Jeminee! Erik Dekker wint Parijs-Tours

By |vrijdag 5 oktober 2018|

In de woonkamer van Erik Dekker hangt een schilderij waarop hij met de armen in de lucht een aankomstlijn passeert. Het is het cadeau van zijn wielervereniging uit Hoogeveen bij zijn afscheid als prof. De Peddelaars hadden één van de vier etappezeges in de Tour kunnen kiezen of de overwinning in de Amstel Gold Race in 2001. Maar het werd er een  die op wielerliefhebbers nog veel meer indruk maakte: die in 2004 in Parijs-Tours. Dat deze overwinning als een hele bijzondere wordt gezien, blijkt wel uit de aanklikteller op YouTube. De video over Parijs-Tours werd vele malen vaker bekeken dan die andere hoogtepunten uit Dekkers loopbaan.

Wat maakte die overwinning in Parijs-Tours zo speciaal? Waarom kwamen Mart Smeets en Maarten Ducrot superlatieven tekort? ‘Als je het verhaal nog een keer vertelt, gelooft niemand je’, zei Dekker zelf direct na afloop. Gelukkig zijn er de kranten-, radio- en tv-verslagen die hij als bewijs kan opvoeren. Die vormden de basis voor deze reconstructie van de dag dat Dekker alles kon. 

Saint-Arnoult-en-Yvelines is een dorp ten zuidwesten van Parijs. Vanuit Parijs rijdt je er in een half uur naartoe. Jaren achtereen was het de startplaats van najaarsklassieker Parijs-Tours, ook in 2004, de editie waar dit verhaal over gaat. Op zondag 10 oktober verschenen daar 188 renners aan de start. Het was fris, een graad of twaalf, en het mistte, waardoor het nog frisser aanvoelde. Later op de dag zou een wind opsteken, de mist verdwijnen, de zon doorbeken en de temperatuur oplopen naar een graad of 17, heerlijk koersweer dus.

Bij het podium waar de renners de startlijst tekenden en aan het publiek werden voorgesteld, ging de meeste aandacht uit naar Óscar Freire. Hij was de week daarvoor in Verona voor de derde keer wereldkampioen geworden. Uiteraard droeg hij de regenboogtrui. Vandaag kon hij opnieuw toeslaan. Parijs-Tours heette een sprintkoers te zijn en Freire was misschien wel de beste sprinter van allemaal. Daar kwam nog bij dat andere sprintkanonnen hadden afgezegd. De winnaar van 2003, Erik Zabel, zat thuis met een gebroken hiel, Alessandro Petacchi had griep en Tom Boonen liet vanwege een virusinfectie verstek gaan.

Om 11.00 uur klonk het startschot voor de départ fictif. Onder applaus zette het peloton zich in beweging, voorafgegaan door de auto met de koersdirecteur. De echte startlijn lag net buiten het dorp. Van daar was het 252,5 kilometer naar het zuiden naar de aankomst in Tours. In het snelste tijdsschema, dat van 42 kilometer per uur gemiddeld, zou de winnaar na zes uur en zes minuten over de streep komen.

Bij het verlaten van de bebouwde kom, zwaaide de koersdirecteur met een vlag en maakte zijn auto vaart. Meteen barstte de strijd los. De ene demarrage volgde op de andere, maar steeds werden de vluchters teruggepakt. Na zo’n 25 kilometer maakte zich een grotere groep los, van zeventien man maar liefst. Die ontsnapping had meer potentie, ware het niet dat de Paolo Bettini erbij zat. Davide Rebellin, de enig overgebleven concurrent van Bettini in de strijd om de Wereldbeker, kon dat niet toestaan. Zijn Gerolsteiner-ploeg reed het gat binnen vijf kilometer dicht.

Vier renners uit de groep van zeventien probeerden het opnieuw. Stuk voor stuk goede renners: de Italiaan Manuel Quinziato (24), de Rus Vladimir Goesev (22) en de Nederlanders Bram Tankink (24) en Erik Dekker (34). Moegestreden liet het peloton de vluchters begaan.Die eerste 30 kilometer was er hard gereden, erg hard zelfs. Laat ze maar rijden, zo werd gedacht, ze worden toch wel teruggepakt en dan begint het pas echt. Zo ging het in Parijs-Tours toch altijd?

