De jarige Óscar Freire en Milaan-Sanremo 2004
‘En dat is nummer vijf!’ Terwijl die woorden, in het Duits, door zijn hoofd schieten, recht Erik Zabel zijn rug en heft zijn beide armen in de lucht. Milaan-Sanremo duurt weliswaar nog enkele decameters, maar de renner van T-Mobile is zeker van zijn zaak. Vier keer eerder was hij immers al de beste en nu is zijn vijfde overwinning, in niet meer dan acht edities van de Italiaanse voorjaarsklassieker, nog maar luttele seconden van hem vandaan. Terwijl de Duitser de wereld een riante blik op de nationale kampioenstrui van zijn land gunt en zich een glimlach openbaart op het deels door een zwarte zonnebril bedekte gezicht, komt er rechts naast hem een onverwacht duveltje uit een doosje. Een Spanjaard in Nederlandse dienst rukt in de slotmeters pijlsnel op. Waar Zabel zijn topsnelheid al eerder had bereikt en, mede door het vroegtijdig juichen, vaart verliest, neemt de vaart van zijn rivaal nog altijd toe. Die krijgt daardoor de kans zijn voorwiel met een ultieme ‘jump’ precies op tijd voor dat van Zabel te duwen, om de witte aankomstlijn als eerste te passeren. De Duitser heeft letterlijk te vroeg gejuicht. De huid verkocht, nog voordat de beer daadwerkelijk was geschoten. Een vijfde overwinning in Milaan-Sanremo gaat in 2004 aan zijn neus voorbij. Eigen schuld, dikke bult. Zijn vier eerdere zeges en het feit dat hij in de massasprint op minder dan honderd meter van de aankomst ruimschoots aan de leiding ging, maakten hem zodanig overmoedig dat hij zijn succes alvast begon te vieren. Ten onrechte. De blunder van Zabel biedt Óscar Freire de kans hem op het laatste moment voorbij te snellen. Die grijpt de Spanjaard met beide handen aan.

Milaan-Sanremo verloopt in 2004 zoals dat zo vaak het geval is. Een groepje vroege vluchters mag een paar uur ‘screentime’ pakken, om aan de voet van de Cipressa te worden ingelopen. De inleidende beschietingen die volgen leveren geen noemenswaardige ontwikkelingen op. Als de Poggio opdoemt wagen de favorieten beurtelings een poging een massasprint te ontlopen. Het is allemaal vergeefse moeite. De Poggio is te kort, niet steil genoeg of het peloton is in de breedte gewoonweg te sterk om in de problemen te komen bij een gemiddeld stijgingspercentage van maar iets minder dan 4%. Een massasprint is aanstaande. Die kan weliswaar door meerdere renners gewonnen worden, maar ondanks de klasse van viervoudig winnaar Zabel, tweevoudig oud-wereldkampioen Freire en geblokte renners als Stuart O’Grady en Romāns Vainšteins – nog een voormalig drager van de regenboogtrui – rekent nagenoeg iedereen op Alessandro Petacchi. De kopman van Fassa Bortolo is al een maand ongeslagen in massale aankomsten, hetgeen hem in de prille lente van 2004 al vijf zeges heeft opgeleverd. Bij het oprijden van de Via Roma wordt de Italiaanse spurtbom perfect gegangmaakt door zijn ploeggenoten. Met nog iets meer dan honderd meter te rijden ligt hij dan ook in gewonnen positie, maar dan blijkt dat een sprint na een bijna zeven uur durende klassieker andere koek is dan een rit winnen in de Giro della Provincia di Luca of de Tirreno-Adriatico. De verlossende meet ligt nog enkele decameters voor hem als Petacchi voelt dat het melkzuur in zijn benen de spieren lam legt. Hij is leeg. Kan niet meer. De Italiaan is te vroeg op kop gekomen en kan die positie niet vasthouden. Zabel lijkt onmiddellijk te profiteren.
De Duitser heeft niet alleen meer inhoud, maar ook beduidend meer ervaring op de wegen die Milaan en Sanremo met elkaar verbinden. In de periode 1997-2001 wint hij viermaal. In 1999 had Andrei Tchmil de zegereeks van Zabel doorkruist door in de slotkilometer te ontsnappen en de sprinters af te troeven. De titelverdediger had met de tweede plaats genoegen moeten nemen. Overwinning nummer vijf verdwijnt in 2002 nog voor de Poggio uit het zicht, als Zabel de voorste groep moet laten gaan. Weer een jaar later wordt door een trio renners, onder aanvoering van winnaar Paolo Bettini, opnieuw een massale aankomst gesaboteerd. De Duitser staat dus al even droog als hij, met nog een kleine honderd meter voor de wielen, Petacchi voorbij snelt op de voorlaatste maartse zaterdag van 2004. Hij is zeker van zijn zaak. Dit wordt nummer vijf. Maar terwijl hij overeind komt, zijn armen de lucht in gooit en zich de snelste waant, overkomt Zabel het meest schlemielige dat een renner kan meemaken. Zijn zegegebaar is onterecht. Een ander troeft hem nipt af en gaat er als een dief in de nacht met de prijzen vandoor. Die ander is Freire. In het kielzog van Rabobank-knechten Robert Hunter, Maarten den Bakker en Marc Wauters is hij probleemloos over de Poggio geraakt en keurig op de Via Roma afgezet. Daar heeft Freire vanzelfsprekend het wiel van viervoudig winnaar Zabel gekozen. Die lijkt in het zicht van de finish sneller dan de Spanjaard, maar maakt dan dus de kapitale fout zijn overwinning te vroeg te vieren. Precies op tijd drukt Freire zijn voorwiel langs dat van de Duitser en tikt als eerste de finishlijn aan. In zijn rechterooghoek ziet de verbouwereerde renner nog net dat hij miskleunt en verliest. Al realiseert zijn Spaanse belager zich dat op dat moment nog niet. Pas als de speaker hem tot winnaar heeft uitgeroepen, beseft Freire dat hij na twee wereldtitels nu ook een klassieker wint. Met dank aan Zabel, die zich door zijn blunder de kaas van het brood laat eten. Precies zoals hij een maand eerder zelf bij de Spanjaard deed, want – saillant detail – in de slotrit van de Ruta del Sol was het uitgerekend Óscar Freire geweest die te vroeg juichte en de zege aan Erik Zabel moest laten.