Ravage: tien jaar na het zware ongeval met Giant-Alpecin
Niets minder dan een puinhoop was het. Dikke, onheilspellende ellende. Een ravage. Niet voor niets werd dat woord – Ravage – de pakkende titel van het boek. Dat wat Nick Klaessens beschrijft in deze terugblik op de massacrash van de ploeg Giant-Alpecin is niet alleen een blik op de fysieke kant van het zware ongeval, maar vooral ook eentje op de hele mentale nasleep ervan. Niet in de laatste plaats voor de schrijver zelf, die ter plaatse opeens van journalist transformeerde in hulpverlener, daar ergens in de Spaanse berm bij Alicante.
Klaessens was door Vogue op pad gestuurd met de opdracht een interview te doen met Tom Dumoulin. Voor een sfeerimpressie reed hij mee met de ploegleiding in een ontspannen setting. Tot het moment dat ploegleider Mattias Reck en hij na een blinde bocht opeens de net daarvoor nog freewheelende renners aantroffen op en rond de weg, daar nabij de sinaasappelboomgaard. Een Engelse automobiliste waande zich thuis en reed derhalve vanaf de verkeerde weghelft het ambitieuze seizoen van een aanzienlijk deel van de ploeg aan gort. Sterker nog: dat alle renners het er levend van af brachten en zelfs allemaal weer terugkeerden in het peloton mag een mirakel heten. Zeker als je foto’s ziet van de volledig aan gruzelementen gereden fietsen en de zwaar gehavende auto. En als je weet hoe zwaar de trainingsmaten daar in de poeier lagen.
In alle hectiek schiet Klaessens de renners zo goed en zo kwaad als hij kan te hulp, waarbij hij een fikse nekwond bij de Amerikaan Chad Haga met zijn trainingsjack dicht probeert te drukken, tot de ambulancediensten het eindelijk van hem overnemen. Diezelfde avond nog zit Klaessens alweer in het vliegtuig terug naar huis. Niet met het geplande interview met Dumoulin op zak, maar wel met een compleet ander verhaal. Een verhaal waarvoor hij bijna een decennium later (bijna) alle betrokkenen weer opzoekt. Betrokkenen die vaak niet eens (meer) weten welke rol (en dus welk eigen trauma) deze journalist destijds had.
“‘Is it that bad?’ stamelt Chad [Haga]. Ik stel ‘m gerust, maar weet dat de vraag zo weer komt. De huid rond zijn mond is een soort pulp, zijn rechteroogkas is een grote zwelling met een bijna perfect getekende blauwe oogschaduw. Hij pakt de hand van Ramon [Sinkeldam]: ‘Hang in there buddy, we don’t have to die.’”
Voor alle betrokken renners (naast Haga en Degenkolb waren dat Ramon Sinkeldam, Warren Barguil, Max Walcheid en Fredrik Ludvigsson, terwijl zevende renner Søren Kragh Andersen ternauwernood de aanstormende auto kan ontwijken) is duidelijk dat er een leven vóór en een leven na deze crash is. Zoals Degenkolb – die daar bijna zijn wijsvinger verloor – het ook benoemt: “Je kunt het zelfs zien als een kantelpunt in mijn loopbaan. […] Je zou bijna kunnen zeggen dat tot aan het ongeluk mijn carriere alleen maar bergop ging. […] Na de crash veranderde ik als persoon en als renner, denk ik.” Het zijn de littekens, de herinneringen die banden scheppen. Waar renners liggend elkaar al toeriepen dat ze hier doorheen gingen komen. In etappes gaat Klaessens op zoek naar de verhalen van hoe ze allemaal de voorbije tien jaren doorkwamen.
Natuurlijk zijn er de verhalen van de mannen die weer opkrabbelden, zoals wielrenners eigenlijk (bijna) altijd weer opstaan. Zelfs weer met overwinningen. Er is relativering, iets van broederschap. Maar ook uitgesproken woorden die in de hardheid, vluchtigheid en snelheid van het fietsen niet altijd gezegd worden. Het meest opvallende verhaal? Dat is misschien wel dat van Andersen, de man die met een zwieper aan het stuur de auto ontweek en vrij snel daarna op de vlucht sloeg, in blinde paniek op zoek naar hulp:
“’Ik gaf jullie een paar van mijn kledingstukken, ik dacht dat die misschien konden helpen om het bloeden te stoppen. Ik voelde gewoon: ik kan hier niks doen. Mensen renden heen en weer. Ik wilde wel wat doen, maar wist niet hoe. Dus ik stap op de fiets, zonder shirt. Gekleed in m’n base layer, rijd naar het koffietentje onderaan Coll de Rates. Ik weet nog dat ik daar naar binnen rende en riep: “We need ambulances! We need ambulances!” Ze dachten daar vast dat ik niet goed was. Wat is er mis met die gozer? Een paar mensen probeerden me rustig te krijgen: “Adem in, neem wat water, wat is er aan de hand?” En ik kon alleen maar uitbrengen: “They are dying! Accident!” Van dat soort dingen. Ik was compleet…’ Hij eindigt de zin met een fluitje, zo van koekkoek.”
En natuurlijk, altijd die rol van het gevaar in het dagelijkse verkeer. Want deze ravage was geen wedstrijdincident, geen gewone val zoals elke renner die wel eens incalculeert. Dit was echt een heftig verkeersongeval. Zoals Degenkolb het ook verwoordt en elke fietsliefhebber ergens wel herkent:
“[D]estijds had ik minder moeite met het peloton, maar juist meer met verkeer. Gewoon trainen op de weg, tussen auto’s. Ik herinner me dat dat best lastig was. […] Sindsdien heb ik mijn trainingsroutes aangepast. Geen grote wegen meer, liever kleine of boerenweggetjes. Zolang ik maar zo min mogelijk verkeer tegenkwam.”
Al met al is Ravage een intrigerende manier om terug te kijken op een stuk traumaverwerking. Met zachtheid en openheid. Ook nog eens op een unieke manier, want in dit geval geldt die verwerking naast de renners en ploegleiders ook nog eens voor Klaessens zelf. Als journalist, maar bovenal als mens. Want ook hij viel, stond weer op en ging door. Zoals wielrenners dat kunnen.