De vier in de kopgroep dachten er net zo over. Ze reden dan ook niet voor zichzelf, maar voor hun ploeg. Zolang zij voorop bleven, was het aan de andere ploegen om het gat dicht te rijden en konden hun kopmannen en ploegmaats zich sparen voor de finale.

Eén renner uit het peloton legde zich niet bij de situatie neer: Éric Berthou (24) van de kleine Franse ploeg RAGT Semences-MG Rover-ploeg. Hij demarreerde uit het peloton op een moment dat het gat eigenlijk al te groot was. Kilometers lang bleef hij op een minuut achter de kopgroep rijden. Zwemmen noemen ze dat. Wat te doen? Opgeven? Dan was alle inspanning voor niks geweest. Gelukkig voor Berthou hielden de koplopers even in en lieten hem bijkomen. Met vijf man voorop blijven is makkelijker dan met vier, niet waar? Na 65 kilometer koers sloot Berthou aan. Daarmee ging de wedstrijd voor een paar uur op slot. Meer dan honderd kilometer lang gebeurde er niets dat dat het vermelden waard is. De kopgroep reed op kop, het peloton volgde op minuten achterstand en Tours was nog ver.

In de opnamen die in het VRT-archief bewaard zijn gebleven, komen de koplopers voor het eerst in beeld als ze nog 67,5 kilometer voor de wielen hebben. Dekker rijdt voorop, op een smalle, licht oplopende asfaltweg. Dorpjes, bossen en weilanden wisselen elkaar af. Hier en daar staan mensen langs de kant. Ze klappen en roepen wat aanmoedigingen. Van de voorsprong die ooit acht minuten bedroeg, is door toedoen van de Cofidis-ploeg en FDJ.com nog 3 minuten en 45 seconden van over. Beide ploegen komen uit Frankrijk, maar hebben niemand mee in de kopgroep. Dat is niet leuk voor de sponsors en de fans. Ze hebben dus wat recht te zetten.

Met nog 59 kilometer te gaan, steekt de kopgroep de Loire over. Het kasteel van Amboise torent machtig boven het dal uit en ook boven het parkoers, dat beneden in het dal langs de rivier loopt. Net voorbij het kasteel wacht een pittige klim. Van daar maakt de route een boog om de zuidkant van Tours, waar het heuvelachtig is.

Berthou heeft het moeilijk. De grimassen op zijn gezicht verraden dat het beste eraf is. Hij rijdt achteraan en laat steeds een gaatje vallen, zodat de renner die van kop komt, kan invoegen. Hij zoekt een excuus om af te haken. Zo maar lossen, voor het oog van de camera, is ook al zo wat. Hij doet alsof hij pech heeft en vraagt zijn ploegleider om een andere fiets. Die krijgt hij, terwijl de medevluchters doorrijden. Weer op gang gebracht maakt Berthous hand een snijbeweging ter hoogte van zijn keel: zijn nekje is eraf. Een paar minuten later wordt hij ingehaald door het peloton.

De vier anderen rijden gestaag door. Quinziato is de vooruitgeschoven post van Lampre, Goesev van Team CSC, Tankink van Quickstep-Davitamon en Dekker van Rabobank. Dekker heeft de meeste ervaring en de best gevulde prijzenkast. Hij draagt het rood-wit-blauw van de Nederlandse kampioen. Hij oogt nog fris. Voor het vertrek had hij goed op de wind gelet. Die kwam uit het noorden, Vroege vluchters hebben daardoor een grotere kans om lang weg te blijven. Daarom heeft hij het erop gewaagd, maar wel in dienst van zijn kopman Freire. Het kostte hem moeite om in de goede ontsnapping te komen, maar nu hij er zit, voelt hij zich goed, eigenlijk te goed voor vlucht die vrijwel zeker voor de finale zal stranden.

Met nog 33 kilometer te gaan is de voorsprong teruggelopen tot minder dan twee minuten. ’Ze hangen echt aan een touwtje’, zegt Jacques Chapel bij NOS Langs de Lijn. ‘Ze worden heel langzaam binnengehaald.’ Zes kilometer verderop wacht de Côte du Crochu. Daar gaat de koers een nieuwe fase in. Vanaf daar is het draaien en keren en klimmen en dalen door de buitenwijken van Tours. Normaal gesproken zit het er voor de vluchters dan op en is het aan de ploeggenoten om het af te maken. Maar Dekker voelt zich sterk. Als je 250 kilometer moet rijden, is 30 kilometer niet veel meer, houdt hij zichzelf voor. Hij kent het parkoers en dus ook de Crochu. Dit is het moment. Wat heeft hij te verliezen? Als het peloton terugkomt, zal Freire het wel afmaken.

