Precies 40 jaar geleden won Lucien Van Impe als laatste Belg de Tour de France. In het boek Lucien beschrijft hij hoe hij de huldiging op de Champs-Elysées beleefde.

Hoe ik nerveus word in het centrum van Parijs. Hoe ik vijf ploegmaats rond mij verzamel. Hoe de Franse president mij verwacht. Hoe ik een Renault krijg en hoe Rita een verrassing heeft. Hoe moeder Julia op het podium staat. Hoe ik de medaille uiteindelijk het meest waardevolle cadeau vind. Hoe ik ’s nachts zelf met de wagen wil rijden.

cov_LUCIEN.inddIk was nog nooit zo zenuwachtig geweest als op zondag, 18 juli, om drie uur in de namiddag: nog vijftien rondjes langs Place de la Concorde, Quai des Tuileries, Avenue du Général Lemonnier, Rue de Rivoli, opnieuw Place de la Concorde, Champs-Elysées langs de noordkant en Champs-Elysées langs de zuidkant, over negentig kilometer en zevenhonderd meter.

Om één minuut over vijf zou het allemaal achter de rug zijn.
Maar bij de start van de laatste rit in de Tour van 1976 barstte ik van de zenuwen.
‘Wat als het nu toch nog zou misgaan?’, dacht ik voortdurend. Daarom had ik, samen met René Dillen, Robert Mintkiewicz en Willy Teirlinck een plan uitgewerkt. We hadden beslist dat er altijd, de vijftien toertjes, vijf ploegmaats rond mij moesten blijven. Mocht ik lek rijden of – erger nog – vallen, dan had ik direct hulp. Raymond Martin, de man met dezelfde fietsmaat als ik, moest constant bij mij in de buurt rijden, de negentig kilometer lang. In uiterste nood kon hij me onmiddellijk zijn fiets geven.

Maar het liep vlot, ik had me zorgen gemaakt om niets.
De Nederlander Gerben Karstens sprong helemaal op het einde weg en won de prestigieuze laatste rit, voor Freddy Maertens, Pierino Gavazzi, Régis Delépine en Willy Teirlinck.

Ik bolde uit, ergens achteraan in het peloton, met de handen hoog in de lucht. Naast mij zwaaiden en zwierden mijn ploegmakkers met één arm. Acht van mijn maten bij Gitane-Campagnolo hadden, na 4.050 kilometer Parijs gehaald : Raymond Martin werd vijftiende (op 25’35”), Alain Meslet 24ste (op 46’20”), Robert Mintkiewicz 49ste (op 1u34’11”), Hubert Arbes 53ste (op 1u46’58”), Sylvain Vasseur 60ste (op 2u01’47”), André Chalmel 65ste (op 2u08’49”), Willy Teirlinck 67ste (op 2u12’37”) en René Dillen 74ste (op 2u16’13”). Alleen Jean Chassang had opgegeven.

Dit was het!
Ik voelde me diep en diep gelukkig.
Eindelijk!

Ik had zonet de 63ste Ronde van Frankrijk gewonnen.

En nu begon de hektiek. Ik werd van hot naar her gesleurd, ik werd overrompeld, ik lachte, ik weende, ik beefde. Ik trok een vers petje op mijn hoofd en ging op wandel, over de Champs-Elysées. Ik vond Raymond Martin, en omhelsde hem. Ik zag Willy Teirlinck en ik omhelsde hem, de reporter van een Frans radiostation liep naast me mee, met z’n microfoon voor me uitgestoken, ik gaf uitleg, ik zag André Chalmel en ik omhelsde hem. Ik lachte. Ik had de Tour gewonnen. Ik liep rond en ik lachte. In de verte zag ik mensen die ik kende. ‘Hé’, dacht ik in een flits. ‘Die zijn toch uit Mere?’ Tientallen kennissen waren blijkbaar naar Parijs gekomen, zwaaiend met zelfgemaakte vlaggen. Het viel me op dat ze allemaal een bolletjestrui droegen. Ik moest erom lachen: ik had tenslotte toch voor één keer niet de bergtrui gewonnen. En net nu liepen ze gehuld in de bollen. Het had geel moeten zijn.

Op het podium was het smal, nauw, druk. Het stond er proppensvol grijze, kalende mannen in een donker pak met das. Belgisch minister Jos Chabert babbelde met mij, ik zei iets terug. Wat het was, weet ik niet meer. Ik had daar direct een slecht gevoel bij. Ik kende die minister helemaal niet. Nog nooit had hij met me contact gehad. En nu stond hij daar zo prominent naast mij te glunderen. Ik vond dat raar. Een struise heer gaf me de allermooiste gele trui, de gele trui op de Champs-Elysées. Achteraf hoorde ik dat die man Alain Poher was. Hij was enkele keren Frans president ad interim geweest en senaatsvoorzitter. Ik probeerde het truitje over mijn hoofd te trekken, het ging moeilijk. Handen schoten me ter hulp. Het lukte, uiteindelijk. Ik prutste wat met de boord van het truitje en trok de rits op mijn borst dicht. Ik stak mijn ene arm in de lucht.

