De scheidslijn tussen broederliefde en broedermoord is een flinterdunne. Zoals twee puberende broers urenlang eendrachtig kunnen samenwerken, maar zodra hun buurmeisje haar blonde hoofd frivool over de schutting steekt, doet de ontluikende hormoonhuishouding de eensgezindheid spoorslags veranderen in verwoede pogingen elkaar de loef af te steken. De combinatie van begeerte en eergevoel rekent in slechts enkele seconden rigoureus af met alle harmonie, alsof die nooit meer dan schijn is geweest. Het levert een spanningsveld op waar een gemiddelde vermogensreactor wel even mee vooruit kan. Het kan haast niet anders dan dat een soortgelijke gedachtegang door het hoofd van Giacomo ‘Mino’ Baracchi trekt als hij in het najaar van 1962 bezig is met het samenstellen van de startlijst van de veertiende editie van de befaamde koppeltijdrit in Bergamo, die zijn achternaam, of eigenlijk die van zijn vader Angelo, draagt: Trofeo Baracchi. Een half jaar eerder is in de Vuelta de verstandhouding tussen twee kopmannen uit de Franse Saint-Raphaël-ploeg behoorlijk op scherp gezet. Sindsdien is het oorlog in het team van ploegleider Raphaël Geminiani. Het brengt Mino op het lumineuze idee om de twee kemphanen, Jacques Anquetil en Rudi Altig, aan elkaar te koppelen voor de strijd met het uurwerk door Noord-Italië. Aartsrivalen, die ruim honderd kilometer lang hun eergevoel dienen uit te schakelen en moeten samenwerken om de concurrentie te verslaan en de overwinning op te strijken. Spektakel gegarandeerd.

Eenentwintig jaar eerder is de première van de Trofeo Baracchi minder spectaculair en de aanleiding voor het ontstaan van de koers een trieste. Angelo Baracchi, gerespecteerd zakenman in Bergamo en vader van de dan nog maar negentien jaar jonge Mino is niet alleen groot wielerliefhebber, maar ook voorzitter van de plaatselijke wielervereniging als hij op 44-jarige leeftijd ongeneeslijk ziek wordt en niet veel later het tijdelijke voor het eeuwige moet verruilen. Zoon Mino is met zijn ondernemerschap en liefde voor sport het bewijs dat de spreekwoordelijke appel inderdaad niet ver van de boom valt. Om zijn vader te eren besluit Baracchi junior een wielerwedstrijd te organiseren en die de familienaam mee te geven. De eerste jaren is de Trofeo Baracchi nog geen koppeltijdrit, maar een eendagskoers voor amateurs, beloftes en studenten in en rond Bergamo, de thuisstad van de Baracchi’s, en valt samen met de jaarlijkse festiviteiten ter gelegenheid van de druivenoogst. Michele Motta, een paar jaar later als prof niet veel meer dan een gerespecteerde knecht, laat in de Taleggio-vallei zijn naaste belagers achter zich en mag even later op de Via Torquato Tasso in Bergamo een ferme bos bloemen afhalen als eerste winnaar van de Trofeo Baracchi.

Na zes edities besluit Mino Baracchi in 1947 om ook profs toe te laten tot zijn wedstrijd. Het levert echter niet het gewenste spektakel op en daarom besluit Mino voor een andere aanpak te kiezen. Een waarop hij zelf, al voordat de renners van start zijn gegaan, enigszins invloed kan uitoefenen: een koppeltijdrit. Samenstelling en redactie? Mino Baracchi in eigen persoon. Renners mogen namelijk alleen op uitnodiging van de koersdirecteur aan de start verschijnen en ook als het gaat om het bepalen van wie met wie rijdt, heeft Mino een stevige vinger in de pap. En een goed gevulde portemonnee in zijn achterzak, zodat onenigheden tussen renners die door Baracchi opzettelijk aan elkaar worden gekoppeld, zoals Anquetil en Altig in 1962, voor even naar de achtergrond verdwijnen. Tenminste, voordat het startschot geklonken heeft. Zodra de renners op weg zijn wil de eerzucht nog wel eens opborrelen. De toch al zo dunne scheidslijn tussen broederliefde en broedermoord dreigt nog wat meer te vervagen.