Quinziato leidt de kopgroep door een de scherpe bocht naar rechts waar de beklimming van Crochu begint. Dekker komt binnendoor en trapt op een grote versnelling van de anderen weg. Bij Studio Sport is het live-verslag van Mart Smeets en Maarten Ducrot net begonnen.

Smeets (S): Kijk eens. Dekker geeft een snok en Tankink moet opletten. Want die wordt gewoon uit het wiel bij Goesev gereden.

Ducrot (D): Ja. Dekker rijdt echt zo ontzettend hard. Het is echt met geen pen te beschrijven.

S: Op dit kluchtje moet Tankink afgeven en Quinziato kan niet mee. Dus Dekker geeft zo veel gas… Goesev die kan nog net in zijn wiel blijven, maar die moet er ook af.

De motor met camera passeert de achterblijvers om bij Goesev en Dekker te komen. Die rijden honderd meter verder op een lang, licht oplopend, recht stuk. Als de camera dichterbij komt, is te zien dat Goesev ongeveer acht meter achter Dekker rijdt en het gat niet dicht krijgt.

S: Kijk eens die Goesev. Die wordt echt…, die rijdt met zijn eelt open nu hoor.

D: Ooohh…

S: Dekker rijdt zomaar…

D: Ja. Maar hij was ook al bezig jongen! Het is geweldig.

S: Dit is genieten. Dit is genieten om dit te zien! Dat je zo hard kan rijden dat je ze er gewoon afpiert!

Op de top van de Crochu kan Goesev toch aansluiten. Nog 26 kilometer te gaan. Het peloton volgt op 1 minuut 20. Aan de voet van de Crochu explodeert de koers. De renners van Cofidis en FDJ, die zo lang op kop hebben gesleurd, worden aan alle kanten voorbij gereden. US Postal en Fasso Bortolo trekken het peloton op een lint. Dekkers kopman Oscar Freire zit al voorin. Hij wordt geloodst door ploeggenoot Marc Wauters. Vooraan in de koers heeft Goesev de kop overgenomen, maar Dekker wil harder. Hij passeert Goesev. Op 13 kilometer van de aankomst is de achterstand nog 40 seconden. Bij de VRT nemen Karl Vannieuwkerke en ex-renner Johan Museeuw de sprinters door die in Tours kunnen winnen. Vannieuwkerke maakt wel een voorbehoud, ’want bij Dekker weet je het nooit’.

Even later komen Dekker en Goesev bij de voet van de volgende helling, de Côte de l’Épan. Er is nog 8 kilometer te gaan. Dekker rijdt voorop, Goesev kijkt om. Hij ziet het peloton. De voorsprong is nog 20 seconden. De gendarmes die voor het peloton uit reden, komen voorbij. Mart Smeets maakt de balans op:

S: De laatste gendarmes komen langs. Een heldenepos heeft hij vandaag geschreven, Dekker. Vroeg weg met vijf man. Hij bleef met twee over en hij heeft rijles gegeven vandaag. Hij heeft de zweep over het peloton weten te leggen, terwijl hij op kop reed! Hij heeft ze kilometers…

Dekker kent de l’Épan. Het is een bultje van niks, behalve als je al 214,5 kilometer in een kopgroep hebt gereden. Drie jaar eerder reed Richard Virenque hier weg van Jacky Durand. Toen volgde het peloton op 30 seconden. Virenque won. Dekker weet dat. Zelf had hij nog geprobeerd naar Virenque en Durand toe te springen, maar het peloton had hem niet laten gaan. Nu zet hij op dezelfde helling opnieuw aan. Goesev komt uit het zadel, maar laat zich weer zakken; hij kan niet meer.

S: Hij rijdt nu zo van Goesev weg. Hij heeft ze kilometers aan kilometers gepijnigd. En ze kregen hem maar niet te pakken. En Goesev denkt, ja…help? Wat is help op z’n Russisch?

