Ik zat achterstevoren in de auto met mijn knieën op de achterbank. Onder mij werd de wereld steeds kleiner. In de diepte fietste een groep wielrenners en ondanks de steilte van de weg kwamen ze snel dichterbij. Ze gingen in ieder geval veel Keutebergwkped06harder dan wij. Mijn opa gaf vol gas en de indringende stank van een overkokende motor verspreidde zich in de auto. Opeens werd er op het dak geslagen. Ik hoorde zware mannenstemmen. Ze vloekten en scholden; we versperden de weg. Met een mengeling van angst en fascinatie keek ik naar de mannen die zich nu half steppend aan de bumper ophielden. Ze waren heel dichtbij en zwermden rondom de auto. Ik kon ze bijna aanraken. Ze droegen mooie kleding: rood, zwart, gele shirts. Er stond een Engelse naam op hun borst. Mijn opa raakte in paniek en liet zijn sigaar uit zijn mond vallen. De gloeiende kegel brandde een gat in zijn zondagse broek. Een man met een grote vierkante bril onder zijn Ome Willem-petje bonkte op de achteruit en riep dat we op moesten donderen. Ik zag dat er een stuk lager ook nog een auto tegen de steile helling op kwam gereden. Er stonden fietsen op het dak. Mijn opa gaf vol gas en de renners wapperden met hun handen de smerige rook weg uit hun gezicht. Hij probeerde naar links te sturen en raakte met zijn auto in een grote struik. De scherpe takjes schraapten piepend langs de donkergroene lak. Daarna sloeg de motor af.

Zoals elk jaar waren mijn opa en oma een weekje op vakantie in Zuid-Limburg en zoals altijd mocht er een kleinkind mee. Deze keer was ik aan de beurt. We logeerden in hotel Van der Valk in Stein-Urmond en vulden de dagen met autoritjes door de omgeving. Mijn opa had een bijzondere rijstijl; tussen het schakelen door gaf hij tussengas. Iets dat nogal potsierlijk overkwam in een kleine Fiat 127. Het had hem in zijn eigen dorp de bijnaam De straaljagerpiloot opgeleverd. Het was een overblijfsel uit de tijd dat hij chauffeur was op de vrachtwagen van de melkfabriek. Daarbij reed hij nooit harder dan 80 kilometer per uur, zelfs niet op de snelweg. De reis naar Zuid-Limburg was lang, vermoeiend en bij vlagen zelfs eng geweest.

“Vandaag gaan we iets bijzonder doen”, had mijn opa bij het ontbijt verteld. Het was nog vroeg, maar vakantie of niet, ledigheid was des duivels oorkussen en als de haan kraaide, begon voor mijn grootouders de dag. Er was nog bijna niemand in de ontbijtzaal en tijdens een glas vers geperst sap, (“We hebben het nog beter dan de koningin” verzuchtte mijn oma) vertelde opa dat we vandaag een echte berg gingen beklimmen. “Met een nogal bijzondere naam”, had hij er lachend aan toegevoegd: “De Keutenberg”. Daarna deed hij zich tegoed aan een witte boterham met spek en ei. “Weet je waar ze dit elke dag eten, jongen?” vroeg hij zoals alle dagen daarvoor. “In Engeland, opa”, antwoordde ik, zoals alle dagen daarvoor. Hij knikte goedkeurend: “Slimme jongen, net je moeder”. Daarna kneep hij in mijn wang. Oma was in een minder goed humeur; ze was boos omdat opa weer eens op de wc had zitten roken en zei dat hij niet zoveel zout op zijn eten moest gooien; hij had toch al zo’n moeite met plassen. Direct na het ontbijt waren we vertrokken. Het mooie Limburgse land werd langzaam wakker en alles wees erop dat het een mooie dag zou worden. Het viel me op dat er veel wielrenners rondfietsten en toen we bij de Keutenberg aankwamen, zag ik dat er namen op de weg waren geschreven. “Opa, ziet u ook die namen die op de weg geschreven staan?” vroeg ik. “Je weet toch wat ze daarvan zeggen”, antwoordde oma; “Gekken en dwazen schrijven hun namen…?” “Op ramen en glazen” vulde ik haar aan. “Helemaal goed jongen”. Het was een van onze favoriete bezigheden; spreekwoorden en gezegden afmaken. Verder praatten we graag over het vee langs de weg, veel slachtvee volgens opa, en hielden we bijbelquizjes. Opa was daar het beste in, maar hij was dan ook diaken in de kerk en kwam vaak bij de dominee thuis. Hij kende ook alle psalmen uit zijn hoofd. “Dat leren jullie niet meer tegenwoordig, een groot gemis”. Maar de aartsvaderen waren zijn specialiteit, daarvan wist hij alles. Vooral van de ondergang van Sodom en Gomorra, daar kon hij uren over praten. Opa dacht dat de namen op de weg te maken hadden met een wielerwedstrijd die hier verreden zou worden. Ik vond het maar raar en vroeg me af wie dat allemaal moest schoonmaken.