Het maakt de Trofeo Baracchi tot de ideale gelegenheid om een openstaande rekening te vereffenen. Niet per se tussen koppels onderling, ook met het publiek. Doordat de wedstrijd helemaal aan het einde van het seizoen op de kalender staat, soms zelfs pas in november, biedt de race tegen de klok een uitgelezen mogelijkheid een sterk seizoen met nog maar eens een extra overwinning af te sluiten. Of juist de laatste kans een tegenvallend jaar tenminste nog een klein beetje goed te maken. Alsof de renners eenmalig in cassatie kunnen gaan tegen het bijna afgelopen wielerseizoen, met de Trofeo Baracchi als Hoge Raad.

De nieuwe aanpak levert onmiddellijk een aansprekende winnaar op. Fiorenzo Magni en zijn trouwe helper Adolfo Grosso staan in 1947 na de uitputtingsslag van liefst 111 kilometer op de hoogste trede van het podium. Magni gaat met zijn zege verder waar hij zes jaar eerder gebleven was. Helemaal origineel is het idee van Mino Baracchi om tweetallen samen tegen het uurwerk te laten strijden namelijk niet. In de jaren ’10 van de vorige eeuw, terwijl sommige renners hun carrière noodgedwongen moeten staken om in de Eerste Wereldoorlog aan het front te strijden, wordt in de driehoek Milaan – Como – Erba voor het eerst de Giro della Provincia di Milano gereden. De koppeltijdrit, met aankomst op het Milanese Velodromo Sempione en later op de beroemde Vigorelli-wielerbaan, is vanaf de eerste editie in 1917 een geliefde koers onder toppers als Gaetano Belloni, Costante Girardengo, de broers Henri en Francis Pélissier en de werelduurrecordhouder in die tijd, de Zwitser Oscar Egg. Tot en met 1943 wordt de Giro della Provincia di Milano ruim twintig keer gehouden – in de periode 1927-1931 niet, maar er zijn ook jaren waarin twee edities worden verreden – totdat de koppeltijdrit door de Tweede Wereldoorlog niet langer door kan gaan en van de kalender verdwijnt. Ene helft van het winnende koppel in de laatste editie in 1943 is… Inderdaad, Fiorenzo Magni.

Behalve winnaar Magni en het concept van een koppeltijdrit kopieert Baracchi na een paar edities nog een aspect van de Giro della Provincia di Milano. Aan het einde van de race tegen de klok, met als decor het heuvelachtige landschap van Lombardije, dienen de renners het Velodromo Vigorelli op te draaien om de laatste hectometers tot de finishlijn op de wielerbaan af te leggen. Het witte kalk is in eerste instantie slechts een tijdelijke verlossing. Als een toetjesbuffet, dat na een avond onbeperkt spareribs eten de maag nog eens extra kwelt, dienen de koppels na afloop van de meer dan honderd kilometer lange chronorace nog tweemaal op het velodroom aan te treden voor een korte proef. Eerst een tijdrit over één ronde en daarna een achtervolging. Van de drie afzonderlijke onderdelen wordt een puntenklassement opgemaakt om de einduitslag vast te stellen. De ‘toetjes’ verdwijnen na een paar jaar met stille trom van het menu, waarna de Trofeo Baracchi voortaan simpelweg een koppeltijdrit is. En een steeds groter wordende frustratie voor Jacques Anquetil.

