Zelfs in de allerbeste familie komen ze voor: geheimen. Episodes in het grote familieboek die zorgen voor een collectief schaamrood op de kaken. Zo af en toe, op verjaardagen diep in de finale, wanneer grenzen van schaamte door een mist van alcohol vervagen, ploppen ze op; brokstukjes van het verhaal dat iedereen kent, maar waar meestal over wordt gezwegen. Besmuikt, lacherig, cryptisch ook, maar voor het nieuwsgierig oor van een vergeten kind net genoeg om te beseffen dat hier een verboden hoek van het familievloerkleed wordt opgelicht. Een plooi die nimmer meer glad te strijken is, maar trekt als een magneet.

In dit geval duurde het een aantal jaren voordat ik uit al die besmuikte toespelingen iets van een verhaal kon reconstrueren. Op zich was het niet heel erg heftig waar naar verwezen werd. Misschien was het meer de onwaarschijnlijkheid van het verhaal dat de gemoederen al jaren deed verhitten. Het betrof mijn oma en meer specifiek: haar kortstondige verliefdheid op een wielrenner. Pas jaren later, toen ik zelf de fiets ontdekte, kwam ik er achter dat het hier om de illustere Kees Pellenaars ging.

Het heeft mij jaren, en vele verjaardagen, gekost om het complete verhaal boven tafel te krijgen. En dan nog zijn er twijfels die nooit volledig zullen verdwijnen. Vooral ook omdat het aantal levende getuigen inmiddels op minder dan een hand te tellen is. Ik denk echter dat het ongeveer als volgt moet zijn gegaan:

Het was in het vroege voorjaar van het jaar 1935. Oma was net in de kost getrokken bij een boer uit Lexmond wat zoveel betekende als 6 lange dagen werken en op zondag naar de kerk. Meer swing zat er niet in haar leven en waarschijnlijk was dat ook niet iets waar ze naar taalde. Totdat er, net na het middagmaal, werd aangebeld aan de zware voordeur van de boerderij en oma op kousenvoeten door de gang heen sloop, om de boerenfamilie niet te wekken uit het gebruikelijke middagslaapje.

Toen ze open deed, zag ze een wielrenner staan. Hij had iets dat ze bij jongens uit Hei- en Boeicop en Lexmond nog nooit had gevoeld. Goeie jongens, daar niet van, maar braaf als een koorknaap. Hier, voor haar neus, stond een robuust blok leven dat vriendelijk glimlachend om een beetje water voor in zijn drinkbus vroeg. De jongeman, gekleed in een nauwsluitend sporttenue, had glimmend ravenzwart haar dat hij in grove slagen achterover had gekamd. Maar het was juist die ene pluk, die brutaal uit de plooi geschoten op zijn bezwete voorhoofd bungelde, die haar aandacht trok. Met een olijke glimlach blies hij hem terug op zijn plek en op dat moment moet het zijn gebeurd: oma werd verliefd. Nadat ze onhandig de drinkbus had gevuld bij de pomp achter op de deel en ze zich, bekomen van de eerste klap, giechelend had voorgesteld, had hij zijn bruinverbrande been weer over zijn fiets geworpen en haar nageroepen dat ze een aanzicht kon verwachten. Oma keek hem na, minutenlang, terwijl ze besefte dat er iets was gebeurd dat ze nog niet kon bevatten.

Kees Pellenaars was het voorjaar vol goesting begonnen, vastberaden zijn wereldtitel op de weg bij de amateurs van 1934 een passend vervolg te geven. Bij hoge uitzondering was hij de rivieren overgestoken, vooral omdat hij wel eens wat anders wilde zien. De stilte in dit stuk van Nederland had hem verbaasd. Een beheerste rust die hem het gevoel gaf een andere wereld te betreden. Hij had dorst, maar waar er in Brabant voldoende plaatsen waren om een dorstige wielrenner te laven, was dat in dit gebied geen sinecure. Uiteindelijk, zijn keel voelde inmiddels aan als schuurpapier, had hij zijn toevlucht gezocht tot een eenzame boerderij dat als teken van leven in een verder verlaten polder stond.

Ik weet niet of hij net zo onder de indruk van mijn oma was als andersom. Feit is wel dat hij haar de beloofde aanzicht stuurde waarin hij haar uitvoerig bedankte voor het water dat hem, zoals hij schreef, vleugels had gegeven. Wat ik in ieder geval uit de verhalen kon vissen, was het feit dat Kees Pellenaars daarna vaker op de boerderij moet zijn geweest. Eenmaal schijnt hij zelfs in de kuiten van oma geknepen te hebben, daarbij opmerkend dat ze coureur had moeten worden en met hem mee naar Brabant moest gaan. Mijn oma kon inderdaad vrij hard fietsen. Iets dat ze deed totdat twee kunstheupen haar onderstel fixeerde en ze noodgedwongen door het leven moest waggelen als een eend. Heeft ze getwijfeld? ’s Nachts in bed, woelend, haar toekomstscenario’s gewogen? Heeft ze verteerd door verdriet de keuze gemaakt om niet al haar schepen te verbranden en zich te voegen in het leven wat men voor haar bedacht had?

Het spreekt namelijk voor zich dat oma met een romance met Kees Pellenaars thuis de handen niet op elkaar ging krijgen. Haar vader was duidelijk: geen sportmannen, hoogstwaarschijnlijk (en in het beste geval) ook nog eens Katholiek, uit het zuiden over de vloer. Geschikte mannen bij de vleet, thuis in het eigen dorp. Prima partijen die er wel voor zorgen dat beide pootjes keurig in de klei bleven staan.

Ik ken lang niet alle details. En of mijn oma en Kees Pellenaars daadwerkelijk een kortstondige romance hebben beleefd of dat oma’s liefde eenzijdig was, zal voor altijd een vraag blijven. Feit is dat er iets is geweest. Voldoende in ieder geval om elke verjaardag weer over te giechelen met elkaar.

Uiteindelijk trouwde ze met mijn opa. Een prima kerel die zijn dromen zonder wroeging liet begrenzen door de Blauw Bijl en de Zwaanskuikenbrug. Soms vraag ik mij af wat de invloed van dit verhaal geweest is op het geluk in de rest van haar leven. Of heeft ze deze liefdesflits van haar af laten glijden, nuchter, overgaand tot de orde van de dag, tot de orde van het leven.

De vraag hoe het zou zijn geweest als mijn oma wel met Kees Pellenaars naar het zuiden was getrokken, roept elementaire levensvragen op. Had ik dan bestaan? En als dat het geval was geweest: had er dan wielrennersbloed door mijn aderen geklopt? Was ik een gerespecteerde kampioen geworden, een parel van de BWF? En wat voor invloed had mijn oma op Kees Pellenaars gehad? Was hij dan ook de bullebak geworden zoals hij nu de geschiedenisboeken is ingegaan?

We zullen het nooit weten. Als telt niet in het leven. En zeker niet in de sport.

Joost-Jan Kool
Laatste berichten van Joost-Jan Kool (alles zien)