Bijgeloof is gemeengoed in het peloton. Veel renners hebben een vast ritueel voor vertrek of moeten ‘s ochtends per se eerst hun linker sok aantrekken en dan pas de rechter. Of precies andersom. Kan natuurlijk ook. Niet voor niets is startnummer ‘13’ in het peloton ongeveer net zo populair als Wilfred Genee bij Johan Derksen. Renners die het getal noodgedwongen toch moeten opspelden doen dit dikwijls opzettelijk ondersteboven. Alles om het lot niet te tarten. Wielertijdschrift De Muur drukt als knipoog naar dit enigszins merkwaardige verschijnsel datzelfde paginanummer standaard omgekeerd af. In de Tour van 2020 zou rugnummer 13 voorbehouden zijn geweest aan Tom Dumoulin, ware het niet dat Jumbo-Visma-ploegleiders Frans Maassen en Arthur van Dongen enkele dagen voor de start in de veronderstelling verkeerden dat de Limburger daar wel eens problemen mee zou kunnen hebben. Niets van dat alles, legde Tom tijdens de Tourstart in Nice in de hem kenmerkende doordachte bewoordingen uit aan NOS-verslaggever Han Kock, die nieuwsgierig informeerde waarom niet Tom maar zijn Noorse ploeggenoot Amund Grøndahl Jansen de beruchte ‘13’ draagt. Immers, volgens de wetten der Tourlogica is het bepaald niet logisch dat Grøndahl Jansen momenteel met het ongeluksgetal op zijn rug en kaderplaatje door Frankrijk fietst.

Voor de lezer die de systematiek achter de rugnummers in de Tour niet helemaal kent even een korte toelichting. De laagste startnummers worden toegekend op basis van de eindrangschikking en de winnaars van de nevenklassementen van een jaar eerder. Uittredend Tourwinnaar Egan Bernal rijdt dit jaar dus met nummer 1 op zijn rug. De nummers 2 tot en met 8 zijn als vanzelfsprekend voor zijn zeven ploeggenoten. Normaal gesproken zou de ploeg van de runner-up van het voorgaande jaar, Geraint Thomas, met de nummers 11 tot en met 18 rijden, maar aangezien Thomas, afgezien van het feit dat hij dit jaar ontbreekt in de Tour, een ploeggenoot is van Bernal schuiven die rugnummers door naar de ploeg van de nummer drie uit 2019. Inderdaad, Jumbo-Visma, dat een jaar geleden met Steven Kruijswijk op fraaie wijze het podium haalde. Verder is het een goed gebruik in de Tour dat de kopman van elke ploeg een nummer draagt dat op een ‘1’ eindigt. De andere renners worden vervolgens op alfabetische volgorde van achternaam gerangschikt en genummerd. In geval van Jumbo-Visma draagt kopman Primož Roglič dus nummer 11, George Bennett ‘12’ en op basis van alfabet zou Tom Dumoulin dus ‘13’ hebben moeten dragen, gevolgd door respectievelijk Gesink, Grøndahl Jansen, Kuss, Martin en Van Aert op de nummers 14 tot en met 18. Maassen en Van Dongen hebben daar echter een stokje voor gestoken. Om het lot niet te tarten? Of Dumoulin geen slapeloze nachten te bezorgen door hem de gevreesde ‘13’ toe te bedelen? Wie zal het zeggen… De renner zelf kan het in elk geval bar weinig schelen. Ten overstaan van Han Kock liet Dumoulin weten net zo lief de ‘13’ te hebben opgespeld als zijn huidige rugnummer. Dit in tegenstelling tot een aantal van zijn collega’s, of renners uit de Tourgeschiedenis, bij wie het bijgeloof soms zelfs lichte vormen van obsessie kan, of kon, aannemen. De meest bijgelovige van allemaal? Gerrie Knetemann.

