Foto Sirotti
Frank(rijk)
Het is jaloersmakend te kijken naar het surplus aan talent van de beste wielrenner ter wereld: Pogačar laat zelfs de beste profs ter wereld spartelen; hij staat momenteel aan de kant. Een zegen of een vloek? Het is ook benijdenswaardig hoe getalenteerde schrijvers onder woorden brengen wat je zelf had willen bedenken. Sommige schrijvers schrijven met ogenschijnlijk hetzelfde gemak als Pogi wegsnelt bij de concurrentie. Vroeger droomde ik één dag de benen te hebben van de beste coureurs. Waar de verwachting op betere benen vervliegt, gloort hoop op een scherpe pen.
In de koers moet je de benen hebben. Als je dé benen niet hebt, dan houdt het op. In overdrachtelijke zin. Aangezien wielrennen een sport is waarbij je voornamelijk verliest, zijn de benen nogal eens slecht, of niet eens zo slecht – goed zelfs – maar op het eind – als het om de knikkers gaat – leeg.
In één koers kan dat gebeuren. Als je echter keer op keer de verliezer bent – en anderen dus voortdurend over betere benen beschikken – dan moet je uit een ander vaatje tappen.
Het niet winnende deel van het peloton heeft daar een passende term voor bedacht: ‘Cyclisme à deux vitesses’. Het gaat om een ongelijke strijd; structureel ongelijke kansen. Hoewel de term kan verwijzen naar allerlei zaken – zoals budgetverschillen tussen wielerteams – ligt de suggestie van de meest bekende vorm van valsspelerij in de term verscholen.
Feitelijk is het wel wat er gebeurt: iemand in het peloton rijdt harder. ‘Hij rijdt vijf per uur te snel voor ons.’ Het citaat van de in augustus overleden Frans Verbeeck is legendarisch geworden.
Na een Ronde van Zwitserland die niet zo verliep als gehoopt, zocht Sam Oomen naar woorden om zijn desillusie te beschrijven. Koen Bouwmans stond Oomen bij: hij vergeleek het gat tussen hen en Pogačar met het gat tussen hen en een amateur.
Het is als een Nederlander met een modaal inkomen die zich vergaapt aan de allerrijksten ter aarde;
het besef zelf bij de rijksten 5% ter wereld te zitten, verdampt.
De wieler Quote 500 wordt aangevoerd door Merckx.* Hij was de Kannibaal. Hinault had een ijzersterke mentaliteit, Indurain had zijn enorme longinhoud. Armstrong ging over lijken. Pogačar lijkt alles zo makkelijk af te gaan. Alle groten uit de wielerwereld hebben hun specialismen. Maar toch vooral: de benen.
Het moderne wielrennen wil ons doen geloven dat het te doen is om ‘marginal gains’. Binnen het selecte groepje van allerrijksten misschien. Voor Jan Modaal is iedere loonsverhoging welkom, hoe klein ook. Het leidt niet meteen tot verhuisplannen naar Monaco.
Kleine verbeteringen maken van Sam en Koen geen Tadej; en van een amateurwielrenner geen Sam of Koen.
Met deze gedachten fiets ik over Franse wegen. Ik warm me op; met de handjes losjes op het stuur. Pogačar heeft net zijn vijfde Tour gewonnen. Vakantie, volop tijd. Na veel wielrennen kijken, is er meer ruimte te lezen, én zelf te schrijven. In beide gevallen bij voorkeur over wielrennen.
Even later rijd ik zo hard als ik kan de Kasselberg op. Een app vertelt me dat ik mijn best mogelijke persoonlijke prestatie heb geëvenaard. Op het lijstje van snelste beklimmingen aller tijden figureer ik ver van de top. Ik had nochtans best goede benen.
Mijn benen. Mijn niveau. Mijn talent. Amateur. Als bijna vijftiger zal het ook niet beter worden. Blij dat wielrennen tot op hoge leeftijd kan. Dat wel. Maar zoals de app me leert; ik kan me vooral nog meten met mezelf. Ik word wellicht taaier, niet beter.
Vroeger droomde ik hoe het zou zijn één dag de benen van Cancellara te hebben. Wat een beest op de tijdritfiets! Als ik Pogi’s benen had, reed ik de Kasselberg veel sneller op. Misschien deed het wel evenveel pijn. Toch lijkt het Pogi zo makkelijk af te gaan.
Zo mijmer ik – rustig peddelend vanuit Kassel – terug naar ons vakantiehuisje. Een rustig duurtempo hou ik nog steeds met gemak vol.
Na een verfrissende douche, ga ik zitten om een stukje te tikken. La ‘douce France’ inspireert. Vanochtend liep ik met een stokbrood onder de arm door een pittoresk dorpje. Beter wordt het leven niet. Ik zoek naar wat ik heb geschreven over Frankrijk. Ik typ op mijn computer de letters in: F-r-a… Meerdere documentnamen poppen op. Frankrijk figureert vaak. Ik typ door: -n-k… Er verschijnen ook verwijzingen naar Frank Heinen.
