Er zijn berichten dat de Tirreno kampt met financiële problemen. Geruchten over de consequenties daarvan filter ik angstvallig uit mijn newsfeeds. Hoe moet het wielerjaar op gang komen zonder dat ene kopje ristretto?

Voor een wielervolger is het wielrennen is soms net een kind. Het kost je veel energie en tijd, maar je krijgt er zoveel voor terug. Een ritme, bijvoorbeeld – één van de meest probate middelen tegen depressie. Waar kinderen je een dagritme geven, legt het wielrennen daar een jaarritme overheen. Inclusief winterdepressie – dat wel.

Uit die winterdepressie ontwaken is het mooiste wat er is. Je bent een hele winter, zoals de Vlamingen dat zo mooi zeggen, op je honger blijven zitten en, hemel, wat smaakt de rauwe boon van een Tour de San Luis dan zoet. Het zijn de broodnodige trainingskilometers die je maakt voor de wielerspelletjes die je het hele seizoen speelt: Tour Down Under, San Luis, Mallorca, Qatar, Middellandse Zee, Oman, Algarve. Je vreet de uitslagen met rode lantaarn en al op. Fare fatica.

Met de Omloop begint het echt. Maar als ik heel eerlijk ben zijn bij mij de laatste winterslapers pas echt verdwenen als de Tirreno start. Na een vermoeiende treinreis van meer dan een etmaal drink je je eerste ristretto op een terrasje van de Cinque Terre. Zoiets.

Het was 2009 – voorlopig het laatste jaar waarin de Tour de San Luis door een Argentijn werd gewonnen. Het was het jaar waarin Heinrich Haussler zich plotseling aankondigde als Groot Klassiekerrenner en waarin Julien El Fares zich ontpopte als Verraderlijk Pocketklimmertje – om vervolgens weer in zijn cocon te verdwijnen. Het was het laatste jaar dat Thomas Löfkvist iets noemenswaardigs wist te presteren. Tom Boonen won in Qatar en in Kuurne en de Rabobank domineerde de Omloop, zonder dat tot uitdrukking te laten komen in de uitslag.

Het was 14 maart. Onze dochter zou over iets meer dan drie weken twee worden, onze zoon over precies een week nul. De dag van de Montelupone in de Tirreno. Wie zou er tweede worden achter Purito Rodriguez?

Danilo di Luca had duidelijk ambities. Gebaseerd op revanchegevoelens misschien, want de ProTour had hem even uitgekotst. Iets met olie en drugs. Nu reed hij voor het Continentale LPR en kleurden zijn teamgenoten de kop van het peloton wit.

LPR was een soort reclassering voor uitgekotste ProTour-renners. Ook Alessandro Petacchi had iets stouts gedaan – een pufje salbutamol teveel – en reed nu in het wit. In het wit en op kop: het leek een strafexpeditie. In werkelijkheid was er natuurlijk sprake van een win-win-situatie: een topsprinter die zich, bij wijze van fare fatica, in het rood rijdt voor zijn kopman. Het was nog precies een week tot de Primavera.

Het zal de winterhonger zijn geweest, maar van zoveel wielerlogica werd ik enthousiast. ‘Kijk,  Rixt!’ riep ik tegen mijn dochter. ‘Petacchi!’

Rodriguez won. Rebellin werd tweede. Die reed niet voor LPR, maar alvast wel voor een continentaal team. Vorig seizoen had hij nog met het zuivere mineraalwater van ProTour-formatie Gerolsteiner op zijn trui rondgereden.

Petacchi werd éénenzeventigste. In Sanremo zou hij dat jaar vijfde worden. Het laatste jaar zonder de Manie in het parcours. Cavendish zou Haussler nipt verslaan. Ik zou er maar weinig van meekrijgen.

Pas de volgende dag begreep ik welke indruk mijn opmerking op mijn dochter had gemaakt. Ik had haar op mijn arm en zo stonden we voor het raam van haar kamer. Buiten fietste een groepje wielrenners, ongetwijfeld met buikjes, in ieder geval in Rabo-outfits. Ze reden naar het bos en in die richting loopt onze straat aardig op. We hadden dus de tijd om ze te bekijken.

‘Petacchi’s!!!’ riep mijn dochter, enthousiast wijzend.

Vanaf dat moment heetten wielrenners in ons gezinsjargon ‘Petacchi’s’. Onze zoon heeft zijn hele leven niet beter geweten. Menig tourfietser heeft al het genoegen mogen smaken om door een klein mensje voor Petacchi uitgemaakt te worden. Soms moeten zelfs iets te strak aangeklede hardlopers eraan geloven: ‘Waar is die Petacchi z’n fiets nou?!’

Soms zijn er van die momenten in het leven dat het toeval je even een aai over de bol geeft. Ik moet er nu niet aan denken dat het pakweg Bernhard Eisel zou zijn geweest die op 14 maart 2009 op kop van het peloton sleurde. Lang leve Alessandro Petacchi. En lang leve de Tirreno – Adriatico.

Er zijn berichten dat de Tirreno kampt met financiële problemen. Geruchten over de consequenties daarvan filter ik angstvallig uit mijn newsfeeds. Hoe moet het wielerjaar op gang komen zonder dat ene kopje ristretto?

De wereld steekt raar in elkaar, ik weet het. Maar er moet toch ergens wel een mineraalwatergigant gevonden kunnen worden die dit evenement wil helpen het hoofd boven water te houden, met een koffiebrander als co-sponsor? Moeten alle wielersponsoringsbevallingen tegenwoordig in Angelsaksische landen plaatsvinden? Er is toch wel iemand die vader wil worden van zo’n mooi kind?

Als ervaringsdeskundige kan ik maar één ding zeggen. Lieve aanstaande sponsoren: je krijgt er zoveel voor terug.

Johan Roos

Johan Roos is de trotse eigenaar van een Batavus Staccato. Met opzetstukken voor kinderzitjes, maar liefst drie bellen en twee prachtige Rabo-oranje Nijntje-fietstassen. Daarmee fietst hij dagelijks naar zijn werk. Bij wind mee en strakblauwe hemel wil het wel eens gebeuren, dat Johan zich heel even Pippo Pozzato waant. Hij kijkt dan eerst goed om zich heen. Als er echt niemand in de buurt is, haalt hij zijn handen door zijn haar, duwt zijn knieën naar binnen, schakelt één tandje bij en fluistert de woorden: pédaleur de charme. Wordt hij toch betrapt, dan voelt hij zich weer Pipo de Clown.
Als dichter stond Johan al op menig festival in Nijmegen en omstreken en publiceerde hij onder andere in Op Ruwe Planken en Kutgitaar.

Latest posts by Johan Roos (see all)