De factor bijgeloof loopt als een rode draad door de carrière van de in 2004 veel te vroeg overleden ‘Kneet’. Legendarisch is de anekdote die zich afspeelt op de vooravond van het wereldkampioenschap van 1978. Gelaten belt de Nederlander het thuisfront om de verwachtingen bij zijn vrouw Gré alvast te temperen. Zij hoeft nergens op te rekenen, legt een teleurgestelde Knetemann uit. Enkele minuten eerder heeft hij ontdekt dat ‘76’ het startnummer is dat hij de volgende ochtend wordt geacht op te spelden. ‘7 plus 6 is 13. Dat wordt niks morgen…’, klinkt het op sombere toon. Gré dient haar echtgenoot onmiddellijk van repliek. ‘Maar 7 min 6 is 1!’, luidt haar gevatte commentaar. Die redenering blijkt een uitstekende voorspelling van de afloop van het WK op de Nürburgring. Een dag later klopt Knetemann Francesco Moser in een sprint-a-deux. Met minimaal verschil, maar dat doet er niet toe. Knetemann mag een jaar lang de regenboogtrui dragen. De angst voor ‘13’ wordt er bij ‘De Kneet’ echter niet minder om. Hotelkamernummers met het getal erin weigert hij zijn gehele loopbaan resoluut, net als cijfercombinaties als 67, 85 of 94, die, als je de losse cijfers bij elkaar optelt, ook weer naar het befaamde ongeluksgetal leiden.

Als Knetemann in de winter van 1979 door zijn ploegleider Peter Post wordt ingelicht dat Joop Zoetemelk het volgende seizoen de gelederen van TI-Raleigh zal komen versterken, slaat de schrik dan ook al snel om het hart bij de voormalig stratenmaker. Niet omwille van zijn eigen status binnen de ploeg, daar heeft Knetemann geen twijfels over. De rugnummers in de eerstvolgende Tour daarentegen leveren de renner menig slapeloze nacht op. Zoetemelk was in de ronde van 1979 immers tweede geworden achter Bernard Hinault. Dat zou betekenen dat in de eerstvolgende editie Zoetemelk en zijn ploeggenoten de startnummers 11 tot en met 20 zouden worden toegekend. Met als nummer 11 natuurlijk Zoetemelk zelf, als kopman, en vervolgens de rest van de Post-brigade op alfabetische volgorde. In Huize Knetemann pakken donkere wolken zich samen boven de bijgelovige Gerrie. Op alfabet gerangschikt is De Kneet na de Zwitserse klimmer Beat Breu en de Vlaamse waterdrager Franky de Gendt de derde renner binnen de gelederen van TI-Raleigh. Wat nu als Post Breu mee naar de Tour zou nemen? Die zou rugnummer 12 krijgen en dan was Knetemann aan de beurt om ‘13’ af te halen. Of stel dat regerend wereldkampioen Jan Raas zomaar de ‘12’ toe bedeeld zou worden, om diens rol als sprintkopman wat meer te benadrukken, en zowel Breu als De Gendt zouden worden thuisgelaten?

De meest wilde scenario’s schieten door het hoofd van Knetemann, nog voordat er in 1980 maar één meter is gefietst. Een onaangenaam gevoel van onzekerheid maakt zich, maanden voor de Tourstart, meester van het lichaam van De Kneet. Uit pure wanhoop pakt hij de telefoonklapper uit de lade van een bijzettafeltje en scrolt met zijn rechterwijsvinger langs de namen en telefoonnummers van zijn ploeggenoten. Diezelfde vinger draait nog geen minuut later het kengetal van Voorst. In de Gelderse plaats is de reactie op het opmerkelijke belletje van Knetemann even nonchalant als lacherig, maar Henk Lubberding kent zijn bijgelovige ploeggenoot al langer en stemt zonder aarzelen in met diens telefonische verzoek. Of Lubberding van rugnummer zou willen ruilen, mocht het zover komen dat Knetemann de ‘13’ zou moeten opspelden in de Tour. ‘Geen probleem’, had het stoïcijnse antwoord van Lubberding geluid. Maar een onzeker mens zoekt zo veel mogelijk garanties in het leven en dus besluit Knetemann ook Bert Oosterbosch te bellen met precies hetzelfde verzoek. Stel je voor dat Lubberding om welke reden dan ook de Tour zou moeten missen, waardoor de gemaakte afspraak als niet bestaand zou kunnen worden beschouwd. Het geluk is die avond aan de zijde van Knetemann. Ook Oosterbosch stemt zonder enige aarzeling toe. Het belrondje van De Kneet had een willekeurige verzekeringsmaatschappij zomaar een fraai idee voor een ludieke televisiecommercial kunnen opleveren. Gemiste kans.