‘Monsieur Chrono’, de man op wie in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw over het algemeen geen maat staat in races tegen de klok, slaagt er lange tijd maar niet in om zijn naam toe te mogen voegen aan de erelijst, waar behalve Fiorenzo Magni inmiddels ook Fausto Coppi, André Darrigade en Ercole Baldini op prijken. Telkens ontglipt Anquetil de overwinning. Alsof Mino Baracchi een wielervariant op het ‘oud-Hollands kattenkwaad’ beursje trekken uithaalt met de Fransman. Zodra ‘maître Jacques’ denkt de winst voor het grijpen te hebben, trekt iemand deze aan een onzichtbaar touwtje voor zijn neus weg. De ene keer is de concurrentie simpelweg beter, een volgende keer is domme pech de boosdoener. In 1960 bijvoorbeeld, als Anquetil met de Zwitser Rolf Graf veruit de snelste tussentijden laat noteren. Wanneer die laatste op zeventien kilometer voor de aankomst echter ongelukkig ten val komt, kan het tweetal niet anders dan noodgedwongen de strijd staken. De zege gaat naar het Italiaanse duo Diego Ronchini en Romeo Venturelli.

Twee jaar later biedt Mino Baracchi Anquetil een nieuwe kans en koppelt hem bovendien aan een ijzersterke partner, ploeggenoot Rudi Altig. De bundeling van talent en kracht in het kwadraat maakt de twee op voorhand de gedoodverfde favorieten voor de veertiende editie van de Trofeo Baracchi in de vorm van een koppeltijdrit. Slechts twee factoren kunnen voor zand in de naar verwachting goed geoliede machine zorgen. Pech, en de op dat moment al een half jaar durende rivaliteit tussen de twee kemphanen. Ondanks dat Anquetil en Altig beiden voor de Franse Saint-Raphaël-ploeg rijden is het nou niet bepaald koek en ei tussen de twee. Oorzaak van de ‘koude oorlog’ is de Vuelta-zege van Altig in het voorjaar. Tegen de stalorders van ploegleider Raphaël Geminiani in valt de Duitser in de tweede etappe van Barcelona naar Tortosa aan. Behalve de ritzege en de leiderstrui pakt Altig een aanzienlijke voorsprong op zijn kopman, die in 1962 niet alleen in één seizoen de dubbel Vuelta-Tour op zijn naam wil schrijven, maar op dat moment ook de eerste renner ooit kan worden die alle drie de grote rondes heeft gewonnen. Als Anquetil twee dagen voor de slotetappe er zelfs in de door hem zo geliefde tijdrit niet in slaagt in te lopen op Altig en juist alleen maar meer tijd moet toegeven op zijn opponent, verlaat de Fransman gedesillusioneerd de Spaanse ronde. Ziek, is de officiële lezing. ‘Liever opgeven dan tweede worden achter een ploeggenoot’, oordeelt de pers minachtend. Ondanks dat Anquetil een paar maanden later wel voor de derde maal in zijn carrière de Tour weet te winnen, blijft de sfeer tussen hem en Altig gespannen. Het is koren op de molen van Mino Baracchi, die de twee dan ook voorstelt om als koppel in Bergamo aan te treden op de eerste novemberdag van 1962.

Waar voetballers Frank Rijkaard en Rudi Völler drie decennia later echte boter nodig zouden hebben om hun vete opzij te schuiven, volstaan voor Jacques Anquetil en Rudi Altig in 1962 een riante startvergoeding en de kans om met vereende krachten de Trofeo Baracchi aan hun beider erelijsten toe te voegen. Niet dat ze de wedstrijd allebei even serieus nemen. Het noodweer dat de herfst in Noord-Italië eind oktober nog maar eens onderstreept, doet Anquetil besluiten de geplande trainingskilometers in aanloop naar de koppeltijdrit te laten voor wat ze zijn. Zijn Duitse partner daarentegen laat zich door donder en bliksem niet uit het veld slaan en traint in een van de vele lange tunnels, die de omgeving rond Bergamo rijk is. De gevolgen van de verschillende aanpak worden gaandeweg de Trofeo Baracchi pijnlijk duidelijk. Naarmate de kilometers verstrijken komt Anquetil steeds minder vaak op kop en zodra de Fransman het tempo dicteert, ligt dat zichtbaar lager dan wanneer Altig het voortouw neemt. De voorsprong die het duo halverwege heeft op de belangrijkste concurrenten, het koppel Ercole Baldini en Arnaldo Pambianco, loopt zienderogen terug.

