Vroeger, beter gezegd héél vroeger, had iedereen die op een renfiets reed, een licentie. Nu heeft iedereen een racefiets en heeft niemand meer een licentie. Bij wijze van spreken dan. Andere tijden.

Ikzelf had een renfiets en ook een ‘n tijdje een licentie. Maar tot wedstrijdrenner van enig kaliber, laat staan dat van Tourwinnaar Jan Janssen heb ik het nooit kunnen schoppen. Ambitie genoeg maar talent te weinig. Wel voel je je dan met die ervaring for life wielrenner, behept met de bijbehorende mores en het jargon van die subcultuur. Elk fietstochtje is in de beleving een trainingsrondje en wordt ook expliciet zo benoemd.

Harm Kuipers verzekerde me dat sportieve capaciteit voor driekwart genetisch bepaald is, de rest komt door training en volharding. C’est la vie zullen we maar zeggen. Daar moet je het dan als eenvoudige sterveling mee doen.
En ja, ik kijk – met mijn gedateerde zogenaamde rennersogen – wel eens meewarig naar die neofieten die begin maart bij een bleek zonnetje en een schrale oostenwind in de korte broek al voorbij komen stampen. Op de veertien natuurlijk. Hard rijden kunnen ze wel hoor die neo’s zonder licentie. Een nog steeds groeiende horde trouwens. Door Willem Vissers, de sportjournalist van de Volkskrant, een beetje vilein getypeerd met “als wielrenners verklede fietsers” (sic).

Ze kennen de zeden en gebruiken van het rennen niet. Sterker nog, het zal ze ook aan hun reet roesten. Immers hun bottom-line ligt meestal bij het moment van aanschaf van hun “machine” (uitdrukking uit de tijd van sprintkanon Piet Moeskops).

Peperdure, magnifieke fietsen met alles erop en eraan. Full carbon frame en dito wielset, schijfremmen en elektrische schakeling. Fancy Italiaanse kledij voor het al dan niet strakke lijf. Garmin op het stuur. Een wat grotere zondagochtendgroep vertegenwoordigt al gauw tienduizenden euro’s aan gerei. In deze coronatijd moeten die fietsenmakers goud geld verdienen. Ze krijgen het spul niet aangesleept. De een zijn dood is de ander zijn brood, moet je maar denken.

Maar toch moet je niet vergeten dat ze een wezenlijk deel zijn van de kurk waarop de hedendaagse wielersport drijft. Van de tijd dat een aangemeten RIH afgemonteerd met Campagnolo nog het summum was, is de handel uitgegroeid tot een wereldwijde miljardenbusiness. Het professionele peloton is een marketingtool geworden. Denk aan al het superieure materiaal wat die copycats onder de kont hebben. En het houdt niet op natuurlijk, want naast de mtb moet er ook nog een gravelbike in de schop komen staan. Het Strade Bianchi-effect. Aangewakkerd door gisse marketingjongens (ja ook gij, Brutus De Louw).

Even een zijsprongetje. Vaak wordt de doorsnee-“jeugdige” wielertoerist een onbehouwen gedrag verweten, wat ook dikwijls zo is. Hoffelijkheid,verkeersregels en social distance zijn dan wat diffuse begrippen. Maar afgelopen week zag ik een grote groep AOW-ers (m/v) in ruimzittende koerskleren neerploffen op een terras. Waarschijnlijk late roepingen. Die trokken zich ook van God en het coronagebod weinig aan.

Opvallend is wel dat in de hele nieuwe fietspopulatie de gekleurde coureur wat ondervertegenwoordigd is. Althans volgens mijn waarneming is het legioen overwegend blank. Een geval van etnische uitsluiting? Moet daar geen actie op worden gevoerd? Wel is het vrouwelijke contingent flink in opmars. Volop Alfonsina Strada’s en Mienen van Bree. Volgens mijn fietsmaat “lekkere wijven”. Hij riskeert daarmee wel even een ijskoude feministische golf over zich heen te krijgen, maar dat geheel terzijde.

Ja de mores en de “truken van de foor” (zoals ze in Vlaanderen zeggen) die kennen ze nog niet. Je ziet het soms gebeuren. Twee oudgediende linkmiegels (lees: ex-wedstrijdrenners op gevorderde leeftijd) die lekker in het wiel gaan zitten lachen van een voorbijkomende arme jongen die zich, om ze te lossen, het leplazarus rijdt. En om dan als hij wat lichtjes begint te versagen, er vanachter weg te kletsen. Daarom nog een kleine anekdote met de one and only Jan Janssen. In 1996 werd in Den Bosch in het kader van de Tourstart een toertocht georganiseerd. Op uitnodiging. Oud-Tourwinnaar Jan Janssen was uiteraard ook geïnviteerd. Op een gegeven moment moest Jan een plasje doen. Oh dacht ik, dat kan ik ook wel even doen en dan rijden we samen kop over kop terug naar de groep. Zo gezegd zo gedaan. Tot Jan in het nabije zicht van de groep even verzaakte. Nou die truc voelde ik in ieder geval al aankomen. In het zicht van de haven zou hij wel wegpoefen. En jawel. Maar hij had buiten de waard gerekend en in zijn wiel sloot ik mooi mee aan. Nog wat merkwaardigs uit die tocht. De heer Nouwen, directeur van de ANWB, reed ook mee. Halverwege de rit landde er plots een helikopter in de polder en de heer N. stapt nog in rennersplunje in. Het bleek dat hij op Schiphol nog een belangrijke gast van zijn club moest uitzwaaien. En dat allemaal van mijn contributie! Truken van de foor, toch.

Genoeg gezeverd. Het is al laat geworden. Nou draai ik nog maar een muziekje. Even een cassettebandje in het deck steken. Chris Farlowe met het Stones-nummer Out of time lijkt me wel toepasselijk. Je moet immers je plaats kennen. Zelfkennis enz. weet u wel. Zo meteen galmt het weer door mijn bovenkamer:

You’re obsolete my baby
My poor old fashioned baby
I said baby, baby, baby, you’re out of time