Achteraf blijkt de paniek bij Knetemann, al maanden voor de Tourstart van 1980, vooral een hoop gedoe om niets. Zonde van de tijd en de energie. Als de ronde ruim een half jaar later in het Duitse Frankfurt op punt van beginnen staat, maakt noch Beat Breu noch Franky de Gendt deel uit van de TI-Raleigh-ploeg en zijn de negen renners die Zoetemelk vergezellen gewoon alfabetisch gerangschikt en genummerd. Knetemann draagt ‘12’ op zijn rug, de gevreesde ‘13’ is bij Lubberding terecht gekomen. Die toont al op de vierde Tourdag aan dat alle stress om een eventueel ongeluksgetal niets meer is dan een mythe. Hij wint de etappe tussen Metz en Luik. Ook Knetemann zal die Tour een rit op zijn naam schrijven. De twaalfde.

Het is niet de laatste keer dat Gerrie Knetemann het getal 13 als een zwaard van Damocles boven zich voelt hangen. Acht jaar later is zijn bijgeloof één van de belangrijkste redenen om ruimschoots de tijd te nemen om te beslissen of hij eigenlijk wel van start moet gaan in de Tour de France van 1988. Niet alleen heeft hij door een sleutelbeenbreuk in de Driedaagse De Panne geen optimaal voorseizoen gekend en is hij op zijn 37ste in de nadagen van zijn glansrijke carrière belandt, als Knetemann van start gaat in Frankrijk zal dat uitgerekend voor de dertiende keer zijn. PDM-ploegleider Jan Gisbers doet er alles aan De Kneet te overtuigen van zijn meerwaarde voor de ploeg, maar laat de uiteindelijke beslissing over aan de renner zelf. Waar de twee jaar oudere Hennie Kuiper zonder aarzelen aan zijn werkgever, de Belgische Sigma-ploeg, toezegt aan zijn laatste Ronde van Frankrijk te beginnen, blijft Knetemann wekenlang in dubio. Pas een paar dagen voor de Tourstart hapt hij toe. Zoals je soms met tegenzin naar een film of voorstelling gaat, puur en alleen om een geliefde een plezier te doen en de relatie goed te houden, zo reist Gerrie Knetemann af naar Frankrijk. Hij wil zijn ploeggenoten en de sponsor niet in de steek laten. Veel zin in zijn dertiende en op voorhand al laatste Tour heeft hij bepaald niet, al spreekt hij kort voor de start wel de ambitie uit voor ritwinst te willen gaan.

Tot opluchting van de Amsterdammer heeft Gisbers zijn Tourselectie verder al compleet en blijft het zo gevreesde rugnummer 13 Knetemann ternauwernood bespaard. Titelverdediger Stephen Roche moet door een knieblessure verstek laten gaan in Frankrijk en daarom zijn de startnummers 1 tot en met 9 niet vergeven aan de Fagor-ploeg, waar de Ier in 1988 onder contract staat, maar aan Carrera. In dienst van die ploeg behaalde Roche een jaar eerder zijn Tourzege. Het verklaart waarom Carrera-kopman Urs Zimmermann een ‘1’ op zijn rug en kaderplaatje draagt. De nummer twee van 1987, Pedro Delgado, is wel in de Tour maar ook hij is van ploeg veranderd en draagt daardoor 171, in plaats van 11. Dat nummer is voorbehouden aan de man die Delgado is opgevolgd als kopman bij PDM, Steven Rooks. Aangezien het in de Tour, zoals gezegd, de gewoonte is om na de kopman de rest van de ploeg op alfabetische volgorde van achternaam een rugnummer te verstrekken, is Knetemann opgelucht dat Gisbers niet Stefan Mutter maar Andy Bishop meeneemt naar Frankrijk. Die start met nummer 12, Rudy Dhaenens krijgt de twijfelachtige eer met 13 te moeten rijden en Knetemann schuift door naar 14. Voor een voetballer is er weinig mooiers – ook Tom Dumoulin refereerde in het interview met Han Kock met lichte trots nog even aan Johan Cruijff – voor De Kneet is het voorafgaand aan de Tourstart in 1988 slechts een opluchting. Rugnummer 13 dragen en dat dan ook nog eens in zijn dertiende Tour had de voormalig wereldkampioen er vermoedelijk toe bewogen alsnog daags voor de start huiswaarts te keren.