Ineens stond ze achter mij: mijn moeder Julia.

Ze had zich naar voren gewurmd op die veel te kleine tribune. Waar kwam zij vandaan? Hoe kwam zij hier? Mijn moeder was nog nooit verder van huis geweest dan een uitstap naar Brussel en enkele keren naar Aalst. Ze was verknocht aan haar dorp en haar café. Hoe kon dat nu? Ze pakte me vast, en ze kuste me op mijn rechter wang, en dan op mijn linker wang, en nog eens, nu veel steviger rechts. Ze stopte nog niet. Ik kreeg nóg een kus, op mijn linker wang. Toen stapte ze weer naar achteren. Ik merkte dat ik mijn (gele) handschoentjes van de voorbije rit nog altijd aanhad. Achteraf hoorde ik dat mijn moeder met een privévlucht, mét Jos Chabert, naar Parijs was gekomen. Dat vond ik een grote misstap van de minister. Dat mijn moeder er was, dat was in orde. Maar Rita had hij helemaal over het hoofd gezien. Hij had hààr, de vrouw van de Tourwinnaar, gewoon genegeerd: geen telefoon, geen uitnodiging om mee naar Parijs te vliegen. Niets. ‘De eer om dicht bij Lucien te staan komt toe aan zijn moeder, mevrouw’, had de minister op weg naar het podium vluchtig tegen Rita gezegd. ‘Die eer komt niet toe aan zijn vrouw.’ Ik vond dat zo verschrikkelijk fout. Die man heeft Rita en mij veel pijn gedaan. Ik ben niet vaak boos op mensen, ik laat ze graag in hun waarde. Maar voor de minister had ik geen respect. Hij stond er voor zijn eigen persoontje, voor zijn eigen politieke winst. Dat is me altijd blijven storen. Ik had hem dat graag zélf gezegd, maar ik heb hem achteraf nooit meer gehoord of gezien. Rita heeft die vernedering al die jaren blijven meedragen. Het is een pijn die nooit meer weggaat. ‘Ik ben de enige vrouw ooit van een Tourwinnaar die opzij geschoven werd’, zegt ze daar nu nog altijd over. Het doet haar nu nog altijd zeer. Ik begrijp haar.

Mijn vader was in Mere gebleven. Hij was al een tijd ziek, maar tijdens de Tour was het erger geworden. Zijn longen werden almaar zwakker, hij leefde op puffertjes en naast zijn stoel in de keuken stonden zuurstofflessen.

Ik kreeg een grote beker in mijn handen gestopt. Het was een lelijk ding, maar ik heb hem wel bewaard, ook op zolder. Ik heb tijdens mijn carrière zeker honderd bekers gekregen. Ik heb daar nooit van gehouden. Overal stonden ze in de weg. Uiteindelijk ben ik ze beginnen weg te geven. Of ik bracht ze naar het containerpark, bij het grof huisvuil. Ik heb er nu nog drie over, meer niet.

Eindelijk was ook Rita daar. Haar stralende, witte jurk viel me meteen op.

Ze kwam wat onwennig naar me toe, we omhelsden mekaar. Rita legde haar hoofd op mijn rechterschouder, ik sloeg mijn arm om haar heen. Het was maar kort, ik voelde dat ze zich niet goed voelde. De stress had toegeslagen, de mislukte zet van Jos Chabert had haar verdrietig en kwaad gemaakt, vertelde ze me achteraf snikkend. De tranen stonden in haar ogen, ze had zich laten wegdrummen. Terwijl haar plaats naast mij was. Rita zette weer een stap terug. Ik stak de beker in de lucht. Het was allemaal verwarrend.

Het werd nog aanschuiven op dat podium. Freddy Maertens kwam erbij in zijn groene trui, Joop Zoetemelk en Raymond Poulidor als tweede en derde in het eindklassement, de Spanjaard Enrique Martinez-Heredia in zijn witte trui als beste jongere, en helemaal op het eind Giancarlo Bellini, met de bolletjestrui. Hij moest zich haasten om nog mee op de foto te kunnen.

