Alex Zülle (5 juli 1968)

Zo af en toe wurmt het verleden zich krachtig het heden binnen. Bijvoorbeeld wanneer Bernard Hinault in een overhemd met korte mouwtjes op een Tourpodium staat te blaken van gezondheid en je denkt dat hij zó op de fiets zou kunnen stappen om de nek van Greg Lemond ergens bovenop een Alpencol om te draaien.

Je geheugen is soms sterker dan je verstand, zoals je ook zeker weet dat je laatstelijk nog een wedstrijd hebt horen becommentariëren door Mark Vanlombeek, gewoon omdat het zachte, rustige geluid van zijn stem zich in je oren staat gekerfd als sommige reeds jaren ontbonden huwelijken als prille verkeringen in bomen in het park.

Hetzelfde verschijnsel doet zich voor als Alex Zülle nog eens opduikt op een podium in, pak ‘m beet, de Ronde van Zwitserland. Niks veranderd, Alex, hoogstens wat extra grammen op plaatsen die zijn keurige kostuum uitstekend bedekt.

Echt vergeten is hij niet, maar je had al lang niet aan hem gedacht. En nu je hem ziet, lijkt het alsof er geen dertien jaar zijn verstreken sinds zijn laatste tweede plek in het Tourklassement.

Veel is er ook niet veranderd. Hij is nog altijd samen met zijn vriendin Andrea, die nu zijn vrouw is, hij heeft nog altijd twee kinderen en achter zijn brillenglazen is er nog altijd die open blik van aangename bescheidenheid, niet het starre staren van de opgejaagde topsporter.

Zijn site is nog steeds te bezoeken, al wordt die al enkele jaren niet meer bijgehouden. De reden daarvoor wordt door de voormalige webmaster toegelicht in een breedsprakig adieu, waarin sprake is van onzekerheid over Internetaansluiting in zijn huidige studentenhuis. De “echte Schmanker” die hij nog in petto zegt te hebben, blijven voorlopig geheim.

Zülle woont nog steeds in het kanton van Sankt-Gallen, de plaats waar hij eind jaren zestig werd geboren uit de liefde tussen een Zwitserse man en een jonge vrouw uit Noord-Brabant. Zijn moeder heet Wil, evenals zijn door dichte bossen omzoomde geboortedorp waar hij een jeugd beleefde van fikkies stoken en indiaantje spelen. 44 jaar later is de baby van toen een vedette uit het verleden en woont hij in een zelfgebouwde villa in Zuckenriet, een vlekje op de kaart ergens tussen Wil en Sankt-Gallen.

In de garage, naast de grijze Porsche, staan nog altijd de ski’s en de racefietsen die hem hebben gemaakt tot wat hij is.

Want eigenlijk, eigenlijk, eigenlijk zou Alex Zülle skiër worden. Maar hoe gaat dat: je raakt geblesseerd, je trainer raadt je aan de spieren te ontlasten en eens een rondje te fietsen en je blijkt aanleg te hebben. Of puur talent, in Zülles geval.

Het was liefde op het tweede gezicht, tussen Alex en de fiets. Een eerste poging tot wielrennen had hij in het land van zijn moeder ondernomen. Het werd een joekel van een mislukking, de regen en de wind die over de vlakten joegen deden al het mogelijke om hem de moed in de schoenen te laten zinken.

Pas veel later, gekleed in een spijkerbroek, doet hij een hernieuwde poging, in de omgeving van Sankt-Gallen dit keer.

Hij haalt een troepje trainende renners in, om zijn weg met hen te vervolgen. Na afloop van het ritje blijkt dat de renners deel uitmaken van het beste Zwitserse amateurteam van het moment. Het is de trainer van die club – voormalig Zwitsers kampioen Guido Amrhein – die vader Walter aanspreekt op het talent van zijn enige zoon: hij voorziet een grote toekomst voor de brillende slungel.

Amrhein heeft het goed gezien: binnen enkele jaren is de snel lerende Zülle een van Zwitserlands beste amateurrenners. Zijn ploeggenoten verhuizen een voor een naar profteams overal in Europa, voor de ongepolijste Alex is echter nauwelijks belangstelling.

Hij zoekt contact met Manolo Saiz, manager van de Once-ploeg.

Saiz heeft geen belangstelling, hij is niet geïnteresseerd in mannen met oorringen, schrijft hij.

Alex blijft zeuren, bellen, schrijven en uiteindelijk gaat Saiz overstag: Alex mag stage lopen tijdens de Ronde van Catalonië. Dat zal hem leren, vermoedt Saiz, Catalonië.

Die week in Catalonië rijdt Zülle nauwelijks in het peloton. Zodra het startschot gegeven is, demarreert hij en zodra hij is ingelopen, zint hij op nieuwe ontsnappingen. Het levert hem niets meer op dan de bijnaam “perro loco”. Alex, de dolle hond, heeft desalniettemin het ongelijk van Saiz bewezen. Hij krijgt een contractje, voor het minimumloon.

Missie geslaagd.

Alex doet er alles aan te slagen bij Once. Hij verhuist naar Benidorm en schaft niet veel later een eigen huis aan, in Moreia. Hij kijkt Spaanse televisie, gaat op Spaanse les en leert alles wat er te leren valt over de Spaanse identiteit. Zo wordt hij al snel een echte Iberiër, alleen aan zijn oorring blijft hij trouw.