Wellicht had de PDM-ploegleiding in 1988, net als Jumbo-Visma tweeëndertig jaar later, als het nodig was geweest wel iets kunnen regelen met de Tourorganisatie wat betreft de rugnummers, maar gebruikelijk is het niet om de alfabetische volgorde van de renners, met uitzondering van de kopman, overhoop te gooien. De paar uitzonderingen in de logica hebben in de Tourgeschiedenis van, pak ‘m beet, de laatste vijf decennia stuk voor stuk te maken met een onverwachte last minute invalbeurt, waardoor een ter elfde ure opgeroepen renner het nummer overneemt van de collega die hij vervangt. Zo krijgt Rolf Haller in 1980 het rugnummer van Teka-ploeggenoot Noël Dejonckheere, als de Belg kort voor de Tourstart ten val komt bij een parcoursverkenning. Veertien jaar later rijdt Léon van Bon door Frankrijk met het rugnummer dat voor Frédéric Moncassin bestemd was, ware het niet dat de sprinter van Jan Raas’ Wordperfect-ploeg bij de ploegenpresentatie onhandig van het podiumtrapje kukelt en een dubbele enkelbreuk oploopt. Einde Tour, nog voordat die gestart is. Nog eens een decennium later heeft Peter Farazijn startnummer 99, dat Cofidis-ploeggenoot Matthew White eigenlijk had moeten dragen. Die struikelt bij het inrijden voor de proloog met fiets en al over een kabel, komt ten val en breekt zijn sleutelbeen, waardoor Farazijn plotseling aan het vertrek staat. Met permissie van de Tourorganisatie mag Cofidis nog snel een vervanger oproepen, aangezien de Tour nog niet officieel gestart is. De Belg is de enige renner van Cofidis die binnen een tijdsbestek van slechts luttele uren in startplaats Luik kan arriveren. Dat Farazijn eerder die middag nog met zijn zoontje de autorally van Ieper bezocht en de vorige avond met vrienden flink wat ‘pintjes’ soldaat had gemaakt deert de ploegleiding voor een keer niet. Nood breekt immers wet. Het zijn een paar van de weinige uitzonderingen op de alfabetische volgorde in de startnummering binnen de Tourploegen. Heel soms geeft een ploeg een schaduwkopman of een renner met enig aanzien in het peloton nog wel eens een rugnummer dat op ‘2’ eindigt, waardoor met de alfabetische ‘code’ wordt gebroken. Roberto Heras, Peter Sagan, Alejandro Valverde en ook Tom Dumoulin reden met een dergelijk rugnummer rond. Pittige vraag voor een toekomstig NK Wielerquiz: in welk jaar reed Tom Dumoulin met ‘32’ en wie was dan als kopman aangemerkt door zijn ploeg? Vooruit, meteen het antwoord er maar achteraan. Het was in 2018 en de Sunweb-ploeggenoot van Tom die met ‘31’ reed was Michael Matthews. Mooiste niet-kloppende nummering is trouwens die van de Barloworld-ploeg in de Tour van 2007. Ene Geraint Thomas zou op basis van alfabet met 209 moeten rond rijden, maar kreeg 205. De reden? De op dat moment nog totaal onbekende latere Tourwinnaar was in eerste instantie abusievelijk ingeschreven als Thomas Geraint.

