Een peloton vol ongeschoren lijven is tot stilstand gekomen. De wind heeft vrij spel gehad en de boel uiteen geslagen; een deel ligt in de berm, anderen liggen achterop, een deel heeft een kleine voorsprong. Iedereen likt de wonden. Het is behelpen.

Ik merk dat het kriebelt. Een beetje, of gerust: zeer veel. Wat zouden we nu gevolgd hebben, met een schuin oog, tijdens de laatste uurtjes van de werkdag? De Giro d’Italia zou zeker al beëindigd zijn. Wellicht een van die voorbereidingskoersen in de Alpen, in Frankrijk of Zwitserland. Nationale kampioenschappen? Data hebben me nooit zo geïnteresseerd en welke koers er precies gereden werd ook niet. Of wie er zou winnen. Da’s allemaal zo banaal.

Dus niet wat maar wel dat er gekoerst wordt. En dat dat nu dus niet zo is. En dat we zou willen dat het wel zo zou zijn. Een vluchtige blik op dat ene tabblad, het zacht sputterende commentaar zalvend op de achtergrond, de aanblik van fel gekleurde lijven die vanuit de hoogte bezien als rupsen traag over wat voor landschap dan ook bewegen. De sensatie voelen. Dat is allemaal tot stilstand gekomen. En dat jeukt.

Maar vooral: het niet kunnen speuren naar dat ene shirtje in zwart-geel, ongeveer in de derde positie van het treintje, met een kop erop die nooit stilstaat. De man die tot in het uiterste berekent en dan het gevoel volgt.

Omkeren in de auto is zo’n voorbeeld, omdat de knie niet gaat. Een berg opvreten omdat een overleden oom daar altijd een vakantiehuis huurde voor de skivakantie van de hele familie. Als het bonkende hart het overneemt, nadat alles is gewikt en gewogen, dan kun je nooit verliezen. Dan bestaat dat eigenlijk niet eens, winnen.

We moeten geduld oefenen voor we mogen aanschouwen hoe het geel-zwarte shirt, dat aan het gebeeldhouwde lijf van Dumoulin kleeft, de Tour wint. Niet dat mij dat iets boeit, zo’n winst is een krabbel in de kantlijn. Daar gaat het in de koers niet om. Nou ja, misschien wel als je ronddraait in de buik van het peloton, maar voor de volgers aan de zijlijn niet. Winnen, verliezen: woorden zijn het.

Het gemaskerde bal der wielrennerij draait om verlangen, rancune, twijfel, wanhoop, uitputting, euforie en dat soort ingrediënten waar narratief eindeloos mee varieert kan worden.

De lockdownverhalendoos zal ook nog wel opengaan, boordevol dramatiek met hier en daar een verrassend vleugje heroïek.

Maar nu liggen ze er nog, die ongeschoren lijven, te krioelen op het wegdek, hopend dat het nieuwe leven snel zal aanvangen. Ze veroorzaken een ernstige jeuk.

En óf Tom Dumoulin daar tussen ligt. Een onmiskenbaar voorteken voor komende zomer. Want uit deze massa zal eens de eerste vlinder ontwaken en wie anders kan dat zijn dan de vlinder van Maastricht?