseppe achteloos voorbij tijdens de rit die ik voor mezelf over de Stelvio, Mortirolo en Gavia uitgestippeld had en die ik eigenhandig tot koninginnenrit van mijn vakantie had gedoopt. Drie mythische cols, waarvan de hoogteprofielen je alleen al naar adem doen snakken.

Achteloos? Nee, schijnbaar achteloos schoof ik mijn racefiets voorbij de zijne. Ik had zijn pezige, gladgeschoren en gebronsde kuiten al lang gezien en die deden me onmiddellijk denken aan soortgelijke exemplaren van taaie, verweerde, oude mannetjes die me in eerdere jaren jammerlijk fietsles hadden gegeven. Een daarvan was een grijze Spanjaard die ik overmoedig voorbijreed in de beklimming van de Pyreneeëncol, de Tourmalet. Dezelfde Spanjaard die even later bijschakelde, nog even glimlachend achterom keek – waarbij ik echt even het idee kreeg dat hij een hele vriendelijke, warme opa was – maar mij toen pijnlijk liet staan.

Op het trage ritme van glimlach…grijns…glimlach…grijns…grijns… vond ik volledig gebroken de top waar ik – helaas – geen lieve opa vond om mij op te vangen. Ik moest het doen met de troost van een groot glas Coca Cola.

Een andere grijsaard op gespaakte wielen kwam ik tegen in het land van Robic, Bobet en Hinault: Bretagne. Ook deze gesoigneerde éminence grise reed ik achterop. Versnelde even, en was hem toen snel voorbij. Althans, dat dacht ik. Vijf minuten later schoof hij langszij, nam, met z’n blik strak op oneindig, de kop over en schakelde bij. Precies op het moment dat vals plat veranderde in een onmiskenbare steilte. Parcourskennis.

Ik liet me niet kennen, nam, nog voor de top, weer over. En zo zaten we als twee jonge honden elkaar op te jutten. Pas twee dorpen en drie klimmetjes later werden blikken en beleefdheden uitgewisseld. Ik was blij toen hij opmerkte dat dit dorp ook zijn woonplaats was zodat ik eindelijk kon uithijgen en mijn route in een eigen tempo kon vervolgen.

Vaak heb ik gedacht dat deze verjaarde coureurs helemaal niet echt waren. Waanideeën. Irreële verschijningen tijdens een delirium op de fiets. Een wielrenner maakt nou eenmaal vreemde zaken mee. Zelfs een amateuristische sterveling, zoals ik. Het afzien. De dorst. De hongerklop. Ze verzuren je lijf en laten je geest dwalen. Zo heb ik iemand vertwijfeld de geest van Fausto Coppi horen aanroepen, toen de kramp in zijn kuiten schoot op het moment dat hij bocht no. 10 van de Stelvio opdraaide. Op het internet circuleert een foto waarop een wielrenner uit pure nood zijn bidon vult door het melken van een Alpenkoe. En ik heb een fietsmaat een perfecte imitatie van een huilende Bassie van Adriaan horen doen toen hij, vlak voor me, jammerend en piepend van de kou afdaalde van de Col du Sanetsch.

In mijn fantasie verwerden deze grijze mannetjes steeds meer tot een en dezelfde mythische schim. Een beschermengel wellicht. De verpersoonlijking van de Moraal. Een meester in de nederigheid. Een ziener met een vermanend woord. Om me te behoeden voor zelfoverschatting.  En met een wenkend perspectief: de aanmoediging om vooral door te zetten. Want op een dag, wanneer er voldoende taaiheid en hardheid gekweekt is en gewicht is losgelaten, zal ook ik als een vlinder de berghellingen op fladderen. Glimlachend. Grijnzend.

Mijn surreële gedachten voegden zich steeds meer samen tot een beeld. Een gestalte die een naam verdiende. Een beschermheilige.

“Seventy vai-ffff, I am seventy- vai-fff,man! I’m still ok and still cycli-ing! Every-y day, except monday” vertelde Giuseppe uit Tirano me toen hij me bijhaalde en naast me kwam fietsen. Daarbij sloeg hij een paar keer – haast devoot – op zijn eigen hartstreek. Nadat hij mijn leeftijd vroeg, en mijn fietsplannen gehoord had, vroeg hij al snel naar mijn gewicht. “Eighty-vai-fff? And you want to do Stelvio, Mortirolo and Gavia?” Lachend zette hij vervolgens uitvoerig uiteen dat trucks en tractoren niet op bergpassen behoorden te rijden. Schaapachtig lachte ik wat mee. Giuseppe stelde me weer op m’n gemak door geregeld zijn hand op mijn rug te leggen, terwijl we rustig doorpeddelden. We beklommen een kleine helling tussen Bormio en Mazzo di Valtellina, het dorpje dat aan de voet van de Mortirolo ligt. We praatten en fietsten zo wat langs elkaar heen en evalueerden de winst van Vinokourov op de Olympische Spelen van Londen. Giuseppe was lyrisch over de winst van deze oude krijger. Hij vond dat de aanvaller terecht had gewonnen en herhaalde een aantal keren op zangerige toon en vol ontzag en ongeloof zijn naam: “Vino, Vino, Vi-ino!”. Ik vond dat er een luchtje aan de olympische winst van deze Kazak zat. Een gasluchtje om precies te zijn. Van een van die gasbaronnen uit Kazachstan die inmiddels van Vino het gironummer van Uran, zijn Columbiaanse medevluchter, had doorgekregen om daarop de prijs van goud te kunnen storten. Maar goed, Giuseppe was allerhartelijkst en ik gunde hem het plezier van het oude wielrennen. En het woord ‘dope’ leek hij trouwens bij herhaling ook niet te kunnen verstaan.

