Foto Sirotti
Julius van den Berg na de Ronde van Vlaanderen: ‘Bijna geen prof meer’ in het tijdperk-Pogačar
De Nederlandse renner van Picnic PostNL reed urenlang in de vroege vlucht, maar voelde na afloop vooral de kloof met de absolute top. Vermogenscijfers uit de finale vertellen het verhaal.
Het was een impactvolle Ronde voor het hele peloton. Niet alleen vooraan zag je de impact van de koers bij Van Der Poel, Pogacar en Evenepoel. Ook achterin was het afzien. Julius van den Berg (Picnic PostNL) vormde een deel van de vroege vlucht. Na afloop geven de huidige vermogens in het peloton hem het gevoel “bijna geen prof meer” te zijn.
De Ronde van Vlaanderen 2026 eindigde met de derde zege van Tadej Pogačar, voor Mathieu van der Poel op de tweede en Remco Evenepoel op de derde plaats bij zijn debuut. Drie namen, drie aparte zones van vermogen. Van den Bergs opmerking illustreert het gat tussen de absolute top en de rest van het WorldTour-peloton.
Buitengewoon
De koers brak al op zo’n honderd kilometer van de finish open. De vroege vlucht, waar Van den Berg deel van uitmaakte, had er op dat punt al flink wat kilometers en Kj op zitten. Ze werden bijgehaald en toen konden ze pas zien wat de rest nog over had.
Volgens de vermogensanalyse van Velo produceerde Pogačar op de tweede passage van de Oude Kwaremont een geschatte 530 watt gedurende 2 minuten en 50 seconden, goed voor circa 8,1 W/kg. Op het steilste stuk liep dat op tot een geschatte 640 watt over 1 minuut en 13 seconden, ofwel 9,8 W/kg. Die inspanningen kwamen na vier uur koers, toen de gemiddelde renner al 3.500 tot 4.500 kJ had verbrand. Pogačar koos niet voor een langzame afmatting van de concurrentie.
Voor een renner als Van den Berg, die zich urenlang in de aanval had gesloopt, maken zulke cijfers de kloof zichtbaar. Het is het verschil tussen een zeer sterke WorldTour-renner en iemand die na dezelfde uren inspanning nog steeds 8 tot 10 W/kg uit zijn benen perst. Nu zal Van Den Berg niet hebben lopen klootviolen voorin, maar toch.
Trainingsdata
Pogačars trainingsdata geven extra context. Eerder dit jaar liet hij per ongeluk vermogensgegevens zichtbaar staan op Strava na een trainingsrit van Valencia naar Calpe. Analisten leidden daaruit een geschatte FTP af van ongeveer 415 watt, ofwel circa 6,2 W/kg bij 66 kilogram. Het zijn schattingen, maar de orde van grootte plaatst hem in een categorie die zelfs voor WorldTour-begrippen uitzonderlijk is.
Ook Evenepoel gaf eerder aan wat de moderne koers vraagt. Op het EK reed hij bij 63,5 kilogram een gemiddelde aan van 306 watt over een periode van vijf uur. Hij verwees daarbij naar een gesprek met Gianni Moscon, die hem vertelde dat hij acht jaar geleden met een gemiddelde van zo’n 200 watt derde werd in de Ronde van Lombardije. Dat zal heden tegen dage eerder 300 watt zijn.
De stijging van die drempelwaarden raakt niet alleen klimmers of klassementsrenners. Het trekt de hele meetlat omhoog, ook in koersen waar absoluut vermogen en aerodynamica minstens zo zwaar wegen als watt per kilo. Volgens Ramon Sinkeldam was het een dingetje in de Alpecin ploeg, met name van Albert Timmer, die dan zei ‘minuutje 600 watt kan altijd’. Volgens Sinkeldam is dat tegenwoordig minuutje 700.
Sportwetenschappers ontwikkelen daarom steeds verfijndere metrics. De zogeheten compound score, die absoluut en relatief vermogen combineert, wordt inmiddels ook gebruikt in de scouting van WorldTour-ploegen.
Voor Van Den Berg zal het wel even slikken zijn. Hard fietsen is niet enkel meer genoeg.