Roger Walkowiak (2 maart 1927 – 2 februari 2017)

Hij praatte er niet vaak over, ook niet met zijn vrouw. Weinig mensen wisten het, hoeveel hij geleden heeft, geleden aan een van de grootste prestaties die een sportman kan bereiken. Roger Walkowiak zweeg liever.

Daar was hij goed in, zwijgen.

Roger Walkowiak zou eigenlijk helemaal niet deelnemen aan de Tour de France. Hij, de zuiderling, wordt echter op het laatste moment opgeroepen als laatste lid van het Nord-Est-Centre-team, omdat er op zo’n korte termijn niemand anders beschikbaar is om Gilbert Bauvin te vervangen, die is gepromoveerd naar het nationale team.

En zo vangt de Tour de France van 1956 aan, de koers die het leven voor Roger Walkowiak gaat veranderen op een manier die dan nog niemand voor mogelijk houdt.

De zevende etappe gaat van Lorient naar Angers. Een omvangrijke kopgroep van 31 renners raakt voorop. Het verschil loopt op en op en op.

Terwijl het peloton weigert in gang te schieten, verdwijnt de kopgroep langzaam aan de horizon, daar waar Angers ergens moet liggen.

Aan de finish is het verschil tussen kop en staart van de koers ruim achttien minuten. Perini wint de etappe, ene Roger Walkowiak wordt op het podium geroepen om de gele trui in ontvangst te nemen. Niemand die er al te veel gedachten aan wijdt; het zijn minimale renners die later in de wedstrijd met minimale inspanningen weer zullen worden bijgehaald.

In etappe tien lijkt het lied van Walkowiak, een Poolse Fransman uit het zuiden, al uitgezongen. Eerst is het de Nederlander Gerrit Voorting die hem de trui afhandig maakt, later, in de Pyreneeën, de Vlaming Jan Adriaensens en weer later de Hollander Woutje Wagtmans. De trui is als een estafettestokje dat te heet is om lang vast te houden.

En terwijl de een na de ander sneuvelt, houdt Walkowiak dag na dag stand in de frontlinie van het klassement.

In de 18e etappe, wanneer de tot dat moment niet erg gelukkige Charly Gaul met een definitieve aanval probeert te redden wat er nog te redden valt, valt het peloton in de Alpen uit elkaar als een spiegel op een stenen vloer.

Aan de finish, als Gaul al lang als etappewinnaar gehuldigd is, moeten de toeschouwers meer dan een kwartier wachten op de maillot jaune van Wagtmans.

Acht minuten eerder is de muizige Walkowiak in al zijn onopvallendheid over de finish gerold. Hij herovert het geel, dat hij de resterende ritten verdedigt als een leeuw.

Enkele dagen later laat hij zich in het Parc des Princes huldigen als Tourwinnaar met slechts een minuut voorsprong op de nummer twee. Die nummer twee heet trouwens Gilbert Bauvin.

Het applaus rolt van de tribunes van het stadion als een kubus van een niet al te steile helling. Geen mens slaagt erin zich door de zege van de underdog begeesteren, Walkowiak is de kampioen van de armoede.

Wie goed luistert, hoort hoe een enkele ‘BOE’ uit de buik van het verbaasde publiek ontsnapt. Roger Walkowiak is gelukkig, maar hij is niet doof.

De Tour van 1956 zal een eenzame bergtop blijken in het verder biljartvlakke landschap dat de loopbaan van Roger Walkowiak symboliseert. In 1959 stopt hij met wielrennen, berustend in de wetenschap dat zijn finest hour voorgoed achter hem ligt. Hij opent een benzinestation met aanpalende bar, maar verliest al snel het plezier in zijn werk wanneer zijn klanten hem dag in, dag uit plagen met zijn onverdiende Tourzege, met zijn muizigheid, met zijn status als schandvlek.

Uiteindelijk keert hij terug naar de autofabriek waar hij als jongen werkte. Aan de lopende band komt zijn onopvallende karakter pas goed tot z’n recht.

Het zal vele sombere jaren duren voor Roger Walkowiak weer aan mensen durft te vertellen over die zomer van 1956. Die zomer waarin alles even meezat in een leven waarin lang niet alles heeft meegezeten.