Als Altig na iets meer dan driekwart van de af te leggen 111 kilometers vindt dat het nu wel erg lang duurt alvorens Anquetil hem aflost en een korte blik over zijn linkerschouder werpt, ziet hij tot zijn schrik een gat van enkele meters tussen zijn eigen achterwiel en het voorwiel van zijn metgezel. ‘Monsieur Chrono’ heeft beide handen onderin de beugels van zijn stuur en trapt de longen uit zijn lijf om in de slipstream van zijn ploeggenoot te blijven, maar hoeveel krachten hij ook aanwent, hij slaagt er niet in het wiel te houden. Altig kan niet anders dan kortstondig vertragen en zijn lichaam overeind hijsen. Nu kijkt hij wat nadrukkelijker om, ditmaal over zijn rechterschouder, en spoort tegelijkertijd zijn kompaan aan het tempo er in te houden. Met korte, dwingende armzwaaien gebaart hij Anquetil zichtbaar geïrriteerd om hem te volgen. Even zet Altig aan, om vervolgens opnieuw in te houden en de handelingen van enkele seconden eerder te herhalen. En nog eens. Als de Fransman eindelijk met veel pijn en moeite zijn fiets naast die van Altig heeft weten te bewegen, besluit de Duitser dat het tijd is voor drastischere maatregelen. Met zijn rechterhand pakt hij Anquetil eerst bij diens linker bovenarm en vervolgens bij de pen van zijn zadel. Als het aan Altig ligt is nu alles geoorloofd om maar een greintje van de kracht uit zijn eigen lichaam over te dragen op dat van zijn partner. Zoals een vader zijn zoontje leert fietsen en de vaart er in probeert te houden zodat het kleine knulletje niet omvalt, zo gidst Altig Anquetil naar de finish op de wielerbaan in Milaan. Daar blijkt het duo niet meer dan negen luttele seconden over te hebben van de halverwege zo riante voorsprong op Baldini en Pambianco. Net genoeg voor de overwinning, die Altig noodgedwongen alleen zal moeten vieren. Bij het opdraaien van het Velodromo Vigorelli is Anquetil dusdanig uitgeput dat hij de laatste bocht naar de wielerbaan niet weet te houden en zijn fiets tegen een paaltje rijdt. Het is dat de eindtijden pal voor het velodroom al zijn opgenomen, anders zou Anquetil de winst opnieuw zijn ontgaan. Als een bokser die rondes lang is afgemat door zijn opponent, na het horen van de bel verdwaasd terug zwalkt naar zijn eigen hoek en net voor het bereiken van het stoeltje alsnog tegen het canvas is geklapt, ligt Anquetil uitgeteld op de grond. Toegesnelde supporters ontfermen zich over hem. Terwijl Altig met een bos bloemen een eenzame ereronde rijdt over de wielerbaan, wordt zijn Franse kompaan per ambulance naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis vervoerd. Uitputting is de enigszins geruststellende, maar voor een renner van het kaliber Anquetil tamelijk confronterende, diagnose van de artsen.

Mino Baracchi is de lachende derde. De beelden en verhalen van Anquetil en Altig gaan de hele wereld over en geven het eerbetoon aan zijn overleden vader Angelo een status waar Baracchi junior twintig jaar eerder alleen maar van had kunnen dromen. Een droom die op dat moment de plaats innam van Mino’s vurige wens profvoetballer te worden. Als tiener had hij alle jeugdelftallen van Atalanta Bergamo doorlopen, maar uiteindelijk kwam hij net te kort voor een plek in de hoofdselectie. Eind jaren ’60 zou Mino nog wel een jaar voorzitter zijn van de club waar een halve eeuw later de Nederlanders Marten de Roon en Hans Hateboer wekelijks furore maken in de Italiaanse serie A. Eerder was Baracchi ook al enige jaren voorzitter van de motorsportvereniging in Bergamo en actief betrokken bij motorraces.