Jan RaasNu de auto afgeslagen was, bleken de renners minder eng te zijn, dan ze in eerste instantie leken. “Zit je vast, ouwe” vroeg de man met het vierkante hoofd en dito bril. Ze hadden hun fietsen in de berm achter de auto neergelegd en schudden baldadig aan de kleine groene wagen. Opa kreeg een zenuwaanval, maar gelukkig had oma altijd een pilletje voor onder de tong paraat. Dat hielp. Een andere wielrenner, guitig hoofd en ook al met zo’n grote bril op zijn neus tikte op het raam. “Kennen we jullie helpen?” vroeg hij met een accent dat ik niet kende. Opa had zich nu uit de auto gewurmd en zei tegen de renners dat de auto het niet meer deed. “Dat had ik godverdomme nog niet in de gaten” riep de man met het grote hoofd en vierkante bril. De rest bulderde van het lachen. “Wilt u niet zo vloeken”, riep oma. “Daar zijn we niet van gediend!” Opnieuw een bulderend gelach. Even later pakten de renners de auto vast en uit volle macht probeerden ze de wagen uit de berm te duwen. Er was geen beweging in te krijgen. “Hee jij daar! Kom je ook even helpen!” riep een kleine renner met een raar mutsje op zijn hoofd richting de achterbank waarop ik nog steeds verscholen was. Alle renners keken nu naar mij en riepen dat ze nog wel wat extra spierballen konden gebruiken. Schuchter en ook wel een beetje trots over die spierballen kwam ik uit mijn veilige schuilplaats en zocht een plekje tussen de renners aan de bumper. Opa zat weer achter het stuur en probeerde de auto te starten. De mannen om mij heen hadden rare benen. Haarloos, bijzondere vormen en vol dikke blauwe aders. Ik kon er mijn ogen niet van afhouden. “Dit wordt niks mannen!” riep de man met het vierkante hoofd. “Die auto zit verdomme muurvast”! Hij verontschuldigde zich direct lachend bij mijn oma.

