Foto Sander Kolsloot
Minder fietsen, beter presteren? De mythe van 30.000 kilometer
Wielerprofessionals trapten jarenlang automatisch richting 30.000 kilometer per seizoen. Maar de aanpak verschuift. Een uitleg over hoeveel profs nu rijden, waarom dat verandert, en wat dat betekent voor jouw eigen training. Want uiteindelijk sijpelen de inzichten uit het profpeloton door naar ons amateurs.
De 30.000 kilometer per jaar gold lang als een soort ongeschreven standaard in het profpeloton. Wie als beroepsrenner serieus genomen wilde worden, draaide dat volume, verdeeld over trainingsritten, koersdagen en trainingskampen. Maar die standaard staat onder druk. Steeds meer ploegen en renners kiezen bewust voor minder kilometers, met meer nadruk op kwaliteit, structuur en gerichte inspanning.
Waar komt dat getal vandaan?
De 30.000 kilometer is geen wetenschappelijk vastgestelde norm, maar een praktisch gevolg van hoe het seizoen traditioneel is opgebouwd. Een profrenner rijdt ruwweg 60 tot 80 koersdagen per jaar. Tel daar de trainingsritten bij op, de hoogtestages, de verkenningen van parcoursen, en je landt al snel tussen de 25.000 en 35.000 kilometer. WorldTour-renners met een vol klassiekerprogramma én een grote ronde zitten doorgaans aan de bovenkant van dat bereik.
Het getal functioneerde ook als statussymbool. Hoe meer kilometers, hoe serieuzer de renner. In interviews noemden profs hun jaartotaal zoals kantoorwerkers hun overuren: als bewijs van toewijding.
Wat is er nu anders?
De verschuiving zit op twee vlakken: hoe er getraind wordt en hoeveel er gekoerst wordt.
Training wordt preciezer. De opkomst van vermogensmeters, indoortrainers en gedetailleerde data-analyse heeft de aanpak veranderd. Waar een renner vroeger vijf uur naar buiten ging om “de basis te leggen”, kan een coach nu een sessie van twee tot drie uur voorschrijven met exact gedefinieerde intervallen. Het resultaat is hetzelfde trainingseffect in minder tijd op de fiets. Indoortraining op platforms als Zwift of op slimme rollenbanken maakt het mogelijk om gecontroleerd te werken zonder de variabelen van weer, verkeer of terrein.
Koerskalenders worden selectiever. Toprenners als Tadej Pogačar en Jonas Vingegaard rijden een steeds gerichter programma, met minder voorbereidingskoersen en meer focus op de wedstrijden die ertoe doen. Teams plannen seizoenen rond twee of drie pieken in plaats van een breed koersschema. Dat betekent minder wedstrijdkilometers, maar scherpere vorm op de momenten die tellen.
Hoogtekampen, hittekamers en geoptimaliseerde voeding dragen verder bij. De aanpak is verschoven van “rijd zoveel mogelijk” naar “rijd zo slim mogelijk”.
Hoeveel rijden profs dan nu?
Dat verschilt sterk per type renner. Een klassiekerspecialist met een vol voorjaar en najaar kan nog steeds richting 30.000 kilometer gaan. Zo reed Wout van Aert in 2026 ruim 32.000km. Dat zijn in ieder geval zijn geregistreerde km’s op Strava. Een renner die zijn seizoen volledig rondom een grote ronde als de Tour de France bouwt, komt mogelijk uit op 20.000 tot 25.000 kilometer, met een groter aandeel indoorsessies en gerichte trainingsblokken. Daan Hoole reed vorig jaar twee grote rondes (Giro en Vuelta) en kwam op iets meer dan 28.000km uit.
Het totale aantal kilometers zegt daarmee steeds minder over de belasting of het niveau van een renner.
En wat ga jij doen?
De verschuiving in het profpeloton biedt bruikbare lessen voor amateurs die hun beperkte trainingstijd effectiever willen besteden. Er zitten natuurlijk wel wat open deuren tussen, voor de gevorderde fietsers.
- Rijd met een plan. Een gestructureerde rit van anderhalf uur met intervallen levert fysiologisch meer op dan drie uur steady-state op gevoel. Vermogensmeters zijn toegankelijker dan ooit, een hartslagmeter is een goed alternatief. Kies voor een trainingsapp zoals Fondo, Join of Stride
- Gebruik indoortraining als gereedschap. Een sessie op de rollenbank is geen straf voor slecht weer. Het is een manier om gecontroleerd te trainen zonder reistijd, stoplichten of afdaling als junk miles. Twee tot drie indoorsessies per week kunnen een solide basis vormen.
- Kies je wedstrijden. Net als profs gebaat zijn bij een selectieve kalender, geldt dat ook voor amateurs: je hoeft niet elke clubrit, granfondo of criterium te rijden. Kies de evenementen die je motiveren en bouw daar naartoe.
- Herstel is training. Profteams investeren zwaar in herstelprotocollen. Voor amateurs betekent dat: slaap, voeding en rustdagen zijn geen verloren tijd, maar onderdeel van de aanpak.
Het principe is hetzelfde op elk niveau. De vraag is niet langer hoeveel je rijdt, maar wat elke kilometer oplevert.