Dan, in een bocht naar rechts, is er een valpartij vooraan in het peloton. In de verwarring raken de sprintersploegen de regie kwijt. Links en rechts schieten renners naar voren. Op de top van de l’Épan is oud-wereldkampioen Igor Astarloa de eerste die Dekker passeert. Even later volgt Juan Antonio Flecha, ook een Spanjaard. Dekker springt in zijn wiel. Astarloa, Flecha en Dekker rijden zo hard, dat alleen de Duitser Matthias Kessler en Australische sprinter Allan Davis nog kunnen aanhaken. Flecha rijdt het gaatje naar Astarloa dicht, Dekker laat zich onmiddellijk naar de laatste positie zakken, geef hem eens ongelijk, hij heeft de hele dag al voorop gereden.

Nog 7 kilometer te gaan. Hier op de kronkelweggetjes in de buitenwijken van Tours verdwijnt de kopgroep uit het zicht van de achtervolgers. Dat is een voordeel. Maar het peloton is nooit ver weg. ‘8 seconden’, meldt de koersradio op 6 kilometer van de aankomst. Achteraan in de kopgroep merkt Dekker dat hij behoorlijk herstelt.

Het volgende klimmetje is de Côte du Pont Volant, een korte klim over een brede weg. Kessler gaat voluit. Zijn T-Mobile-ploeg kan eerste worden in het Wereldbekerklassement voor ploegen. Dan moet hij wel bij de eersten eindigen, want T-Mobile heeft geen sprinter in de koers.

Honderd meter daarachter leidt Marc Wauters van Rabobank de klim van het peloton. Wat moet hij doen? Afstoppen, omdat Dekker in kopgroep zit? Of het gat dichtrijden, zodat Freire de sprint kan winnen? Twijfels waar Kessler geen last van heeft. Ook in de afdaling van de Pont Volant geeft hij vol gas.

D: Kessler jongen, die rijdt wel goed hoor. Die zat op het WK al mee. Na die enorme val in de Tour.

S: Hij reed met een klaplong een etappe uit hè?

D: Een ingeklapte long. Toen moesten ze hem vertellen: je kan helemaal niet fietsen want je long doet het niet.

Kessler valt stil. Hij wil dat iemand overneemt. Maar Flecha kan niet beter, Astarloa heeft geen zin om met sprinter Davis naar de streep te gaan en Davis wil zijn benen sparen voor de sprint. De groep draait naar rechts onder een spoorviaduct door en onmiddellijk weer naar links voor de Côte du Petit Pas d’Âne, een 600 meter lang klimmetje met een gemiddeld stijgingspercentage van 5 procent, maximaal 9 procent. Kessler zet opnieuw aan. Flecha, in vierde positie, laat een gaatje vallen. Dekker zit in zijn wiel.

S: ‘Kessler trekt eens even flink door zeg. Astarloa zegt: dat kan ik ook. Dekker heeft het heel moeilijk nu. Dat is niet zo gek hoor, vier kilometer voor tijd. Dekker kan op het al-ler-laatste nippertje nog mee. En Flecha heeft het moeilijk zeg. Zie je dat? Dekker sluit aan bij Davis. Als ze zo doorrijden, dan lacht Davis zich rot.

Maar ze rijden niet zo door en Flecha weer kan aanhaken. Ze waaieren uit over de breedte van de weg, kijken achterom en zien twee renners dichterbij komen. De een is Cristian Moreni, makkelijk herkenbaar aan Italiaanse kampioenstrui. De ander is van Saeco. Tijd om vast te stellen wie het is, is er niet. Want vooraan gebeurt het. Dekker demarreert in de afdaling van Côte du Petit Pas d’Âne.

S: En hier gaat Dekker demarreren. Het is waar hè? Dekker demarreert. Vlak voor de finish demarreert Dekker. En hij dendert door die bocht heen en dit is een wake up call voor die mannen achter hem aan. Dit zijn de laatste benen die hij moet hebben. Dat kan niet anders. Wat een finale jongens.

Na een bocht naar rechts heeft Dekker een gat van 15 meter. Kessler probeert het dicht te rijden, de anderen volgen op een tiental meters, maar komen niet dichterbij.

S: Wat een renner zeg die Dekker vandaag.

D: Ja. Maar het zegt ook iets over de lafheid zou ik bijna zeggen van die andere vier. Dat die naar elkaar gaan zitten kijken jongen. In deze fase.

Dekker kijkt onder zijn rechterarm door. Achter Kessler ziet hij de rest de voormalige kopgroep en daar weer achter het peloton. De camera ziet het ook.

D: Daar is de groep al.

