Foto sirotti
Milaan-Sanremo: 300 kilometer wachten op tien minuten waarheid
De langste eendagskoers ter wereld wordt bijna altijd beslist op de kortste afstand. Wij doken inde geschiedenis van La Classicissima, oftewel La Primavera, van een mislukte autorace in 1906 tot de mythe van de Poggio.
Foto Sirotti
Foto Stefano Sirotti
Een koude ochtend in april, 1907. Bij de osteria Conca Fallata, aan de oevers van het Naviglio Pavese in het zuiden van Milaan, verzamelen zich 33 renners. Van de 62 ingeschrevenen is bijna de helft thuisgebleven, afgeschrikt door ijskoude regen en wind. Om 5:17 uur worden ze op pad gestuurd, richting de Ligurische kust. Geen ploeghulp, geen bevoorrading, geen reservefiets. Bijna 300 kilometer verder, in Sanremo, zullen er nog veertien overblijven.
Het was het begin van wat wielrennen vandaag kent als La Classicissima, La Primavera, het eerste Monument van het voorjaar: Milaan-Sanremo.
Van mislukte autorace tot wielerdroom
De koers dankt haar bestaan aan een samenloop van toerisme, journalistieke ambitie en grappig genoeg een gefaald experiment. In 1905 stelde een lokale audax-groep in San Remo een race voor tussen Milaan en de Rivièra, deels om het nieuwe casino van de badplaats op de kaart te zetten. Eugenio Costamagna, directeur van La Gazzetta dello Sport, zag meer in auto’s en organiseerde in april 1906 een tweedaagse automobielrace over hetzelfde traject. Het werd bepaald geen succes.
Tullo Morgagni, journalist bij de Gazzetta en een jaar eerder al de drijvende kracht achter de Ronde van Lombardije, greep zijn kans. Samen met collega Armando Cougnet en Costamagna zette hij voor 14 april 1907 een eendaagse wielerwedstrijd op poten. De winnaar van die eerste editie was de Fransman Lucien Petit-Breton, al werd de aankomst ontsierd door een staaltje obstructie: ploegmaat Giovanni Gerbi trok rivaal Gustave Garrigou letterlijk aan zijn trui om Petit-Breton vrij baan te geven. De jury degradeerde Gerbi naar de derde plaats.
Hoe de Poggio en Cipressa de koers heruitvonden
Decennialang was de Passo del Turchino, halverwege het parcours op 532 meter hoogte, de scherprechter. Onverharde wegen en slecht weer maakten de oversteek van de Apennijnen tot een beproeving op zich. Maar naarmate fietsen beter werden en renners sterker, eindigde Sanremo steeds vaker in een massasprint zonder veel drama.

Koersdirecteur Vincenzo Torriani wilde daar verandering in brengen. In 1960 voegde hij de Poggio di Sanremo toe aan het parcours: 3,7 kilometer klim met een gemiddeld stijgingspercentage van amper vier procent, op nog geen tien kilometer van de finish. Op papier onschuldig. Na zes uur koers, met bijna 280 kilometer in de benen, is de klim vaak de scherprechter.
Toen ook de Poggio niet altijd volstond om de sprinters te lozen, greep Torriani opnieuw in. In 1982 verscheen de Cipressa op het parcours: 5,6 kilometer aan 4,1 procent, bedoeld om de benen zuur te zetten vóór het eindspel op de Poggio. De omweg voegde twintig kilometer toe aan het traject, waarmee de koers ruim over de 300 kilometer ging. Torriani liet de routekaarten simpelweg met een “acceptabele” afstand drukken, om protest van renners te voorkomen.
Samen vormen Cipressa en Poggio het hart van de moderne Milaan-Sanremo: twee bescheiden hellingen die door hun plaatsing in het parcours allesbepalend zijn.
De cijfers achter het Monument
Het record voor meeste zeges staat op naam van Eddy Merckx: zeven overwinningen, verspreid over 1966, 1967, 1969, 1971, 1972, 1975 en 1976. Achter hem volgt Costante Girardengo met zes, behaald tussen 1918 en 1928. Geen enkele renner won de koers ooit drie keer op rij; de grens ligt op twee opeenvolgende zeges, een record dat onder anderen Merckx, Erik Zabel en Fausto Coppi delen.
De snelste editie ooit was die van 2024, gewonnen door Jasper Philipsen met een gemiddelde snelheid van 46,1 km/u. De traagste: 1910, toen Eugène Christophe door een sneeuwstorm ploeterde met een gemiddelde van 23,3 km/u. Meer dan een eeuw koersevolutie, samengevat in twee getallen.

Vijf edities die Sanremo vormgaven
1910: de sneeuwstorm/tornado. Van de 63 vertrekkers bereikten er slechts vier Sanremo. Christophe finishte na ruim twaalf uur, zo verkleumd en gedesoriënteerd dat hij dacht de verkeerde weg te hebben genomen. Zijn voorsprong op de nummer twee: meer dan een uur.
1946: Coppi’s solo. In de eerste naoorlogse editie viel Fausto Coppi aan na vijf kilometer. Op de top van de Turchino was hij alleen, en hij reed de resterende 145 kilometer solo naar Sanremo, veertien minuten voor de nummer twee. De radioverslaggever, klaar met zijn interview, meldde: “Dames en heren, hier is uw kampioen, Fausto Coppi. En nu wat lichte muziek.”
1982: de onbekende Gomez. Het debuut van de Cipressa. Regen, hagel en kou sloopten het peloton. Een vroege vlucht met daarin de 26-jarige Marc Gomez, een onbekende Fransman in zijn eerste profseizoen, werd nooit teruggepakt. Gomez kwam solo aan in Sanremo, het bewijs dat de koers, zelfs met een extra klim, onvoorspelbaar bleef.
1992: Kelly’s afdaling. Moreno Argentin sloeg een gat op de Poggio en leek onbereikbaar. Maar de Ier Sean Kelly stortte zich als een bezetene de technische afdaling af, haalde Argentin terug op één kilometer van de streep en sprintte er voorbij. De Poggio werd die dag niet alleen een klim, maar ook een afdaling. Een tactiek die we 30 jaar later ook zagen bij de winst van Matej Mohorič

2004: Zabels fout. Erik Zabel domineerde de sprint op de Via Roma en stak, meters voor de lijn, zijn armen al in de lucht. Oscar Freire gooide zijn fiets naar voren en stal de zege met millimeters verschil. “Het is frustrerend om zo’n stomme fout te maken,” zei Zabel achteraf. “Zoiets overkomt je maar één keer in je carrière.”

Er zijn natuurlijk wel meer mooie edities geweest. Zoals die van 1999 en die ene met de afdaling van Gianni Bugno.
Ook die van Mohoric in 2022 was heel mooi, Jasper Stuyvens winst, die herinneren velen zich nog. Ga zo maar door. Hoewel ‘MSR’ enigzins voorspelbaar is, wil dat niet zeggen dat het een saaie koers is. Want elk jaar weer bedenken renners weer andere methodes om het onvermijdelijke te voorkomen.
De langste dag
Millaan-Sanremo wordt vaak “de makkelijkste koers om te rijden, maar de moeilijkste om te winnen” genoemd. De paradox zit in het parcours zelf: bijna 300 kilometer die slechts twee korte hellingen kent, en toch leert de geschiedenis dat juist die twee hellingen genoeg zijn om alles op zijn kop te zetten. Elk voorjaar opnieuw rijdt het peloton urenlang naar de Ligurische kust, wetend dat de koers pas echt begint op de Poggio.
Deze week hebben we nog veel meer verhalen over deze prachtige koers!