Ondanks dat de rugnummerkwestie voor Gerrie Knetemann in 1988, net als acht jaar eerder, met een sisser afloopt, heeft de Noord-Hollander bepaald geen geluk in zijn dertiende en laatste Tour. Helaas is het De Kneet niet meer te vragen, maar waarschijnlijk had hij het zelf vooraf al wel vermoed. Een dertiende Tour rijden, dat was in zijn ogen eigenlijk vragen om problemen. En de ellende begint al snel. In de tweede etappe, een 48 kilometer lange ploegentijdrit tussen La Haye-Fouassière en Ancenis, heeft Knetemann de grootste moeite zijn kameraden van PDM te volgen. Was De Kneet in zijn hoogtijdagen één van de motoren van de TI-Raleigh ploeg, die menig concurrent reduceerde tot een groep zondagsrijders, nu is hij geen schim van de renner van weleer. ‘Doorrijden!’, beveelt Steven Rooks als hij ziet dat door Knetemann en de evenmin sterk rijdende Andy Bishop het tempo telkens stokt. ‘Inhouden!’, overschreeuwt Jan Gisbers zijn kopman vanuit de volgauto. De ploegleider staat het debacle van twee jaar eerder nog helder voor ogen. In 1986 vielen Tour-debutanten Marc van Orsouw, Jan Siemons en Wim Arras al snel overboord van de PDM-trein in de collectieve race tegen de klok. Toen wachtte de ploeg niet. Het gevolg was dat het voortmodderende trio buiten de tijdslimiet over de finish kwam en linea recta naar huis kon. Op de tweede Tourdag had PDM eigenhandig drie van de tien renners uit haar eigen ploeg geëlimineerd. Een drama dat in 1988 ten allen tijde voorkomen dient te worden. Vandaar dat vooraf is afgesproken tot tien kilometer voor de finish met de hele ploeg samen te blijven. Dat Rooks daardoor al in de eerste Tour-dagen tijd verliest op zijn concurrenten wordt dan maar voor lief genomen.

Bijgeloof of niet, veel beter zal het Knetemann na de ploegentijdrit niet vergaan in zijn laatste Tour. In de door Jelle Nijdam gewonnen vijfde etappe doen de remmen op zijn fiets niet wat de Nederlander verlangt. Een flinke tuimelpartij is het gevolg, waarna De Kneet nog enkele meters over het door de stromende regen spekglad geworden Noord-Franse asfalt schuift. In zijn val sleurt hij bovendien een aantal collega’s mee, waarvan er één met zijn volle gewicht precies op de linkerschouder van de onfortuinlijke Knetemann belandt. Uitgerekend op de plek waar de renner van PDM een paar maanden eerder zijn sleutelbeen brak in De Panne. Kermend van de pijn besluit Knetemann zijn dertiende Tour toch te vervolgen. Tientallen kilometers kachelt hij eenzaam voor de bezemwagen uit. Alleen de Spanjaard Jaime Vilámajo is er nog slechter aan toe en zal voor het bereiken van de finish in Liévin door Knetemann gepasseerd worden en de Tour verlaten. Desondanks wil De Kneet, die in succesvollere jaren in totaal tien Touretappes wint, niet van opgeven weten. Het sleutelbeen blijkt na doktersonderzoek niet opnieuw gebroken, maar ‘slechts’ gescheurd. Doktoren geven ’s avonds groen licht om de ronde te vervolgen.

Terwijl een voormalig drager van startnummer 13 in de Tour, Knetemanns oud-ploeggenoot Henk Lubberding, de volgende dag voor de eerste en enige maal in het geel mag starten, staat ook Gerrie aan het vertrek van de zesde etappe; een individuele tijdrit over 51 kilometer. Na ruim een kwartier fietsen besluit De Kneet dat het mooi geweest is. De pijn is simpelweg te hevig. Hij komt geen moment in het juiste ritme en bij elke bocht voelt het alsof een onzichtbare duivel zijn drietand dieper en dieper in de linkerschouder port. Terwijl hij zich realiseert dat zijn Tourcarrière er definitief op zit, informeert Knetemann nog even bij de ploegleidersauto waar hij zich precies bevindt in de tijdrit. Als hij het antwoord hoort, besluit de bijgelovige renner nog een paar minuten de pijn te verbijten en pas dan in de remmen te knijpen. Alles liever dan precies in kilometer dertien van een etappe de Tour verlaten…