Na de cérémonie protocollaire was het nog niet afgelopen. Ik werd nu verwacht in het Palais de l’ Elysée, bij Valéry Giscard d’ Estaing, de Franse president. Het moest allemaal snel. In het presidentiële paleis stond het bomvol politiemensen. Ik plofte er neer in een zetel, in een klein zaaltje met hoge plafonds en prachtige luchters. Voor het eerst na mijn Tourzege kon ik eens echt gaan zitten. Even was er geen gesleur meer. Ik bleef een halfuur bij Giscard d’Estaing. De president gaf me een schitterende medaille, die ik nu nog altijd koester als een van mijn mooiste souvenirs.

We vertrokken, Rita en ik samen met ons gevolg, nu op weg naar het stadhuis van Parijs. Weer werd het handjes schudden, weer was het druk. Ik lachte en knikte vriendelijk. ‘Kom hier’, riepen ze in het Frans. ‘Lucien, par là!’ Ik volgde, het draaide allemaal om mij. ‘Lucien! Lucien, vite! Ici!’ Rita liet zich weer wegdrummen. Ik vond het niet meer leuk.

We moesten weer naar de Champs-Elysées, naar Pub Renault. Dat is een chique etablissement waar het automerk zijn contacten en gasten ontvangt. Daar was het feest van onze ploeg. Renault zou later sponsor worden van het team. Een team waar ik, door toedoen van Cyrille Guimard, dus niet meer bij zou zijn. Het was er groot, er was een massa volk, in opperbeste stemming. Fred De Bruyne trok overal met ons mee. Op de duur voerde hij, in mijn naam, het woord. Ik liet alles over me heen komen.

Ze brachten een immens grote taart binnen, er klonk applaus. Ik moest de taart aansnijden, onder luide aanmoedigingen. Ik lachte en nam het mes. ‘Coupez ici!’, riep de baas van Renault en hij knipoogde. Hij wees me de weg naar een mooie geste. Ik vond in de taart een reuzegrote sleutel. Het was de sleutel van een nieuwe wagen: een cadeautje van Renault. De sleutel heb ik altijd bewaard, de auto mocht ik enkele maanden later gaan afhalen bij de plaatselijke dealer. Tijdens de laatste dagen van de Tour had ik al eens bezoek gekregen van de mannen van Renault. Grappend had ik hen gevraagd om, bij winst, iedereen van de ploeg een wagen te geven. Daar zijn ze nooit op ingegaan. Ik kreeg ook nog de sleutels van een flat, van de sponsor van de Tour, Merlin-Plage. Die sleutel gaf ik onmiddellijk af aan Cyrille Guimard. De flat zou verkocht worden, de opbrengst was ook nu voor de makkers van Gitane-Campagnolo. Ik hoop dat Cyrille Guimard de flat ook écht verkocht heeft. Ik heb er achteraf nooit nog iets over gehoord. Ik rekende op zijn eerlijkheid. Ik ga ervan uit dat hij die tegenover mijn ploegmaats dan ook had.

Ik keek in al het geroezemoes en gelach naar Rita.
Ze kwam naar me toe.
‘Ik heb eigenlijk ook een cadeautje’, zei ze wat verlegen.
‘Weet je nog dat ik vrijdag iets moest afhalen in Gent?’
Ze toonde me ook een sleutel.
‘Van een nieuwe auto’, zei ze.
‘Een Mercedes. Die heb ik vorige week gekocht. Een verrassing voor jou.’
Haar ogen blonken, eindelijk. Ze was de dag voordien naar Parijs komen rijden. Ze had al die tijd kunnen zwijgen over haar geschenk. De tranen sprongen in mijn ogen.
Ik gaf haar een kus. Ik liep naar mijn ploegmaats en gaf ze allemaal een stevige handdruk: dit waren de mannen met wie ik de Tour gewonnen had.

‘Ik wil naar huis’, zei ik.
‘En ik wil zelf rijden, met de nieuwe auto.’
‘Vooruit’, antwoordde Rita. Ze kneep in mijn arm.
‘We zijn weg! Maar niet verschieten, hé, straks in Mere.’

‘Maar neen’, zei ik. ‘Gij overdrijft altijd.’

 

Dit fragment is afkomstig uit het boek Lucien van Filip Osselaer. Het is o.a. verkrijgbaar via bol.com.

Filip Osselaer

Filip Osselaer (1960) is tekstschrijver, eindredacteur, cineast en
communicatiearchitect. Hij groeide op in de gloriejaren van Eddy Merckx,
Freddy Maertens en Lucien Van Impe. Hij bereidt zich al jaren voor op zijn
eerste beklimming van de Ventoux. Grootste prestatie op de fiets: de ronde
van zijn dorp, koers voor veertienjarigen. Won toen zowel de bergprijs als de
puntentrui voor Wim, Marc, Hendrik en Linda. Favoriete boek: De Renner,
natuurlijk (17 keer gelezen). Te volgen op www.filiposselaer.be en via Twitter: @filiposselaer

Latest posts by Filip Osselaer (see all)