Antoon Coolen (1897-1961) was ooit een tamelijk gevierd schrijver in Nederland, van wie ook diverse boeken in andere landen zijn verschenen. Nu herinnert men zich hem vooral nog in Noord-Brabant, de provincie waar hij opgroeide en die vaak centraal heeft gestaan in zijn boeken.

Coolen werd geboren in Noord-Limburg, maar het gezin verhuisde al snel naar Deurne, Zuidoost-Brabant. Coolen begon zijn schrijverscarrière op zeventienjarige leeftijd in de Brabantse krant de Zuidwillemsvaart met een ingezonden brief, die op 25 april 1914 geplaatst werd. De stijl van de brief was nogal overrompelend. Coolen schreef op een felle toon over dingen die hem niet bevielen. Wat hem vooral niet beviel, was het wielrennen of ‘wielerwedrennen’, zoals hij het noemde.

Coolen vond het bespottelijk dat iemand die wat sneller kon rijden dan anderen werd toegejuicht en door het publiek gewoonweg voor een genie werd gehouden en dan ook nog een lauwerkrans kreeg omgehangen: ‘Wanneer ’k lees van rijders, die op de plaats van den wedstrijd doodblijven, die met ’t rennen ’n dagenlange ziekte oploopen, ’n hersenschudding krijgen, krankzinnig worden, den duur van d’r leven voor de helft verkorten, ja … dan rijst in mij de vraag: waar moet dat naartoe?’

Niet veel later kreeg Coolen een column in de Zuidwillemsvaart, die hij ondertekende met de naam A. de Willer. De eerste column verscheen op 13 mei 1914. Net als in zijn eerdere ingezonden brief ging Coolen flink tekeer tegen het ‘wielerwedrennen’, dat hij deze keer het ‘dolzinnigst gekkenwerk uit den tegenwoordigen tijd’ noemde, ‘dat enkel en alleen bestaat in ’n ruwe afbeuling en miskenning van z’n eigen lichaam’. ‘En tòch’, aldus Coolen, ‘zijn er dan nog altijd menschen die die beroemde renners voor genieën verslijten, toch zijn er nog menschen in wier oog ’n Rembrandt bijvoorbeeld, ’t niet halen kan, bij den een of anderen hardrenner.’

In zijn tweede column, van 26 mei 1914, noemde hij wielrennen ‘duivelswerk’. Door de wedstrijden op zondag, aldus de schrijver, ‘gaat de hele Zondagheiliging verloren. Men vergeet dat de Zondag allereerst bedoeld is, als de dag des Heeren, als een rustdag voor het lichaam tweedens, en verder als een dag die dient tot verkwikking en veraangenaming van geest en hart. Alleen dit in aanmerking genomen moet men ’t wielerwedrennen reeds veroordeelen’.

Vervolgens schreef hij dat hij een keer een wielerwedstrijd had gezien waarbij er ‘zoo gruwelijk te werk werd gegaan’ dat het met geen pen te beschrijven viel. ‘Ik heb gezien toen, hoe van die idioten daar aan kwamen gereden, beslijkt en bemodderd en er uitziend als varkens.’

Het was in Coolens tijd niet ongebruikelijk dat intellectuelen of zij die ervoor doorgingen de wedstrijdsport tamelijk minachtend bekeken. Maar Coolens overdreven aversie tegen wielrennen had waarschijnlijk ook te maken met de dood van Piet van Nek, een Nederlandse wielrenner, die op 13 april 1914, met Pasen, verongelukt was op de wielerbaan van Leipzig tijdens een stayerwedstrijd. Door een klapband in de tweede manche was Van Nek gevallen en met zijn hoofd op de baan geslagen. Hij had daarbij ernstig hoofdletsel opgelopen en stierf diezelfde nacht nog. Van Nek was ongekend populair en bij zijn begrafenis in Amsterdam waren dan ook vele duizenden mensen op de been. Coolen snapte het allemaal niet, al helemaal niet dat men daarna ook nog geld ging inzamelen voor een grafmonument voor de overleden wielrenner.

Coolen begreep ook niet dat wielrennende arbeiders zomaar vrijaf kregen van hun bazen om wedstrijden te rijden, ‘terwijl de medearbeiders gezamenlijk de financiële schade moeten dragen’. En dat enkel en alleen, aldus Coolen, ‘omdat die lieden de trappers van hun fiets zoo snel rond kunnen krijgen’.

Hij vond het dan ook volkomen legitiem dat hij zo fel uithaalde naar het ‘wielerwedrennen’. Hij zag het als zijn opdracht om met woorden ‘te donderen’, woorden die moesten ‘neerbonken en neerrammeien’ op hoofden van wielerliefhebbers, die daardoor dan uiteindelijk wel het belachelijke zouden gaan inzien van waar ze mee bezig waren.

Ruim een half jaar later, op 30 januari 1915, stelde Coolen in een nieuwe column met verbazing vast dat niemand zich iets gelegen had laten liggen aan zijn woorden: ‘Alzoo las ik dus ook nog steeds van wielerwedstrijden, en van belauwerkranste overwinnaars, die d’r eigen nagenoeg kapot gereden hadden om ’n meter-of-wat te winnen op één ronde, en van anderen, die pech hadden, en van wéér anderen, die d’r naam geen eer aandeden, omdat ze een beetje stijve pooten hadden en dus de trappers van hun fiets niet zoo snel rond konden krijgen als ze dat gewoon waren en van een vrij talrijk publiek las ik, dat ondanks ’t slechte weer tòch opgekomen was. En dat alles ten spijt van m’n gefoeter, ten spijt van m’n gedonder, ten spijt van m’n gerammel-met-woorden in m’n eerste artikeltje. Wat heeft m’n schrijven me dan gebaat?’ We kennen het antwoord op die vraag: niets.

(Dit artikel van Wim Daniëls is een verkorte versie van een uitgebreid hoofdstuk in het boek Hoe valt een schrijver uit de trein?, van Eric. J. Coolen en Wim Daniëls, verschenen op 26 november 2016; het boek is hier te bestellen.)

Latest posts by Wim Daniels (see all)