Nadat we de korte afdaling gehad hadden, waarbij Giuseppe opzichtig liet merken dat hij zich zonder angst naar beneden durfde laten vallen, vroeg ik welk beroep hij uitgeoefend had. Ik weet niet of hij me wel goed begreep, maar hij vertelde dat hij getraind had rond het Lago Maggiore. Veel getraind. Met zowel Gianni Bugno als Ivan Basso. Bugno, die volgens hem eerst met een racefiets naar boven vloog en dat nu met een helikopter doet. En Basso, die hij een persoonlijke vriend noemde. Wat bevestigd werd met de handbeweging richting zijn hart, zoals ik hem dat al eerder had zien doen. Door blijvend misverstaan werd me niet duidelijk of hij nu trainer, soigneur, vrijwilliger op een derny of een meetrainende vriend was die voor de broodnodige gezelligheid en moraal zorgde. Die door taal- en gehoorproblemen ontstane mistigheid beviel me wel. Ik besloot het onderwerp te laten rusten. Nadat Giuseppe me gevraagd had naar de bekende Nederlandse renners van dit moment en ik erachter kwam dat de namen Gesink, Mollema en Hoogerland hem niets zeiden – ook niet toen ik ze met een Italiaanse tongval poogde voor te leggen – kwam Mazzo al in zicht. Giuseppe reed nog wat meters voor mij op kop. Een charmant gebaar, vond ik, waar ik dankbaar gebruik van maakte. Toen draaide hij zich plotseling om en zei: “do you know wha-at? I’ll ride a few kilometers with you…! On the Mortirolo…!”. Er ging een lichte siddering door me heen, op hetzelfde moment dat de gedachte “ik zal toch niet weer door een grijsaard…” door mijn hoofd knalde. Gelukkig kon ik zonder haperen een “that’s alright with me” uitbrengen, en schakelde alvast een tandje lichter.

Het werd mij, tot mijn geruststelling, al snel duidelijk dat Giuseppe de grijsaard vertegenwoordigde die mijn tempo bergop niet kon volgen. Na nog geen 500 meter klimmen, riep hij: “Bo-orrt I’ll go ba-ack. Go For I-It.” En na een allerhartelijkst galmend “Ciao” keerde hij om en verdween de diepte in. Ik passeerde het bordje Tornante 32. En wist daarmee dat ik nog 31 steile haarspeldbochten moest opdraaien van een weg die smal, leeg en stil was. Een duidelijk teken. Deze klim wordt het liefst gemeden. De stilte werd wreed doorbroken door het geluid van een doorgedraaide notenkraker: Izaäk liet weer van zich horen. Hoe steiler de klim liep, hoe meer het hart van mijn fiets, de bracket, ging kraken. Een hinderlijk geluid dat als soundtrack perfect aansloot bij het gevoel dat ik mezelf aan het vermalen was.

Een flink aantal traag verstrijkende minuten later zwoegde ik langs het monument van Marco Pantani dat zich vlak onder de top van de Mortirolo bevindt. De klim, die zich als ‘de smerige sloper’ in mijn geheugen prentte en waarvan ik me nog steeds afvraag of ik dat steile, geasfalteerde geitenpaadje ooit nog eens vrijwillig zal bestijgen. Het is een folteraar. Een killer die de eerste lettergreep van zijn naam volledig eer aan doet: ‘mort’.

Nog veel later bereikte ik de top van de Gavia. In de volle zon. De majestueuze berg die, in de sneeuw, een verkleumde Johan van der Velde tot opgave dwong op het moment dat hij de ritzege voor het grijpen had, in de Giro van 1988.

Pantani en Van der Velde. Twee onstuimige en onnavolgbare renners. Coureurs met grillen, verkeerde poeders en pillen. Kleurrijke renners aan wie ik een klein eerbetoon wilde brengen met deze etappe. Maar het werd meer dan dat. Mijn koninginnerit werd een rite. Mijn bewijs aan die vriendelijke wielrenner uit Tirano, die van “Seventy vai-ffff”, dat ook een truck (of tractor) over de Stelvio, Mortirolo en Passo di Gavia kan komen. Een classico di Giuseppe. Een bedevaart, waarin Ik mijn beschermengel eigenhandig heilig verklaarde en tot Sante Giuseppe gedoopt heb.

Wat zou ik graag nog een keer in dat rechteroor willen tetteren. “I did it, man! Eighty-vai-fff! Eighty-vai-fff, man!” Al was het maar via een telefoonverbinding. Maar goed, meer dan zijn voornaam en woonplaats is niet bij me bekend. Te weinig om hem rechtstreeks te benaderen. Giuseppe blijft een voorbijganger voor me, een schim. Al weet ik natuurlijk wie zijn goede vriend is. Ivan Basso. Basso! Die kan ik natuurlijk een tweet of mail sturen met het vriendelijke verzoek om Giuseppe uit Tirano te groeten en de boodschap over te brengen dat de truck de berg bedwong.

Zal er ooit antwoord komen?