De spraakmakende zege van Altig en Anquetil nodigt Mino Baracchi uit vaker rivalen uit het peloton aan elkaar te koppelen. Zo stuurt hij Anquetil een jaar later op pad met Raymond Poulidor. De twee moeten echter hun meerdere erkennen in een ander Frans duo. Twee Josephs, Velly en Novales, kapen de zege weg. In 1979 laat Mino Francesco Moser en Giuseppe Saronni een koppel vormen. Eerstgenoemde is duidelijk te sterk voor zijn landgenoot, die beduidend kortere aflossingen doet en op sommige momenten nauwelijks het wiel kan houden. Sommige volgers beweren na afloop zelfs dat Moser er misschien nog wel meer genoegen in zou hebben gehad als hij Saronni had kunnen lossen dan in het winnen van zijn derde Trofeo Baracchi, één meer dan zijn oudere broer Aldo twee decennia eerder.

Francesco Moser zal de koppeltijdrit daarna nog twee keer winnen, in 1984 met Bernard Hinault en een jaar later met de Deense baanrenner Hans-Henrik Ørsted. Het maakt hem met vijf zeges recordhouder. Het hadden er net zo goed zes, zeven of acht kunnen zijn, ware het niet dat Moser het niet elk jaar even goed treft met de renner die Mino Baracchi voor hem heeft bedacht als partner. Het levert in 1986 een tafereel op dat in meerdere opzichten doet denken aan een kwart eeuw eerder. Inmiddels is de Trofeo Baracchi weer iets naar voren gehaald op de wielerkalender. Begin november wordt eerst oktober en vervolgens komt de koers in september terecht. Door onwelwillendheid van de autoriteiten in Bergamo heeft Mino Baracchi, na wat omzwervingen, voor Trente gekozen als aankomstplaats, uitgerekend de thuishaven van Francesco Moser. Nadat de Italiaan twee jaar op rij in zijn geboortestreek heeft weten te winnen vormt hij in 1986 een paar met Dietrich Thurau. Tot ongeveer driekwart van de af te leggen 96,6 kilometer rijden de twee de stenen uit de Italiaanse straten en laten voortdurend de snelste tussentijden noteren. Dan blijkt het tempo van Moser de Duitser te machtig. Wat volgt is haast identiek aan het scenario uit 1962. Thurau kan Moser niet langer volgen en moet door de Italiaan aangemoedigd en geduwd worden. Net als Jacques Anquetil komt ook Thurau ten val en eindigt met extreme uitputtingsverschijnselen in een Italiaans ziekenhuis. Ook nu gebeurt de val pas na het stoppen van de tijdwaarneming. Een verschil met 1962 is er wel. Waar Altig en Anquetil de concurrentie nipt wisten voor te blijven, zetten Moser en Thurau slechts de zevende tijd neer. Tot overmaat van ramp worden de twee veteranen uit de uitslag geschrapt, omdat Moser bij zijn verwoede pogingen Thurau sneller vooruit te bewegen de reglementen heeft overtreden. Om het drama voor de Italiaan nog iets groter te maken gaat de winst uitgerekend naar aartsrivaal Giuseppe Saronni, die aan de Poolse tempobeul Lech Piasecki is gekoppeld. Een jaar later neemt Moser afscheid van de Trofeo Baracchi met een tamelijk troosteloze vijfde plek, ditmaal gekoppeld aan de Deen Jesper Worre. Het echte afscheid volgt in 1988 als de reeds gestopte vijfvoudig winnaar door Mino Baracchi nog eens extra in het zonnetje wordt gezet en onder begeleiding van collega-renners en supporters een eretocht aflegt van Trente naar zijn woonplaats Palù di Giovo.