S: Kessler komt nog in het wiel van Dekker. Hoe is het mo… hij haalt het uit zijn laatste, millimeter van zijn kleine teen!

Dekker kijkt opnieuw om en ziet dat Kessler bijna bij hem is. Even houdt hij in.

S: Ja, nu kan hij niet meer.

Dekker kan nog wel. Hij hield in om Kessler bij te laten komen. Kessler heeft laten zien dat hij sterk is. Dat kan van pas komen in die laatste kilometers.

S: Als Kessler nou verstandig is, neemt hij over. Meteen.

Kessler sluit aan, Dekker wijkt naar rechts om te kijken wat er achter Kessler gebeurt en zet weer aan, zo hard dat Kessler alleen maar kan aanklampen.

S: En dan gaat ie in zijn wiel hangen. Lafbek!

D: Ja, ik zit te kijken hoe die vijf man… Als Dekker in deze fase, moegestreden en wel, weg kan rijden dat zegt dat iets over…

S: Dat …,moet je nou kijken! Neem nou over! Wat een knuppel.

D: Ja hij heeft opdracht van hogerhand.

S: Ja, opdracht van hogerhand. Moet je kijken, die andere mannen zijn weg hoor. Ze gaan met z’n tweeën rijden.

Smeets heeft gelijk. Dekker en Kessler draaien de Pont du Lac op. Achter hen is niemand te zien. Tussen de Pont du Lac en de bocht waar het peloton nog door moet, ligt 170 meter leeg asfalt. Vanaf de Pont du Lac is het rechttoe rechtaan naar de finish: eerst over de brug over de Cher, daarna over de kaarsrechte, bijna drie kilometer lange vierbaansbrede Avenue de Grammont naar het centrum van Tours. Dekker rijdt nog steeds op kop.

S: Nou Dekker, vloer hem dan ook maar. Vloer hem dan ook maar zou ik zeggen.

D: Het is nu…

S: Wat een profiteur!

Dekker kijkt om en maant Kessler om over te nemen. Achter hen zeilt een plukje renners de Pont du Lac op. Kessler schuift langs Dekker.

S: En Dekker…nà. In goed Hoogeveens mag hij nu zeggen wat hij van hem vindt.

D: Nou Kessler, kom!

Achter het groepje dat ertussen rijdt, begint nu ook het peloton aan het laatste rechte eind.

D: Dekker rijdt twee keer weg vandaag, jongen.

S: Nou is deze Rue de Grammont ellendig lang. Maar dan ook ellendig lang. Weet iedereen.

De tv toont beelden uit de helikopter. Kessler en Dekker steken de brug de Cher over. 150 meter daarachter rijden de eerste achtervolgers, daar weer achter het peloton. Het groepje achtervolgers bestaat uit vijf man. Ze hebben het moeilijk. De voorste renner wil van kop af, de tweede rijdt vier meter achter hem.

D: Ze hebben toch 8 seconden. Dat is een eind en hier, als ze zo laf blijven koersen, dan gaan ze toch een kans maken. Maar dat hij twee keer kan wegrijden, dat is ongelofelijk.

S: 17 seconden. Kessler neem nou over!

Kessler neemt over. Dekker kijkt om en trekt zijn schoenriempjes aan voor de sprint. Daar heeft hij alle tijd voor, want Kessler komt niet meer vooruit.

D: Ja duidelijk met de rem erop, duidelijk met de rem erop. Dat is geen twaalf met de neus op het stuur, jongens.

S: Is die bang voor Dekker, die 240 kilometer in de aanval is geweest?

D: Het lijkt wel of iedereen bang is. Dat zij eerst instructies moeten krijgen dat ze gaan rijden. Wat is dit nu toch? Dat zo’n Flecha er zich niet mee kan bemoeien.

Het peloton heeft de vijf renners die de sprong naar de kopgroep wilden maken, ingehaald. De achterstand op Dekker en Kessler is nu minder dan acht seconden. Twee renners van Phonak rijden voorop, met een Rabobank-renner daarachter en vijf plekken daarachter Óscar Freire, klaar voor de sprint.

S: Alles is bij daar. Terug. En wat gaat er nu rijden?

S en D in koor: Phonak!

S: Het is alsof we een gehoorapparaat nodig hebben. Wat voor een merkwaardige finale!

D: Voor wie rijden die dan?

Vooraan heeft Dekker weer overgenomen.

