Juan Maurico Soler komt in 2006 naar Europa om een groot wielrenner te worden. Hij loopt stage bij het Italiaanse Aqua e Sapone en tekent daarna een contract bij Barloworld, een ploeg waar alles Italiaans is, behalve de licentie.

Zijn eerste Tour, in 2007, is meteen een enorme klapper. Als debuterende klimmer in een debuterende ploeg wint hij niet alleen de negende etappe na een solo van bijna vijftig kilometer, maar ook het bergklassement.

Binnen drie weken weet de hele wereld wie Mauricio Soler is. Vanaf nu wordt er op hem gelet, en dat valt hem zwaar: na die Tour volgt de ene blessure de andere op en zijn angst om te falen draait zijn gedachten in de knoop. El Lancero, de Vuurpijl, wordt nauwelijks nog afgeschoten.

De Europese wielerliefhebbers zijn hem al bijna vergeten als Juan Mauricio Soler in de aanloop naar de Tour van 2011 zich plotseling weer van zijn beste kant laat zien. Hij wint op indrukwekkende wijze de tweede etappe van de Ronde van Zwitserland, door in de klim naar skistation Crans-Montana weg te springen van grote renners als Cunego en Schleck.

Die Ronde van Zwitserland verloopt voorspoedig. Hij staat tweede in het klassement, hij gaat van alle aanwezigen het soepelst omhoog en zijn vorm is groeiende.

Dan komt de zesde etappe.

16 juni 2011.

De etappe is pas elf kilometer onderweg als het peloton een stukje afdaling te verstouwen krijgt. Hoe het gebeurt, weet niemand, maar plots maakt Solers een slinger, raakt een toeschouwer en glijdt over het grind in de berm onderuit. Door de klap raakt de helm op het rennershoofd los en stuitert over de weg. De renner zelf komt met zijn onbeschermde hoofd tot stilstand tegen de ijzeren staander van een hek.

Buiten bewustzijn wordt Soler afgevoerd naar een ziekenhuis in Sankt Gallen. Daar ligt hij dagenlang in een kunstmatige coma. Wanneer hij wakker wordt, is de Ronde van Zwitserland al lang en breed afgelopen.

Juan Mauricio Soler vraagt waar zijn fiets is, hoe ver hij achter ligt.

Het duurt een maand voor de Zwitserse doktoren Mauricio naar zijn woonplaats Pamplona durven te vervoeren. Daar ligt hij uiteindelijk nog drie maanden in het ziekenhuis. Gedurende die ongeveer honderd dagen wordt Juan Mauricio Soler zo’n twintig keer geopereerd. Zijn skelet is een legpuzzel, de chirurgen tellen 19 breuken.

Wanneer hij het ziekenhuis verlaat, is het herfst.

‘Kan ik ook ooit nog fietsen?’ vraagt hij.

Twee jaar na zijn val zendt de Colombiaanse zender RCN een documentaire uit over Juan Mauricio Soler.

Titel: ‘De val van een held’.

De eerste tien minuten vertellen het verhaal van de boerenzoon die naar Europa ging, het klassieke van-krantenjongen-tot-topwielrenner-verhaal. De rest van de film gaat over de dag waaraan Soler geen enkele herinnering meer heeft.

Er volgen beelden van een bewusteloze renner in een Movistar-tenue. Voor dood op het asfalt. Het is een foto, uit een Zwitserse krant. Iedere foto is in principe roerloos, maar sommige foto’s zijn roerlozer dan anderen.

De cameraploeg keert terug naar de plek van het ongeluk. Het hek wordt gefilmd. Een hekje van niks, zo zonder gevallen coureur ervoor. Een stuk gaas met een gazonnetje erachter. Keurig Zwitsers gras.

Soler leeft nog, fietsen lukt niet meer: traag en moeizaam loopt hij door het beeld. Een oude man met een baseballpet. Zijn gelaat heeft iets hards, iets waarvan je niet meteen ziet wat het is, tot je beter kijkt. Het linker ooglid hangt, de mond beweegt maar moeizaam. Een onleesbaar gezicht.

In het fitnesszaaltje van het ziekenhuis waar hij met eenvoudige oefeningetjes zijn lijf weer de baas probeert te worden, krijgt Soler van de documentairemakers de beelden van zijn laatste grote zege nog een keer te zien: de aanval op Crans Montana, het amechtige hijgen van Cunego en Schleck… Soler glimlacht, zo lijkt het in elk geval.

Speciaal voor de film haalt zijn vrouw Patricia de bollentrui van zolder en trekt haar man het shirt nog een laatste keer aan.

‘Mauro,’ zegt ze, ‘Voor mij en voor je zoon ben je altijd de bergkoning.’

Ze geeft haar man een kus, en Juan Mauricio Soler doet zijn best haar terug te kussen.

Frank Heinen