Francesco Moser is niet de enige die door de alleenheerschappij van Mino Baracchi, als het gaat om welke renners een paar mogen vormen, één of meerdere overwinningen misloopt. Als Eddy Merckx in 1969 aangeeft te willen starten met Herman van Springel, spreekt de organisator zijn onverbiddelijke veto uit over het voorstel. In de optiek van Mino zijn de twee Belgen samen dermate kansrijk om de koppeltijdrit te winnen dat de concurrentie op voorhand voor spek en bonen mee rijdt. Er wordt een spreekwoordelijk stokje gestoken tussen de spaken van Merckx en Van Springel. Laatstgenoemde wordt door Baracchi dus niet aan zijn landgenoot gekoppeld, maar aan Joaquim Agostinho. Merckx op zijn beurt wordt verzocht te starten met de jonge Italiaan Davide Boifava in zijn kielzog. Die is als renner echter bij lange na niet zo succesvol als hij een slordige twee decennia later als ploegleider van onder anderen Marco Pantani, Guido Bontempi, Claudio Chiappucci en Stephen Roche zal zijn en boort Merckx zijn kansen op een nieuwe ‘trofeo’ door de neus. Van Springel en Agostinho mogen die middag samen de ‘spumante’ op het erepodium ontkurken.

Mino’s wil is wet. Renners die zich niet schikken naar zijn wensen riskeren dat hun beoogde partner doodleuk aan een ander wordt uitgehuwelijkt, waardoor ze zelf niet meer aan het vertrek hoeven te verschijnen. En zo de in het vooruitzicht gestelde bruidsschat, of beter: de startpremie, niet kunnen opstrijken. In de maanden voorafgaand aan de Trofeo Baracchi struint Mino ieder jaar trouw Giro, Tour en WK af om een aantal wereldtoppers en publiekslievelingen alvast met potlood een handtekening te laten zetten onder een deelnamecontract. Niet dat zo’n voorlopige overeenkomst heel veel waard is. Ook nu is Mino soms grilliger dan de Ligurische Zee, een slordige honderd kilometer ten zuiden van Bergamo. En een stuk opportunistischer. Zo laat de koersdirecteur Stephen Roche zijn metgezel Adrie van der Poel daags voor de editie van 1984 doodleuk afbellen. De Ier zou in plaats van met de Nederlander ook een koppel kunnen vormen met landgenoot Sean Kelly en dat vindt Baracchi veel interessanter én meer startgeld waard. Van der Poel mag nog wel deelnemen, maar zal zelf ter elfde ure een andere partner moeten zoeken. Boosheid en het besluit zichzelf de reis naar Noord-Italië te besparen zijn het resultaat van Baracchi’s gril.

Het voorval is bijna het omgekeerde van hetgeen zich vijftien jaar eerder afspeelt. Als René Pijnen weigert met Gerbens Karstens te koppelen, zwaait Mino onmiddellijk met het contract waar Pijnen zijn handtekening al onder heeft gezet. De afspraak is echter gemaakt voordat de notariszoon uit Leiden – bestaan er eigenlijk verhalen waarin de naam Gerben Karstens valt en waarin niet ‘en passant’ kond wordt gedaan van het feit dat zijn vader notaris was? – zijn twee weken eerder behaalde overwinning in de Ronde van Lombardije heeft moeten inleveren vanwege een positieve dopingplas. Urine die overigens niet uit het lijf van Karstens afkomstig was, maar uit die van zijn chauffeur Jan Leijs. Op die manier had de renner uit de Franse Peugeot-ploeg de dopingcontroleurs om de tuin willen leiden, ware het niet dat Leijs zelf ook wat stimulerende middelen had geslikt om een nachtje door te kunnen karren. De plas die Karstens inleverde na het winnen van Il Lombardia gaf dus evengoed licht in het donker door verboden middelen, met diskwalificatie als gevolg. Een dergelijk scenario zou in een klucht of comedyserie door recensenten vermoedelijk als tamelijk ongeloofwaardig worden afgedaan, maar soms is de werkelijkheid gekker dan welk verzinsel dan ook.