S: Elminger, zeg ik. Die werd tweede in Parijs-Bourges afgelopen woensdag. Maar dit gaan ze niet meer dichtrijden. En dan kan die Kessler zo direct profiteren.

Kessler neemt over van Dekker.

S: Oké, het is profsport, dat wel.

D: Nou, kijk die maffe Dekker dat is natuurlijk wel iemand die kan aankomen als zo’n koers hard is geweest, maar ja.

S: Ik zie dat we één kilometer nog te gaan hebben. Slecht Nederlands overigens.

De boog met de rode vlag voor de laatste kilometer komt in beeld. Dekker neemt over. Kessler kijkt even naar Dekker. ‘Du gewinnst’, zegt hij. Kessler hoeft niet te winnen. Hij is al lang blij dat hij punten gaat halen voor het klassement voor de Wereldbeker voor ploegen.

S: Een kilometer te rijden. Voor Kessler van de T-Mobile-ploeg en Dekker die de hele wedstrijd kleur heeft gegeven. Een prachtige rood-wit-blauwe kleur heeft onze landgenoot gegeven.

Ook het peloton gaat de laatste kilometer in. Het telt geen vijftig man meer. Onder de rode vlag is de achterstand nog 7 seconden.

S: En het pak zit er vlak achter. En ze ruiken ze. De zweetdruppels kunnen ze van de straat oppakken als het moet. En Gerolsteiner gaat rijden natuurlijk voor Rebellin.

De motor met de eerste camera rijdt nu voor Dekker en Kessler. In de achtergrond waaiert het peloton uit over de volle breedte van de weg.

D: Ja, Dekker doet het helemaal alleen.

S: Ze komen heel dichtbij, heel dichtbij. Dit is tenenkrommend en erger. Dit is je billen tegen elkaar en erger.

D: Kessler profiteert.

S: Kessler wil zo graag winnen dat ie het karretje van Dekker ook in de poep rijdt.

Dekker kijkt om. Op 500 meter neemt Kessler over. Het gat is nog 5 seconden. De omroeper op het parkoers heeft de hoogste staat van opwinding bereikt. Rechts van de weg trekt Rabobank-renner Steven de Jong de sprint aan voor Freire. Dekker bedenkt zich voor het eerst dat hij kan winnen.

D: Nou dit ziet er toch wel gunstig uit voor Erik. Hij rekent, hij rekent.

S: Maar ja, maar ja. Ze moeten ooit een keer komen. Ze moeten ooit een keer komen.

Op 300 meter voor het einde gaat Dekker de sprint aan.

S: Daar gaat die. Dekker, voor de al-ler-laatste inzet die hij nog heeft!

Dekker passeert Kessler en schiet van de rechter- naar de linkerkant van de weg. Steven de Jong en het peloton zwiepen van links naar rechts.

S: Wie is dat? Kroon of zo die daar zo remt?

D: Nee dat is eh…

S: Wauters?

Dekker kijkt nog twee keer waar de rest blijft. De tweede keer ziet hij dat Kessler opgeeft. Hij doet nog een paar trappen, steekt zijn linkerarm omhoog, kijkt om, spreidt zijn armen en gaat dan met beide armen in de lucht over de streep.

D: Hij haalt het.

S: Dekker wint!

D: Hij haalt het.

S: Het is FAN-TAS-TISCH! DEKKER. FAN-TAS-TISCH. WAT ZET JE DAT ZOOTJE FANTAS-TISCH IN HUN HEMD. Hondo wint de sprint van eh…de groep. JEMINEE!

Het peloton volgt op minder dan een seconde. De Duitser Danilo Hondo wordt tweede, Freire derde. Kessler gaat nog als zevende over de streep.

Stijn Wiegerinck

Stijn Wiegerinck is journalist, historicus en wielrenliefhebber.

Latest posts by Stijn Wiegerinck (see all)

Related Post

3 Comments

  1. Gelderen drs. M.B. Maurice 05/10/2018 at 18:19 - Reply

    Atemlos gelezen…. bekende route, laatste dorpje is Mettray zoals in De Nederlandsche Mettray te Eefde …

  2. Frans van Santen 05/10/2018 at 20:31 - Reply

    Leest als een spannend boek, en één dat nog echt gebeurd is ook! heel fijn!

  3. Marco 06/10/2018 at 07:42 - Reply

    Top, zo lust ik er wel meer!

Geef een reactie