Als Milaan-Sanremo in aantocht is, moet ik altijd denken aan een sticker op de bovenbuis van mijn oude merkloze en in afzichtelijk oranje gespoten racefiets. Een fiets die al jaren hangt te roesten in de schuur, vervangen door een fraaie celestekleurige Bianchi. De betreffende sticker was van de Partito Comunista Rifondazione. Dat heeft niets te maken met mijn politieke voorkeur, want ik koester al mijn leven lang een gezond wantrouwen jegens politieke organisaties in zijn algemeenheid, van welke gezindte dan ook. Die sticker is voor mij een herinnering aan de verleiding van de Italiaanse Bloemenrivièra, het decor van La Primavera.

In de jaren negentig waren mijn vakanties overzichtelijk. Fietsen gingen we, mijn vrienden en ik. Na de laatste tentamenperiode bond ik een slaapzak, wat kookgerei en een extra setje kleren aan mijn racefiets. We stapten op de trein naar een willekeurig gekozen station ergens in Zuid-Europa en van daaruit zagen we verder. Iedere dag prikten we op de kaart een volgende bestemming en als we van de kaart af dreigden te rijden, kochten we een nieuwe. Tegen de tijd dat het geld op was, stapten we op de trein naar huis.

Op een van die zwerftochten reden we de finale van Milaan – Sanremo in omgekeerde richting. De profs koersen zonder om zich heen te kijken van oost naar west, maar voor een fietstoerist is andersom beter, aan de zeekant met schitterend uitzicht. In een dorpje tussen Albenga en Savona sloegen wij ons kamp op. Dat wil zeggen: we spreidden onze slaapzak uit op het strand en zetten ons Campinggaz-pitje op een stenen bankje aan de boulevard om pasta te koken. Het was een uur of zeven, tijd voor de passeggiata.

In onze stoffige en bezwete wielerkleding detoneerden we behoorlijk bij de flanerende dorpelingen, die zich hadden opgedoft om te kijken en bekeken te worden. Veel aandacht was er niet voor die barbaarse noorderlingen met hun primitieve gasbrandertje, totdat er een Italiaanse matrone op de geur van onze pasta afkwam. De familie in haar kielzog bleef rond ons bankje hangen en er ontstond een geanimeerd gesprek. Naast de enthousiaste matrone stond het mooiste Italiaanse meisje dat ik ooit had gezien, een jaar of twintig, flonkerende ogen en een licht doorschijnend hemelsblauw jurkje. Zij bekeek ons met een mengeling van nieuwsgierigheid en afgrijzen, en ze ergerde zich overduidelijk aan het gekwebbel van haar moeder of oma, dat kon ik moeilijk inschatten.

De familie moest weer verder, zei oma na een tijdje, want op het grote plein in het dorp was vanavond een feest van de partito. Of we ook zin hadden om te komen? Ik keek nog eens naar dat beeldschone meisje en ik was bereid dit gezelschap tot het eind van de wereld te volgen, dus waarom niet naar een Italiaans dorpsfeest. Die partito? Geen flauw idee waar ze het over hadden. Ja, we zouden ook naar het feest komen, maar we moesten eerst nog even andere kleren aantrekken.

Twee uur later hadden we onszelf opgefrist met een koude stranddouche en een potje deodorant. We liepen in onze al weken niet gewassen spijkerbroek en dito T-shirt richting dorpsplein. Italië heeft een betoverende werking, maar wat we hier zagen, was ronduit surrealistisch. Een jaar of acht na de val van de Berlijnse muur en de ineenstorting van de Sovjet-Unie bleek het communisme in dit kustdorp nog springlevend. Banieren met hamers en sikkels, vlaggen van de Associazione Di Amicizia Italia Cuba en marktstandjes waar de Italiaanse vertalingen van Karl Marx’ communistisch manifest als warme broodjes over de toonbank gingen. Dit communisme was echter niet te vergelijken met de vroegere beelden van achter het ijzeren gordijn. Hier geen norse oude mannen met strenge blikken, maar vrolijke gastvrije mensen die muziek maakten en dansten op een zwoele zomeravond. Ik keek rond op zoek naar het meisje van die middag, maar er waren zoveel meisjes hier, en allemaal even mooi. Iemand trok me aan mijn arm de dansvloer op, er was eten, er was wijn, mooie meisjes, banieren met hamers en sikkels, mooie meisjes en nog meer wijn.

De volgende ochtend werd ik met een bonkend hoofd wakker in de schaduw van de kademuur. Het strand was leeg, de boulevard verlaten. We klopten het zand uit onze slaapzakken en raapten onze spullen bij elkaar. Ontbijt hadden we niet bij ons en de koffiebar was dicht, dus we besloten op de fiets te stappen voor een kop koffie en brood in een volgend dorp. De eerste kilometers gingen bergop. Het bonkende hoofd protesteerde. Ik schakelde terug, keek naar mijn derailleur en opeens zag ik die sticker op mijn bovenbuis: Partito Comunista Rifondazione. Wie hem erop heeft geplakt? Geen flauw idee. Ik denk een mooi meisje. Die sticker was Milaan-Sanremo, de verleiding: schitterende beelden van het zonovergoten Ligurië en de volgende dag zelf op de fiets, half maart in de Hollandse polder. Altijd hoop ik ergens langs de kant van de weg een meisje te zien in een doorschijnend hemelsblauw jurkje.

Laatste berichten van Leo Aquina (alles zien)