Inmiddels was ook de auto met de fietsen op het dak bij de plek des onheils aangekomen. De weg was zo steil dat het leek of de auto in de handrem hing en de fietsen elk moment van het dak af konden rollen. Er stapte een bijzondere man uit de auto. “Jongens, doorrrrrije jullie, anders vatten jullie nog kou” riep hij tegen de renners. Hij had hetzelfde accent als de man met het guitige hoofd en zag er geweldig uit. In zijn broek droeg hij een scherpe vouw, zijn haren wapperden modieus om zijn charismatische kop en op zijn neus prijkte een stoere pilotenbril. Ik wist meteen dat ik er later ook zo uit zou willen zien. Hij nam meteen de leiding, als vanzelf en niemand, zelfs mijn oma niet, onttrok zich aan die zacht dwingende heerschappij. Hij stelde zich voor als Peter Post en vertelde dat hij de baas van de wielerploeg was. Daarna legde hij mijn opa uit hoe hij de auto los zou proberen te krijgen. Het was duidelijk dat hij geen tegenspraak duldde. Even later zette hij de bumper van zijn wagen tegen die van de Fiat en terwijl een grote blonde man met indrukwekkende onderarmen de plek van opa achter zijn stuur overnam, werd het Fiatje weer uit de berm geduwd. Bovenop de berg parkeerde hij de auto langs de kant van de weg en kon het gezelschap weer verder. Voordat ze vertrokken, verontschuldigde meneer Post zich voor het gedrag van zijn jongens. “Ze moeten morgen presteren voor de firma en hier in de Amstel Gold Race is de druk altijd wat hoger dan normaal. Ze zijn een beetje gespannen”. “Kan best zijn, maar dat geeft ze nog niet het recht om zo te vloeken”, snibde mijn oma terug. Post reageerde niet en stopte 100 gulden voor de geleden schade in haar hand. Daarna reed de wagen met gierende banden richting de renners die inmiddels als kleine stipjes aan de horizon van de hoogvlakte fietsten. Zonder dat opa het doorhad, stopte oma het biljet in haar tasje. Daarna gaf ze mij een zacht pepermuntje.

Voor we verder konden moest opa eerst plassen. Dat moest hij altijd als hij van slag was en daar bracht ook een zenuwtabletje geen verandering in. Even later stond hij half verscholen achter de geopende portierdeur steunend te wachten op de eerste druppels. Het duurde lang en mijn oma werd ongeduldig. Ze tikte ongedurig met haar nagels op het dashboard. Dat deed de zaak geen goed en pas na een minuut of vijf was hij in staat een armzalig straaltje vocht te produceren. Hij hijgde erbij als een versleten paard. De geur van ouwe mannen urine drong de auto in en oma spoot snel wat odeklonje door de wagen. Even later reden we weer en raakten we niet uitgepraat over wat we zojuist hadden meegemaakt. “Kees van tante Bets, dat is net zo’n dandy als die Post van daar daarnet”, wist mijn oma te vertellen. “Die hangt ook altijd rond op het voetbalveld of bij wielerwedstrijden. Bets heeft er heel wat mee te stellen”. Opa was blij dat hij morgen weer naar huis toe kon. “Zo’n wielerwedstrijd trekt vast een hoop volk aan. En een hoop gezuip natuurlijk! Dat krijg je vanzelf wanneer je een wedstrijd vernoemt naar een biermerk. Nee, dat is allemaal niks voor ons soort mensen.” Oma knikte instemmend en stelde voor terug naar het hotel te rijden. Ze was moe van alle spanning en wilde slapen.

Een dag later, op 24 april 1982, won de man met het grote vierkante hoofd voor de vijfde keer in zijn rijke loopbaan de Amstel Gold Race. Niet dat dit historische feit mijn opa, oma of mij ook maar een biet interesseerde. Wij waren weer veilig thuis in ons dorp in het vlakke Zuid-Hollandse land, ver weg van dat Sodom en Gomorra-gedoe in het Limburgse land, zoals mijn opa de dag van het voorval nog vaak zou zeggen. Volgens mijn opa had dat ook te maken met de Roomse cultuur, daar in Limburg. “Wij Calvinisten, staan wat dat betreft wat serieuzer in het leven en dat is maar goed ook. Onze tijd komt nog wel, later, bij de hemelse vader. Knoop dat maar in je oren jongeman”.

Pas jaren later, toen ik wist hoe mooi de wielersport was, zou ik beseffen wat voor bijzonder avontuur ik meegemaakt had daar op de flanken van de illustere Keutenberg. Mijn opa en oma waren toen al overleden.

Joost-Jan Kool
Laatste berichten van Joost-Jan Kool (alles zien)