Met een valsspelende collega als Karstens wil Pijnen niet aan de start van de Trofeo Baracchi verschijnen. Bang dat een dergelijke samenwerking op zijn eigen reputatie zou kunnen afstralen. De officiële lezing was destijds trouwens dat de leiding van Pijnens Willem II-Gazelle-ploeg niet wilde dat hij met iemand van een buitenlands team zou starten, maar de meeste mensen wisten wel beter. Mino Baracchi heeft echter geen compassie met Pijnen en houdt de Brabander aan zijn contract, dat hem verplicht met Karstens te starten. Met frisse tegenzin werkt het duo de 120 kilometer tegen het uurwerk af, met een nog fraaie vierde plaats als resultaat. Vier jaar eerder, in 1965, lijkt Gerben Karstens in gezelschap van Henk Nijdam lange tijd op weg naar de overwinning. Op vijftien kilometer voor de aankomst op de Vigorelli-baan in Milaan laten de twee de snelste tussentijd noteren. Sneller dan koppels als Anquetil & Stablinski en Dancelli & Scandelli. Tot het noodlot de twee op hardhandige wijze de pas naar eeuwige roem afsnijdt. Op het natte Italiaanse wegdek raakt de steeds vermoeidere Nijdam in onbalans. Kracht en concentratievermogen ontsnappen heimelijk doch razendsnel uit het lichaam van de renner, als een stelletje dat op een feestje door de achterdeur het aanwezige gezelschap verlaat om de avond samen voort te zetten. Weerloos kwakt de renner tegen het asfalt, het helmloze hoofd voorop. Tot overmaat van ramp wordt Nijdam ook nog eens getoucheerd door een te laat remmende motoragent. Ondanks de buitenproportionele tegenslag kruipt hij terug op zijn fiets om met Karstens de weg naar Milaan te vervolgen. In shock en met een lichte hersenschudding, zal na afloop blijken. Direct na de finish moet Nijdam in allerijl naar het ziekenhuis worden vervoerd. Niet alleen hebben Karstens en hij in de laatste kilometers van de Trofeo Baracchi van 1965 liefst zes minuten verloren op de uiteindelijke winnaars Anquetil en Stablinski, na het passeren van de finishlijn blijft Nijdam stoïcijns doorrijden. Vier totaal overbodige rondes legt hij af op het Vigorelli-velodroom. Vermoedelijk zonder het zelf te beseffen, als ware hij een fietsende robot. Het herhaaldelijke ‘Nijdam, fermarsi!’ (‘Nijdam, stoppen!’) van de speaker dringt met geen mogelijkheid door tot het gehavende hoofd van de Nederlander. Pas als Karstens en enkele wedstrijdofficials Nijdam na vier overbodige finishpassages bij zijn kladden grijpen en van zijn fiets sleuren, komt een einde aan de merkwaardige vertoning.

