De kleine Benny Broomans, over wie ik eerder schreef, is in de jaren zeventig een renner in de marge. Maar wat nou als je 1.52 ‘lang’ bent en vast van plan bent een succesvol wielrenner te worden. Kan dat? Kun je met korte benen meer kracht zitten? Of ben je een betere klimmer omdat je als korte renner minder weegt? De theorieën heb ik er niet op nageslagen maar van allebei zijn voorbeelden. Fransman Jean Robic (1.59) wint in 1947 zelfs de Tour.
Over kleine renners wordt vaak wat lacherig gedaan. In 1987 schrijft Bennie Ceulen voor het Limburgsch Dagblad een portret over de eerste Japanse profrenner op de weg. Masatoshi Ichikawa is zijn naam, 1.59 zijn lengte. Ceulen verhaalt over Eric Vanderaerden die de Japanner voor het eerst ziet en roept: ‘Wat hebben ze nu met Flup Van den brande (een ploeggenoot van Ichikawa, red.) gedaan? Ze hebben er de helft vanaf gezaagd. Haha.’ Als het in krantenartikelen en blogs over de kleine renners gaat, zijn de verkleinwoordjes ook nog eens niet aan te slepen. Zo is Ichikawa voor Ceulen dat ‘kleine, brildragende ventje’ met dat ‘koddige gezichtje en twinkelende oogjes’. Een ‘Japanse dreumes’ ook.
Maar kleine renners, de meeste dan toch, slaan terug. Met prestaties op de fiets.
5. Samuel Dumoulin
4. Wim Prinsen
Zelfde lengte als Dumoulin, andere insteek. Dit gaat over Wim Prinsen (1945-1977) die in 1972 in het Limburgsch Dagblad vertelt dat hij bij de amateurs bij de start van een wedstrijd met opzet naast de ruim twee meter lange Leen Poortvliet ging staan. ‘Geen gezicht (…) maar ik deed het doorgaans om het publiek aan het lachen te krijgen. Het publiek is in feite je werkgever, komt er geen publiek meer naar je ‘werk’ kijken dan kun je wel wat anders gaan doen.’ Prinsen (de middelste op de ploegfoto) is een klimtalent maar grote profzeges blijven uit. In 1971 wordt bij achter Joop Zoetemelk tweede bij het NK.
3. Fons de Bal
Uit hetzelfde bericht wordt duidelijk dat klein zijn ook flink wat invloed kan hebben op de fiets. ‘Het fietsje van Alfons De Bal was zo klein dat de bovenbuis en schuine onderbaas ter hoogte van de kopserie (balhoofd) samenkwamen. Fonske De Bal reed ook steeds met de versnellingsschakelaars aan de stuuruiteinden (zie de foto) omdat er op de schuine onderbuis te weinig plaats was om de versnellingshendels te plaatsen. Op die plaats was op de bovenbuis tijdens de wedstrijden reeds het fotofinish-kaderplaatje bevestigd. Er was zelfs te weinig plaats om het (te grote) GIOS-balhoofdplaatje op de kop vooraan te bevestigen.’
Tourwinnaar Jean Robic (1.58) is een goeie cyclecrosser en klimmer, en iemand die goed kan improviseren, is het verhaal. Als klein en licht (60 kg) mannetje kan hij tijdens afdalingen weinig snelheid maken en echt makkelijk rijden is er ook niet bij. Daarom komt hij op het idee om op de top een drinkbus aan te nemen die voor driekwart gevuld is met lood. Het zorgt voor een betere wegligging en meer snelheid.
1. Vicente Belda
In 1988 meldt Het Vrije Volk, in een rennersportret, nog twee andere kwaliteiten van Belda: de Spanjaard verwekte twee tweelingen en het kleine ‘manneke’ is niet op z’n mondje gevallen. Over dat laatste: in 1988 roept hij dat er in de concurrerende BH-ploeg wordt ‘gepakt’. Het leidt tot een relletje en Belda maakt uiteindelijk zijn excuses. Omdat hij het ‘pakken’ niet kan bewijzen…
- UCI-man springt en juicht voor Jopie - 25/09/2020
- Raad het plaatje - 25/09/2020
- De spreekwoordelijke rode lantaarn - 18/09/2020