Ik stuit op het citaat: ‘Ben je sporter maar heeft Frank nooit over je geschreven, dan kun je je afvragen of het allemaal wel zo zinvol is, wat je doet’.
Als schrijver heb je een scherpe pen nodig. In overdrachtelijk zin. Zoals een renner goede benen nodig heeft, heeft de schrijver noodzaak aan een goed functionerend toetsenbord.
Zou ik in mijn jongensdromen- ook al ben ik volwassen – de scherpe pen van Heinen willen hebben?
Als ik één dag de pen van Frank mocht vasthouden, dan zou ik letter voor letter, zin voor zin, de Kasselberg op spurten. Want Frank Heinen schrijft ‘à une autre vitesse’. Zijn stukken komen snel en zijn gevat. In iedere zin een onverwachte en grappige wending. Moeiteloos lijkt hij zijn stukjes uit te spuwen. Je zou vermoeden dat als Heinen een helm opzet, plukjes van zijn haar frivool uit de ventilatiegaten naar buiten schieten.
Het is betoverend te kunnen fietsen over wegen waar het koers was. Als hobbyschrijver ben ik op mijn hoede voor het lezen van mijn favoriete wielerverhalen. Het inspireert, maar ik ben ook bang te kopiëren. Of erger: een verhaal te lezen wat bij mij nog in ideefase zit; door een ander al gedaan, sneller en beter.
De vorige vakantie las ik Reizen is onzin. Nu geen eigen Heinen mee. Maar Heinen is overal: in Bahamontes, in De Muur en ook op Het is Koers! Ik gebruik hem maar als leermeester: “Beginnende schrijvers krijgen vaak de tip hun tekst na te lezen op het woord ‘eigenlijk’ en vervolgens alle ‘eigenlijks’ te schrappen omdat ‘eigenlijk’ an sich eigenlijk niet betekent.”
Ik check meteen: Ctrl + F, ‘eigenlijk’. Oef. Geen overeenkomsten. Heinen stopt zelf vijf tussenkopjes ‘Eigenlijk’ in het stuk. Eigenlijk wel humor.
De volgende ochtend loop ik weer naar de bakker. Als ik de geur van vers gebakken stokbroden bijna ruik, komt een hoopvolle gedachte op. Waar ik als wielrenner een tandje terug moet schakelen waar Koen en Sam opschakelen en Tadej simpelweg wegspurt, tikt de tand des tijds als amateurschrijver in mijn voordeel. Ik ben over de helft van mijn werkende leven. Als alles goed gaat, dan komt er een periode met zeeën van tijd. Als schrijver kan ik nog een belofte zijn.
Ik peddel weer rustig rond. Een mooie nazomerse dag. Niet meer op Franse wegen, maar vlak bij huis. Als troost een uitzicht op Franse koeien. De D1 training gaat me prima af. Voor de training heb ik een uurtje gevonden om te schrijven.
Ondertussen is Tadej gevallen en al een tijdje uit koers – ik moet in de spaarzame uurtjes die ik heb mijn ideeën uitwerken. Hebben we Pogačar gemist, of mag het wel even zonder hem? Frank Heinen is niet weggeweest. Hij is doorgegaan met het in rap tempo schrijven van zijn stukjes.
Ik benijd Frank Heinen. Ik zou afgunst kunnen hebben op zijn schrijftalent. Weer een mooi stuk; weer té actueel, weer té geniaal; jaloersmakend! De gedachte dat de beste jaren als schrijver nog voor me kunnen liggen, maakt me milder.
Ik moet nog twintig jaar werken tot mijn pensioen. Dan kan ik leven als een prof. Een schrijversprof. Tot die tijd kan ik nog oefenen. En gebruik ik beroepsschrijvers als leermeester. Heinen voorop.
Ik ben Frank rijk.
Ik geloof dat het daar eigenlijk op neerkomt.
* Hoewel de term Merckxiaans nog wel eens wordt gebruikt, kan – volgens veel kenners – uiteindelijk niemand aan het niveau van De Kannibaal tippen. Je kan het ook rationeel bekijken en proberen te berekenen. Pro Cycling Stats berekent zelfs dat Pogačar pas derde staat: https://www.procyclingstats.com/rankings/me/all-time
Bronnen
• Podcast In Het Peloton (In de waaier)
• Koen Bouwman illustreert niveauverschil met Pogačar: “Net zo groot als tussen amateurs en mij” (Wielerflits)
• YouTube: Ronde van Vlaanderen – 1975
• https://fheinen.nl/
• Frank Heinen op HetisKoers!