Wielerminnend Nederland moet op dat moment nog vijf jaar wachten op de eerste Nederlandse zege in de Trofeo Baracchi. Roy Schuiten schrijft de koppeltijdrit in 1974 op zijn naam, aan de zijde van Francesco Moser. Een prestatie die hij vier jaar later nog eens herhaalt, maar dan samen met de Noorse hardrijder Knut Knudsen. Nog eenmaal zal een Nederlander zegevieren in de Trofeo Baracchi. De vraag wie zal menig hersenpan harder doen kraken dan een deur in een slecht onderhouden vakantiebungalow van enkele decennia oud. Niet Joop Zoetemelk, Bert Oosterbosch, Henk Lubberding of Erik Breukink, maar Tom Cordes is het die in 1990 samen met Rolf Gölz de overwinning opeist. De twee dissidenten uit de SuperConfex-ploeg van Jan Raas – van beide renners is ten tijde van de Trofeo Baracchi al lang bekend dat ze naar een ander team zullen verkassen en dat vertrek is nou niet bepaald in goede harmonie verlopen – schrijven de laatste editie van de koppelkoers op hun naam. Door de mondialisering van het wielrennen, de daarmee gepaard gaande uitbreiding van de wedstrijdkalender en de stijgende salarissen, is het voor Mino Baracchi steeds lastiger geworden om een geschikte datum voor zijn wedstrijd te vinden. Laat staan een aantrekkelijk deelnemersveld bij elkaar te brengen. De populariteit van de Trofeo Baracchi is al enkele jaren tanende. Waar het publiek in de hoogtijdagen kilometers lang in dikke rijen langs de weg stond, op sommige delen van het parcours konden de renners elkaar door de mensenmenigte amper passeren om de koppositie over te nemen, is het enthousiasme van de ‘tifosi’ zienderogen geslonken. Ook de ambtenaren in Noord-Italië werken niet bepaald mee. In haar laatste decennium is de Trofeo Baracchi, als gezegd, verhuisd van bakermat Bergamo, naar eerst Pisa, en vervolgens Trente, maar Mino moet steeds meer moeite doen en kosten maken om de benodigde vergunningen te verkrijgen.

Met pijn in het hart besluit Mino Baracchi na vijftig edities een punt te zetten achter de koers die hij begon als eerbetoon aan zijn vader Angelo. Nou ja, bijna dan. In 1991 wordt er nog een laatste Trofeo Baracchi verreden, al is die wedstrijd de naam eigenlijk niet waard. Als ‘eerbetoon’ aan de koers die dan op sterven na dood is, heeft de internationale wielerbond de ‘trofeo’ gefuseerd met de GP des Nations; de jaarlijkse individuele tijdrit in Frankrijk, die voor de gelegenheid verplaatst wordt naar Italië. De wedstrijd zal dienen als finale van de strijd om de wereldbeker. Het is een probeersel dat geen lang leven beschoren is. Tony Rominger is de winnaar van een wedstrijd die vooral in het nieuws komt door het gebakkelei vooraf tussen de UCI en de renners die geacht worden aan het vertrek te staan. Als het aan de internationale wielerbond ligt verschijnen de twintig coureurs die het meest hebben uitgeblonken in het wereldbekerseizoen aan de start. Dat zijn over het algemeen klassiekerspecialisten die furore hebben gemaakt in onder meer Milaan-Sanremo, de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix, en niet bepaald erkende tijdrijders. Kanshebbers in een race tegen de klok, zoals Erik Breukink, moeten in eerste instantie op de reservebank plaatsnemen. Pas bij afmeldingen van startgerechtigde renners mogen zij aantreden in Italië. Zodoende kan Breukink uiteindelijk alsnog meedoen, al weet hij niet te voorkomen dat Rominger een kleine minuut minder nodig heeft dan hij voor de af te leggen 64 kilometer.

Mino Baracchi ziet het met lede ogen aan en besluit de eer aan zichzelf te houden. De naam van het eerbetoon aan zijn vader mag in zijn optiek niet zomaar op welke wedstrijd dan ook worden geplakt. Er is maar één wedstrijd die zich Trofeo Baracchi mag noemen. De zijne. Als het hem niet meer lukt die te organiseren, dan niemand anders. De ode aan Angelo Baracchi mag niet verkwanseld worden. Na ruim vijftig edities, de beginjaren als eendagskoers meegerekend, valt het doek voor de Trofeo Baracchi. Ook de scheidslijn tussen de liefde voor een koers en het verscheiden ervan blijkt een flinterdunne.

 

Bron: https://www.lepetitbraquet.fr/chron21_baracchi.html