Op heldere dagen zie ik vanuit mijn Piëmontese woonkamer de Alpen aan de horizon. De piramidevormige Monviso – hemelsbreed 130 kilometer verderop, half Nederland – steekt overal bovenuit. Ernaast ligt de Colle d’Agnello. De afgelopen weken staarde ik op zonnige dagen met extra aandacht naar de bergen: was er sneeuw bijgekomen? Op welke hoogte? Alsof de hoeveelheid sneeuw op de Agnello ook dit jaar beslissend zou zijn voor het antwoord op de vraag of Steven Kruijswijk de Giro ging winnen.

Rond kwart over negen vanochtend meldde @laflammerouge16 op Twitter dat de Gazzetta dello Sport om 9.07 een bericht op de website had geplaatst: twee renners en zeven stafleden zouden positief hebben getest. “Oh man I hope it’s drugs,” reageerde iemand droog. Binnen een minuut was het bericht van de roze website verdwenen.

Toen het nieuws even later alsnog kwam, bleek een van de positieve renners Steven Kruijswijk te zijn. De rest van de ploeg zou van start gaan, werd gemeld. Eerst neigde ik ernaar grappen te maken (‘Wordt het dan toch Gaviria?’), maar al snel besefte ik dat ik dat alleen maar deed omdat ik de teleurstelling niet wilde toelaten. Omdat ik het bijna niet aankon om te proberen me voor te stellen hoe dit voor Kruijswijk moest zijn.

Het was niet het heftige sneeuwmuurgevoel uit 2016, dat ik ook tijdens de laatste Tourtijdrit voelde. Dat sneeuwmuurgevoel is een soort verbijstering, een schok, frustratie, ongeloof. Dit was anders. Eerder een gelaten, verslagen gevoel. Niet een plotselinge klap tegen een sneeuwwand waardoor alles tot stilstand komt, maar sneeuwval die je langzaam bedekt, tot het donker is.

Na de start van de etappe plaatste de Schotse sportjournalist Richard Moore een foto op Twitter van de teambus van Jumbo-Visma. Er was niemand op te zien, behalve de chauffeur, met gebogen hoofd. Het zonlicht viel precies op zijn mondkapje. Achter de bus stonden drie strak geparkeerde ploegleiderswagens met fietsen op het dak, klaar voor de start. Moore meldde dat de renners nog in de bus zaten.

Ik zag ze opeens voor me, die mannen in hun wielerkleding. Hoe ze die ochtend in de bus tegen de klippen op hadden geprobeerd de moed erin te houden, ondanks het verlies van hun kopman. Ondanks de angst dat misschien ook zij over een paar dagen besmet zouden blijken. Hoe de tijd wegtikte tot het onvermijdelijke gebeurde: het peloton reed verder richting Milaan, zonder hen. Hoe de superbenen van Koen Bouwman daar opeens werkloos in een gangpad lagen, terwijl ze op een fiets hadden moeten zitten, op weg naar Tortoreto. En die ervaren benen van Jos van Emden, al die benen eigenlijk, want wat reden ze goed de eerste week, wat hielden ze Kruijswijk mooi vooraan.

Gisteravond zag ik de Monviso nog, bij zonsondergang. Er was al een paar dagen geen sneeuw bijgekomen. Inmiddels zijn er wolken voor de horizon geschoven, de berg is uit zicht verdwenen.

 

Latest posts by Lidewey van Noord (see all)