Alex heeft op oudejaarsavond een meisje leren kennen. Andrea heet ze, ze werkt als doktersassistente en hij vindt haar leuk. Zij hem ook, al begrijpt ze niets van wielrennen. Ze zal de moeder van zijn kinderen worden.

Een eerste aankondiging van een grote carrière volgt in het najaar van 1993: Zülle rijdt dertien dagen in de gouden leiderstrui van de Vuelta, maar valt en moet de strijd staken. Het is zijn eerste grote val en het zal zeker zijn laatste niet zijn, getackeld als hij wordt door een combinatie van onervarenheid, beslagen brillenglazen en overdreven voorzichtigheid.

Zijn revanche op de Spaanse ronde volgt jaren later: hij is er de sterkste in 1996 en 1997.

Zeven jaar blijft Alex in dienst van Manolo Saiz, die hem en Laurent Jalabert beschouwt en behandelt als aangenomen zoons. Eind 1997 – Zülle is het jaar voordien ook wereldkampioen tijdrijden geworden door in de stromende regen (jawel!) Boardman en Rominger te declasseren – krijgt hij een miljoenenbod van de Zwitserse horlogeboer Festina. Festina is het sterrenensemble van dat moment, een verzameling beroemde renners met ego’s zo groot dat ze wel een eigen hotelkamer kunnen gebruiken: Virenque, wereldkampioen Brochard, Dufaux en talloze anderen.

Zülle moet de ploeg eindelijk aan een Tourzege helpen. Het loopt anders.

De Giro gaat de mist in, wanneer Alex zich uit de tent laat lokken door een eindeloze reeks aanvallen van Marco Pantani en zich volledig opblaast. In de koninginnerit door de Dolomieten verliest hij zoveel tijd, dat hij in het pikkedonker de finish bereikt.

Bovendien is de sfeer binnen de ploeg met zijn komst voorgoed verziekt en de renners hebben zich opgesplitst in verschillende kampen. Virenque en co. noemen Zülle ‘L’allemand’ en bedoelen daar niets vriendelijks mee. Als kort voor de start in Dublin dan ook nog Willy Voet wordt opgepakt wegens de smokkel van een volledige apotheek van prestatiebevorderende middelen, is de boot helemaal aan. De Festina-coureurs worden opgepakt, ieder apart in een cel gezet en urenlang verhoord. Zülles bril wordt hem afgenomen, hij huilt als de rechercheurs hem ophalen voor verhoor. Zülle bekent epo-gebruik, hij verbreekt het stilzwijgen dat in het peloton voor loyaliteit doorgaat. Na hem volgen Brochard, Dufaux en Meier.

Slechts Virenque, de kopman, de golden boy, hult zich in het verongelijkte zwijgen van het betrapte kind. Het levert hem de walging van zijn collega’s op, alsmede een contract bij Polti.

Zülle verhuist na zijn schorsing terug naar Spanje, waar hij inmiddels al evenzeer thuis is als in Zwitserland. Hij gaat rijden voor Banesto, en wordt prompt tweede in de Tour. Aan die succesvolle comeback gaan maanden vooraf van wat Banesto-baas Unzue ‘virtueel koersen’ noemt. Zülle volgt een programma van meerdaagse Spaanse koersen, logeert in het teamhotel en eet mee met zijn toekomstige ploegmakkers. Hij is echter nog altijd geschorst.

Een uur vóór de start vertrekt hij, moederziel alleen. Met één enkel doel: het peloton voorblijven.

De eenzaamheid maakt hem somber maar de methode sorteert effect: in de Tour kan alleen een volledig herstelde en bijna volledig vernieuwde Lance Armstrong hem van de zege afhouden, daarbij nog een handje geholpen door de spekgladde keien van de Passage du Gois, waar Zülle er uiteraard weer bij gaat liggen.

Hij maakt zich niet druk om dergelijke nederlagen. De sport is de sport en bij de sport horen tegenslagen. Chagrijnig zijn na een verloren wedstrijd, zelfs al is die wedstrijd de Tour, dat zit niet in zijn aard. Liever klust hij met Andrea een middagje aan hun droomhuis in Zuckenriet.

Na 1999 wordt het allemaal wat minder met Alex Zülle. Het jaar 2000 valt grotendeels in het water, evenals het grootste deel van zijn periode bij het poenerige Team Coast, waar hij wel in de bloedhitte de Ronde van Zwitserland op zijn naam schrijft. Het is zijn laatste zege van belang, ondanks twee laatste contractjaren bij Phonak.

Vanaf dat moment houdt hij zich bezig met raadgeving aan parkoersbouwers en het begeleiden van jong talent. Af en toe wordt hij uitgenodigd om een startschot te komen geven of een leiderstrui te komen uitreiken. Het zijn de momenten waarin hij terugkeert naar de openbaarheid die hem gestolen kan worden. Liever is hij thuis, in Zuckenriet, met zijn zoons en met Andrea. Daar genieten ze van wat nu is, al is één blik op de racefiets in de garage genoeg om het verleden een vrolijke schaduw over het heden te laten werpen.